Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO3673

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
11-11-2010
Zaaknummer
16/600150-10 [P
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht verdacht schuldig aan moord op zijn echtgenote. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaar. De rechtbank verwerpt het verweer dat geen sprake zou zijn van voorbedachte rade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600150-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 november 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1959] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende te [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Zwolle,

raadsman mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 mei 2010, 13 augustus 2010 en 28 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Op 9 februari 2010 te [woonplaats], al dan niet met voorbedachten rade, zijn echtgenote [slachtoffer] heeft doodgeschoten.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

De officier van justitie baseert zich daarbij op het forensisch onderzoek waarmee naar zijn oordeel de verklaring van verdachte over een mogelijke worsteling en het uitglijden van zijn echtgenote wordt weersproken. Voorts wijst de officier van justitie op de verklaringen van diverse getuigen, waaronder familieleden en collega’s van verdachte, waaruit volgt dat verdachte er moeite mee had dat in geval van een scheiding zijn echtgenote een deel van zijn vermogen zou krijgen en verdachte heeft gezegd dat hij liever zijn echtgenote ombrengt dan dat zij mee zou delen bij een echtscheiding. Ook betrekt de officier in zijn standpunt dat verdachte 2 weken voordat de dodelijke schoten waren afgevuurd een vuurwapen heeft aangeschaft.

De officier van justitie acht het onwaarschijnlijk dat, gelet op het handelen van verdachte die bewuste ochtend voor en na het ombrengen van zijn echtgenote, verdachte, zoals deze zelf verklaart, die bewuste ochtend zelfmoord wilde plegen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde voorbedachten rade en daarmee van moord, en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. De verdediging stelt voorts dat niet valt uit te sluiten dat er sprake is geweest van een ongeluk.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

3.3.1. Overwegingen betreffende de toelaatbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van verdachte.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de verklaringen van verdachte, afgelegd tijdens verhoren bij de politie, uitgesloten dienen te worden van het bewijs nu bij deze verhoren geen tolk aanwezig is geweest. De rechtbank overweegt dat gebleken is dat verdachte reeds langdurig in Nederland verblijft en ook reeds langdurig voor een Nederlandse werkgever werkt. Ter terechtzitting is de rechtbank voorts meermalen gebleken dat verdachte, ook buiten de tolk om, het verhandelde ter terechtzitting goed kon volgen en de Nederlandse taal voldoende beheerst. De verhoren zijn voorts audiovisueel opgenomen en de gedeelten daarvan die de rechtbank ter zitting heeft getoond, geven de rechtbank evenmin aanleiding om eraan te twijfelen dat verdachte tijdens de verhoren de Nederlandse taal in voldoende mate beheerste. Voorts merkt de rechtbank op dat bij de bedoelde verhoren bij de politie telkens een raadsman aanwezig is geweest, die echter kennelijk op geen enkel moment aanleiding heeft gezien om kenbaar te maken dat verdachte een tolk nodig zou hebben. De rechtbank verwerpt dit verweer.

3.3.2. Bewijsmiddelen betreffende levensberoving

De rechtbank is bij zijn beoordeling uitgegaan van de volgende, door de daarbij genoemde wettige bewijsmiddelen onderbouwde, feiten en omstandigheden:

Bevindingen politie

Op 9 februari 2010 omstreeks 10.28 uur meldt verdachte zich bij de balie van het bureau van politie te [woonplaats]. Verdachte zegt: “Ik heb mijn vrouw vermoord.” en “Ik heb mijn vrouw doodgeschoten. Ze is dood.” Verdachte wendt zich tot een andere bezoeker van het politiebureau en zegt: “Ik heb haar vermoord. Het kon niet anders. 30 jaar huwelijk en altijd vreemdgaan. Ik kon niet meer.” De politie is daarop naar de woning van verdachte gegaan, gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Ter plaatse betreedt men de woning. In de woning ruikt het sterk naar kruitdamp. In de woonkamer treft men achter de bank het levenloze lichaam van een vrouw aan.

Forensisch onderzoek

- sporenonderzoek

Het slachtoffer, [slachtoffer] ligt op haar rug achter de bank, met haar hoofd schuin naar rechts tegen de achterzijde van de bank. Zij heeft een (door)schotverwonding in haar hoofd, een schotwond in haar borst en een schotwond in haar buik. Voorts is er een aflopend bloedspoor vanaf haar rechterhals naar de onderkant van haar bh. De verwondingen aan haar buik en borst hebben niet gebloed.

In de woonkamer van de woning worden een drietal hulzen aangetroffen. Bij de voet van het slachtoffer ligt een gedeformeerde kogel.

Op de vloer naast de rechterarm van het slachtoffer treft men tientallen druppels bloed aan, ook bij de voeten van het slachtoffer treft men bloeddruppels aan. Gelet op de ronde vorm betreft het rechtstandig naar beneden gevallen druppels.

Op de linker achterzijde van de bank (90 cm hoogte) zitten een aantal, naar beneden lopende vegen. Op circa 45 cm hoogte buigen deze af naar rechts, eindigend op de plaats waar het hoofd van het slachtoffer tegen de bank ligt.

Links naast de veeg, op een hoogte van circa 70 cm, zit een kleine hoeveelheid bloedspetters.

- Sectie

Bij de sectie op het lichaam van het slachtoffer is vastgesteld dat er aan het hoofd, de borst en de buik tekenen zijn van doorgemaakt uitwendig mechanisch perforerend geweld en verwikkelingen daarvan, passend bij twee inschoten (aan de borst en de buik) en één doorschot aan het hoofd. Daarbij zijn de volgende schotkanalen vastgesteld:

- Schotverwonding aan de borst rechts: een schotkanaal van links naar rechts, schuin achterwaarts en voetwaarts;

- Schotverwonding aan de bovenbuik: een schotkanaal van links naar rechts, schuin achterwaarts en voetwaarts;

- Doorschotverwonding aan het hoofd: een schotkanaal van het linker achterhoofd naar rechts, schuin voorwaarts, eindigend in een uitschot, rechts in het gelaat.

De letsels zijn gezien de begeleidende bloeduitstortingen alle bij leven ontstaan. In relatie met de alle schotkanalen waren vitale structuren geraakt (hersenen, lever, nier, grote lichaamsslagader) met functieverlies van de hersenen en weefselschade door bloedverlies tot gevolg, waarmee het intreden van de dood zonder meer wordt verkaard.

- Vuurwapen en munitie

Uit technisch onderzoek is naar voren gekomen dat het zeer veel waarschijnlijker, respectievelijk waarschijnlijker is, dat de in de woonkamer aangetroffen hulzen en kogels (aangetroffen in het lichaam van het slachtoffer en de bij de voeten van het slachtoffer) zijn afgeschoten met het in de keuken van de woning aangetroffen pistool, dan met een ander soortgelijk wapen.

- Schotresten onderzoek

Ten aanzien van de schotverwondingen in de buik en borst zijn sporen aangetroffen die wijzen op tenminste één schootsafstand tussen de 10 en 100 centimeter.

Ten aanzien van de schotverwonding aan het achterhoofd zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op een schootsafstand kleiner dan 25 centimeter.

- Conclusies naar aanleiding van het forensisch onderzoek

A. Het schot in het hoofd van het slachtoffer was het eerste schot, en is afgegeven toen het

slachtoffer stond. Dit is gebaseerd op:

- het verticaal uitgelopen bloed vanaf het uitschotletsel over de rechterzijde van het gelaat, hals en bovenzijde van de borst;

- de verwondingen in het hoofd zijn de enige verwondingen die hebben gebloed;

- de op vloer, rechts naast het aangetroffen slachtoffer, gezien de vorm, rechtstandig naar beneden gevallen aangetroffen bloeddruppels. Dergelijke druppels werden ook op de vloer bij de voeten van het liggende slachtoffer aangetroffen. Vermoedelijk heeft het slachtoffer zich, na het schot in het hoofd nog verplaatst.

B. Het schot in het hoofd werd toegebracht toen het slachtoffer met de rug naar de schutter

gekeerd stond. Dit is gebaseerd op:

- het inschot aan de linkerachterzijde van het hoofd, naar boven, met een uitschot aan de rechterzijde, op de lijn van het oog en de bovenste aanhechting van het rechteroor.

C. Op enig moment is het slachtoffer met bloedend hoofd op de vloer tegen de achterzijde

van de bank komen te zitten en vervolgens onderuit en naar rechts gegleden. Hierbij

werd het veegspoor op de achterzijde van de bank veroorzaakt.

D. Het schot in de borst is toegebracht toen het slachtoffer op de vloer tegen de achterzijde

van de bank zat. Dit is gebaseerd op:

- er is geen uitgelopen bloed in/bij deze schotverwonding. Het lichaam bevond zich tijdens en na het ontstaan in een (nagenoeg) horizontale positie. Dit zou het niet uitlopen van bloed kunnen verklaren;

- de bij de sondering, tijdens de sectie, van het schotkanaal aangegeven richting t.w. van links naar rechts schuin achterwaarts en voetwaarts kan niet ontstaan als de schutter tegenover het slachtoffer staat. De schutter bevond zich -vanuit het slachtoffer gezien- aan de linkerzijde van het slachtoffer.

E. Het schot in de buik is eveneens toegebracht toen het slachtoffer op de vloer lag.

De rechtbank concludeert dat, aan de hand van de sondering bij sectie volgt, ook bij dit schot de schutter vanuit het slachtoffer gezien links van haar, ongeveer ter hoogte van haar bovenlichaam moet hebben gestaan.

Telefoongesprekken

Op 9 februari 2010 is de gsm van verdachte uitgelezen. Hieruit volgt dat er met het toestel van verdachte op 9 februari 2010 in de tijdsperiode vanaf 10.08.11 uur tot en met 10.20.22 uur tienmaal is gebeld met (gsm) nummers van diverse familieleden. Deze personen hebben verklaard dat verdachte tijdens die gesprekken rustig en normaal klonk en onder andere tegen hen heeft gezegd: “Ik heb je schoonmoeder neergeschoten. Ga [A] halen en kom naar [woonplaats]. Ik heb de trut vermoord, ze is dood en ik ga nu naar de politie” ; “Ik heb [slachtoffer] vermoord, ik heb haar in het hoofd geschoten, zij is dood, zij ligt in de huiskamer gaan jullie maar kijken.” ; “Ik heb jouw schoonzus doodgeschoten met een pistool.” ; “hij zei dat [slachtoffer] dood was en dat ik het door moest geven aan haar broer”.

Gesprekken met derden

Vast staat dat er binnen het huwelijk van verdachte sprake was van relationele spanningen en dat er meermalen gesproken is over een scheiding. Verdachte heeft ook te kennen gegeven dat hij er over dacht om zijn eigen leven te beëindigen. Verdachte heeft hier in de periode voorafgaand aan het incident met diverse personen over gesproken.

Voorts verklaren diverse getuigen dat zij van verdachte hebben gehoord dat hij een vuurwapen wilde aanschaffen en dat verdachte zijn vrouw van het leven wilde beroven.

[X] verklaart dat verdachte hem diverse malen heeft gevraagd of hij een pistool voor hem kon regelen. Verdachte wilde scheiden en zei dat hij zijn vrouw liever neer zou schieten, dan dat hij haar een cent moest geven. [A] bevestigd dat haar echtgenoot ([X]) haar twee weken voor het incident vertelde dat haar vader (verdachte) hem naar een pistool had gevraagd. Verdachte heeft haar verteld dat hij wilde scheiden, maar dat hij bang was dat zijn echtgenote aanspraak zou maken op zijn huizen in Turkije.

[B] kent verdachte uit de moskee en verklaart dat deze tegen hem heeft gezegd dat hij het zijn vrouw kwalijk nam dat er problemen thuis waren. Dat hij van plan was een pistool te kopen en daarmee zijn vrouw neer te schieten. [Y] verklaart dat zij een seksuele relatie met verdachte had en dat verdachte tegen haar heeft verteld dat hij wilde scheiden. Zijn vrouw wilde het huis in Turkije, maar dat kreeg ze niet. Hij wilde zijn vrouw de nek wilde omdraaien, haar af wilde maken. Toen [Y] begin december 2009 haar ex-man aan de telefoon had, vroeg verdachte of deze een pistool had. Een collega van verdachte, [D] heeft verklaard dat zij met verdachte heeft gesproken over een scheiding en hem hoorde zeggen: “Als zij geld wil dan vermoord ik haar. Als ik haar vermoord dan houd ik het huis.” [Z], eveneens een collega van verdachte, verklaart dat hij verdachte meermalen, tijdens een gesprek over zijn huis en alimentatie, heeft horen zeggen dat hij haar zou vermoorden.

Verklaringen verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij met het door hem aangeschafte vuurwapen op 9 februari 2010 zijn woning is binnengegaan. In de woning is het wapen in zijn hand meermalen afgegaan, waarbij zijn echtgenote is geraakt. Vervolgens heeft hij het wapen in de prullenbak in de keuken gegooid.

Verdachte heeft voorts ten overstaan van de politie verklaard dat hij op 9 februari 2010, omstreeks 09.45 uur na terugkomst van een bezoek van de huisarts voor de deur van zijn woning in zijn de auto zijn ongeveer veertien dagen daarvoor aangeschafte vuurwapen had geladen . (door het magazijn erin te doen ). Daarna zou hij het vuurwapen in zijn broeksband gedaan hebben en het mee naar binnen genomen hebben. Binnen zou zijn vrouw naar mijn bloeddruk gevraagd hebben Toen verdachte zei dat die goed was zou zij gezegd hebben: “Oh, je gaat nog niet dood. Verdachte heeft verklaard dat hij toen helemaal doordraaide . Hij heeft tevens verklaard dat zijn echtgenote op dat moment op de bank zat terwijl hij achter haar stond. Zij zou zijn opgestaan en vervolgens op 2 a 2,5 meter afstand van verdachte zijn blijven staan. Verdachte heeft naar zijn zeggen vervolgens staand en met gestrekte arm twee a drie maal op het slachtoffer te hebben geschoten. Hij verklaart daarbij de bedoeling te hebben gehad op haar buik te schieten, maar dat het slachtoffer uitgleed voordat hij schoot. Betreffende het tweede schot heeft verdachte verklaard dat hij denkt op de buik van het slachtoffer te hebben geschoten

aanschaf wapen

Verdachte heeft in november 2009 aan [Y] gevraagd of haar ex-man aan een pistool kon komen. Ongeveer 2 weken voor 9 februari 2010 heeft verdachte het bij het telastegelegde feit gebruikte vuurwapen met bijbehorende munitie aangeschaft. Het wapen werd door verdachte in zijn auto bewaard en hij heeft eerst op de ochtend van die bewuste 9 februari 2010 uit zijn auto gehaald en geladen mee de echtelijke woning ingenomen.

invloed medicatie

Uit het NFI rapport volgt dat de in het bloed van verdachte aangetroffen aanwezige concentraties van diverse stoffen en/of verwijzingen voor aanwezigheid daarvan, onder de gebruikelijke werkzame concentraties van de betreffende stoffen liggen en dermate laag waren, dat het niet waarschijnlijk is dat deze van invloed zijn geweest op het gedrag van verdachte.

psychische-/gemoeds toestand verdachte

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het handelen van verdachte voor en na het incident niet van enige opwinding dan wel verwarring bij verdachte. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte voor het incident naar de praktijk van zijn huisarts is geweest voor een controle afspraak, daar constateert men dat verdachte er goed uitzag, en vriendelijk was. Verdachte leek stabieler en zei dat hij zich beter voelde. Vervolgens is verdachte naar huis gegaan en heeft eerst zijn tanden gepoetst en is naar de wc geweest. Na het incident heeft verdachte het pistool in de prullenbak gegooid en zijn handen gewassen. Uit de hiervoor onder “telefoongesprekken” weergeven inhoud volgt dat verdachte daarna diverse familieleden heeft gebeld, in welke gesprekken verdachte rustig en kalm op hen overkwam.

[V] heeft verklaard dat hij verdachte die ochtend op zijn gemak, relaxed en met zijn handen in zijn zak voorbij zag lopen in de richting van het centrum van [woonplaats].

3.3.3. Bewijsoverweging betreffende de opzet

De raadsman ziet in de ook ter terechtzitting gegeven lezing van verdachte grond om aan te nemen dat sprake was van een ongeluk en niet van een op de dood van zijn echtgenote gericht opzettelijk handelen van verdachte. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zelfmoord wilde plegen in aanwezigheid van zijn vrouw. Zijn vrouw probeerde toen hem ervan te weerhouden. Bij die poging is het vuurwapen van verdachte twee à drie keer afgegaan. Deze lezing van verdachte wordt volgens de raadsman ondersteund door het feit dat het eerste schot door het hoofd op een afstand van tenminste 25 centimeter is gevallen. Dit zou bij een afpakpoging kunnen passen. Dat er drie schoten zijn afgevuurd, kan komen doordat het om een semi-automatisch vuurwapen gaat.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het pistool per ongeluk tijdens een worsteling met zijn vrouw is afgegaan ongeloofwaardig. De rechtbank wijst er daarbij allereerst op dat uit de hiervoor onder 3.3.2. weergegeven door verdachte op de dag van het schietincident tegenover de politie afgelegde verklaring blijkt dat hij toen heeft verklaard en getoond, dat hij zijn vrouw met een vuurwapen in zijn gestrekte arm van een afstand van ongeveer 2 a 2,5 meter gericht heeft neergeschoten. Eerst ruim een maand later is verdachte met de verklaring gekomen dat het een ongeluk zou zijn geweest. Deze wisselende verklaringen doen ernstig afbreuk aan de geloofwaardigheid van verdachte.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachtes latere verklaring dat het een ongeluk zou zijn geweest naar het oordeel van de rechtbank niet valt te verenigen met de hierboven onder 3.3.2 weergeven conclusies naar aanleiding van het forensisch onderzoek ter zake van de schotkanalen en de positie van het slachtoffer op het moment dat zij door de schoten werd geraakt. Uit deze conclusies volgt namelijk dat het slachtoffer door het eerste schot van achteren in het hoofd is geraakt, terwijl zij met de rug naar de verdachte toestond. Dit letselbeeld maakt het thans door verdachte geschetste scenario dat zijn wapen tijdens een worsteling met het slachtoffer per ongeluk zou zijn afgegaan in hoge mate onwaarschijnlijk. Immers niet valt in te zien hoe bij een dergelijke worsteling verdachtes echtgenote in het achterhoofd zou kunnen worden geraakt. Verdachte heeft hieromtrent ter zitting ook geen nadere duidelijkheid kunnen of willen verschaffen.

De rechtbank overweegt voorts dat uit het forensisch onderzoek evenzeer is gebleken dat verdachtes echtgenote door het tweede en derde schot van voren in de buik en de borst is geraakt en dat deze schoten zijn afgevuurd terwijl zij zat of lag. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank allereerst dat er in ieder geval enige tijd is verstreken tussen het eerste en de -eveneens zelfstandig mede de dood veroorzakende- latere twee schoten. Dat geschoten is met een semi-automatisch wapen maakt dit niet anders, omdat ook bij deze wapens er bij elk schot sprake moet zijn van een bewust overhalen van de trekker. Deze bevindingen maken derhalve verdachte’s verklaring dat hij in een reflex zou hebben geschoten en zou zijn blijven schieten ongeloofwaardig. Voorts volgt uit voormelde bevindingen dat verdachte ook op het slachtoffer heeft geschoten terwijl zij al op de grond zal of lag. Dit verhoudt zich niet tot verdachtes relaas dat het wapen tijdens een –staande- worsteling met zijn echtgenote zou zijn afgegaan. Verdachte heeft ter terechtzitting over deze tegenstrijdigheden overigens geen verdere verklaringen kunnen of willen afleggen.

Tenslotte overweegt de rechtbank dat naar het oordeel van de rechtbank ook verdachtes gedragingen na het incident maken dat verdachtes latere verklaring dat het een ongeluk zou zijn geweest als ongeloofwaardig ter zijde moet worden gelegd. Verdachte heeft na het schietincident geen hulp aan het slachtoffer geboden en/of hulpdiensten gebeld en/of anderszins melding gemaakt van het feit dat er een ongeluk was gebeurd. Naar de mening van de rechtbank mag worden aangenomen, dat ware het werkelijk een ongeluk geweest, verdachte wel hulp aan zijn gewonde echtgenote zou hebben geboden of voor haar zou hebben gevraagd. Verdachte was ook in staat en had ook ruimschoots de gelegenheid om dergelijke hulp te bieden c.q. te vragen. Dit blijkt onder meer uit het feit dat verdachte direct na het schietincident meerdere familieleden heeft gebeld met de mededeling dat hij het slacthoffer had vermoord en vervolgens rustig lopend naar het politiebureau is gegaan. Verdachte heeft bovendien in al deze telefoongesprekken en op het politiebureau wèl gezegd dat hij zijn vrouw had doodgeschoten/vermoord , maar daarbij geen enkele keer aangegeven dat er sprake was van een ongeluk en/of worsteling.

De rechtbank is derhalve op grond van bovenstaande feiten, omstandigheden en overwegingen bewezen dat verdachte op 9 februari 2010 zijn echtgenote [slachtoffer] opzettelijk heeft doodgeschoten

3.3.3 Bewijsoverweging betreffende de voorbedachten rade

De verdediging betwist dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat:

- de omstandigheid dat verdachte geruime tijd met de gedachte van een eventuele moord heeft rond gelopen en zich mogelijk daarop heeft voorbereid door een vuurwapen schietklaar bij zich te hebben behoeft nog geen voorbedachten raad te impliceren. Dit geldt eens te meer nu niet kan worden uitgesloten dat verdachte ook met zelfmoordplannen heeft rondgelopen. Hierbij moet ook de psychisch labiele toestand van verdachte en de mogelijke invloed van de door verdachte gebruikte medicatie worden meegewogen;

- niet uit te sluiten is dat de drie schoten, gelet op het semi-automatische karakter van het pistool, in een fractie van 1 à 2 seconden zijn afgevuurd. Een tijdsbestek waarin, naar het oordeel van de raadsman, geen sprake is geweest van voldoende tijd om zich rekenschap te geven over de gevolgen daarvan;

- er is geen motief voor een moord; hoewel het Nederlandse strafrecht geen motief vereist, laat voorbedachte rade zonder motief zich moeilijk denken.

De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.

De rechtbank is - anders dan door de raadsman is bepleit - van oordeel dat een mogelijk voorgenomen zelfmoordpoging van verdachte niet per definitie contra-indicatief is voor een moord met voorbedachten rade. De rechtbank wijst er in dit verband op dat het bij bijvoorbeeld zogenoemde “familiedrama’s” niet uitzonderlijk is dat een (poging tot) zelfmoord wordt voorafgegaan door een (poging tot) moord op eigen partner en/of kinderen. Voorts is, in ieder geval naar Nederlands recht, een motief geen vereiste voor het aannemen van voorbedachten rade.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van voorbedachten rade. De rechtbank leidt het bestaan van de voorbedachten rade af uit de wijze waarop verdachte, blijkens de hierboven onder 3.3.2. weergeven bewijsmiddelen, zijn handelen heeft voorbereid en uitgevoerd en de daarbij voor hem bestaande beschikbare tijdsmomenten voor beraad. in Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze bewijsmiddelen dat verdachte op meerdere momenten de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

In het bijzonder heeft de rechtbank bij dit oordeel betrokken, dat:

- verdachte volgens meerdere getuigen in de maanden voorafgaande aan het schietincident al meerdere malen had gezegd dat hij bij een eventuele echtscheiding zijn echtgenote zou doodschieten c.q. zou doodmaken;

- verdachte volgens zijn eigen verklaring ongeveer 2 weken voor het afvuren van de voor het slachtoffer noodlottige schoten een vuurwapen heeft aangeschaft;

- verdachte volgens zijn eigen verklaring dat vuurwapen de betreffende ochtend bewust in zijn auto heeft geladen en vervolgens vanuit zijn auto mee de echtelijke woning in heeft genomen;

- uit het forensisch onderzoek en de verklaringen van verdachte blijkt dat verdachte niet langer dan 15 minuten daarna ook met dit vuurwapen driemaal op zijn echtgenote heeft geschoten;

- uit het forensisch onderzoek en verdachtes op 9 februari 2010 bij de politie afgelegde verklaring blijkt dat verdachte het eerste schot met gestrekte arm op het hoofd van het slachtoffer heeft afgevuurd terwijl het slachtoffer op 2 a 2,5 meter afstand met haar rug naar hem toegekeerd voor hem stond;

- uit het forensisch onderzoek blijkt dat verdachte in ieder geval de twee laatste schoten heeft afgevuurd terwijl hij c.q. zijn vuurwapen zich op maximaal 1 meter afstand en naast het bovenlichaam van het slachtoffer bevond;

- uit de voorgaande twee bevindingen naar het oordeel van de rechtbank tevens volgt dat verdachte in tijd tussen de schoten ook meerdere stappen moet hebben gezet in de richting van het slachtoffer;

- uit het forensisch onderzoek blijkt dat het slachtoffer bij het eerste schot stond en bij de twee laatste schoten lag c.q. zat, waaruit eveneens volgt dat er enige tijd verstreken moet zijn tussen het eerste schot en de twee daarop volgende schoten;

- het slachtoffer al voor het afvuren van de laatste twee schoten zeer ernstig gewond en geheel weerloos tegen de bank zat en/of op de grond lag;

- verdachte voor elk schot wederom de trekker van zijn vuurwapen heeft moeten overhalen.

De rechtbank overweegt voorts dat ook de gedragingen van verdachte direct na het schietincident voormelde conclusie dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld ondersteunen. In het bijzonder de hiervoor onder 3.3.2. weergeven door verdachte direct na het schietincident telefonisch gedane uitlatingen tegenover familieleden zijn naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet anders te begrijpen, dan dat verdachte daarin aangeeft bewust en weloverwogen het slachtoffer te hebben gedood.

Mede gezien hetgeen is overwogen over de psychische -en gemoedstoestand in de hierna onder 4.2 vermelde triple rapportage, ziet de rechtbank voorts geen aanleiding om aan te nemen dat verdachte zich qua psyche in een zodanige staat van opwinding en verwarring bevond dat deswege hij niet in staat was om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank wijst er in dit verband tevens op dat de huisarts, die verdachte nog ongeveer een uur voor het schietincident had gezien, heeft verklaard dat verdachte er toen goed uitzag, vriendelijk was, stabieler leek en zei dat hij zich beter voelde.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 februari 2010 te [woonplaats] opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] (verdachtes vrouw) van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meermalen door en/of in het hoofd en de borst en de buik van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Moord

4.2 De strafbaarheid van verdachte

In de triple rapportage d.d. 25 juni 2010, opgemaakt door P.E. Geurkink (psycholoog), A.C. Bruins (psychiater) en W. van Kreel (reclasseringswerker) is gesteld dat bij verdachte weliswaar enkele problematische persoonlijkheidstrekken zijn waar te nemen, maar dat het te ver voert om te spreken van een persoonlijkheidsstoornis. Bij verdachte wordt, ook ten tijde van het ten laste gelegde feit, geen ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens of een gebrekkige ontwikkeling daarvan aanwezig geacht. Ten aanzien van een eerder ontstane aanpassingsstoornis met een gemengd angstige en depressieve stemming wordt bovendien gesteld dat deze ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde door de behandeling daarvan sterk in remissie was. Voormelde deskundigen achten verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank acht deze conclusie genoegzaam onderbouwd en is -met deze deskundigen- van oordeel dat verdachte als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Het feit dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit ook medicatie gebruikte vormt voor de rechtbank geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Zowel het NFI (zie onder 3.3.2) als de psychiater Bruins achten namelijk de kans op medicamenteuze invloed op het gedrag van verdachte bij het ten laste gelegde feit klein.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 jaar.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met het sociale isolement waarin verdachte terecht is gekomen. Immers is hij “verstoten” door zijn kinderen en ontvangt enkel nog bezoek van een neef.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict, waarbij hij zijn echtgenote, tevens de moeder van hun 4 dochters, met een vuurwapen van het leven heeft beroofd. Gelet op de wijze waarop het feit is begaan, in het bijzonder het gegeven dat verdachte, na zijn echtgenote door haar hoofd te hebben geschoten, nog twee schoten op haar heeft afgevuurd terwijl zij al weerloos op de grond lag, heeft de moord alle kenmerken van een koelbloedig geplande en uitgevoerde liquidatie.

Onder meer uit de hiervoor weergeven verklaringen van familieleden en collega’s komt naar voren dat verdachte zich zag geplaatst voor het dilemma dat hij enerzijds –al dan niet mede om zijn reeds bestaande relatie met een andere vrouw te kunnen bestendigen- een einde aan de relatie met zijn echtgenote wilde maken, maar anderzijds daarvoor niet de prijs in de vorm van onder meer een verdeling van het gemeenschappelijk vermogen wilde betalen. Verdachte heeft dit dilemma uiteindelijk opgelost door zijn echtgenote om het leven te brengen. Aldus heeft verdachte zijn persoonlijke en financiële belangen hoger gesteld dan het leven van zijn echtgenote.

Verdachte heeft aldus het slachtoffer het meest fundamentele recht wat haar toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. De dood van het slachtoffer heeft ook aan de nabestaanden, en in het bijzonder aan de vier dochters van verdachte en het slachtoffer, een onherstelbaar verlies en groot verdriet toegebracht. Dit is ook uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring, opgesteld door de dochters en broer van het slachtoffer, gebleken. Ook daarin klinkt de dubbele tragiek van de partnerdoding door. Vier dochters hebben in één klap niet alleen hun moeder, maar tevens in zekere zin hun vader verloren. Aangenomen moet worden dat in het bijzonder de nabestaanden van het slachtoffer door haar overlijden nog lang psychische schade zullen ondervinden. Ook in bredere kring heeft de moord op het slachtoffer een schok teweeg gebracht.

Een dergelijk feit schokt bovendien de rechtsorde in het algemeen en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 augustus 2010 niet eerder voor een misdrijf werd veroordeeld. Vanwege de buitengewone ernst van het bewezenverklaarde levensdelict en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, speelt die omstandigheid echter slechts een zeer beperkte rol.

Naar het oordeel van de rechtbank komt voor het bewezenverklaarde feit komt als enig passende straf een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur in aanmerking. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor vergelijkbare feiten worden opgelegd.

De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat in een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van het plegen van een gewelddadig en ernstig delict, dat grote invloed heeft op de persoonlijke levenssfeer van de nabestaanden en op de gevoelens van onrust in de maatschappij de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 15 jaar een passende en geboden reactie vormt.

6 Het beslag

6.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen Tomtom navigatiesysteem aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

6.2 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen brief, gedateerd 25 januari 2010 aan [M], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Moord;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen Tomtom navigatiesysteem;

- gelaste de teruggave aan [M] van de in beslaggenomen brief, betreffende een overeenkomst tussen [O] en [M] d.d. 25 januari 2010.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. P.W.G. de Beer en mr. S. Wijna, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 november 2010.

Mr. P.W.G. Beer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.