Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO2835

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
16-710487-07
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, de rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest en proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710487-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1958] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 september 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 maart 2007 ten aanzien van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel;

feit 2: zich in de periode van 1 januari 2007 tot en met 27 maart 2007 ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) schuldig heeft gemaakt aan mensensmokkel.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht hetgeen onder 1 ten laste is gelegd wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1], de afgeluisterde telefoongesprekken, de door verdachte afgelegde verklaringen bij de politie nadat hij was geconfronteerd met de afgeluisterde telefoongesprekken en de getuigen-verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. De officier van justitie acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit, in die zin dat hij wist dat het verblijf van [slachtoffer 1] en haar broer [slachtoffer 2] in Nederland wederrechtelijk was, omdat zij niet zonder vergunning in Nederland mochten werken.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het eerste ten laste gelegde feit kan komen. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging

-samengevat- gesteld dat verdachte geen dwangmiddelen jegens [slachtoffer 1] heeft gebruikt, [slachtoffer 1] niet heeft uitgebuit en ook niet met dat oogmerk heeft gehandeld. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat [slachtoffer 1] vrijwillig naar Nederland is gekomen en de seksuele toespelingen die verdachte maakte tijdens hun telefoongesprekken nimmer heeft afgekeurd. Ook heeft de verdediging erop gewezen dat alleen [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij van 10.00 uur ’s ochtends tot 23.30 uur ’s avonds in het koffiehuis moest werken. Nu deze verklaring door geen enkele andere verklaring wordt ondersteund, ontbreekt volgens de verdediging het wettig en overtuigend bewijs dat sprake was van uitbuiting. Met betrekking tot het tweede ten laste gelegde feit verzoekt de verdediging eveneens verdachte vrij te spreken. Er is, aldus de verdediging, geen sprake van een illegaal verblijf van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in Nederland, nu Bulgarije op 1 januari 2007 is toegetreden tot de Europese Unie en haar onderdanen vanaf die datum vrij mogen reizen naar Nederland.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Aan verdachte is mensenhandel (artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht) ten laste gelegd. Bij dit artikel is uitbuiting van individuen strafbaar gesteld met als belang behoud van de geestelijke en lichamelijk integriteit en persoonlijke vrijheid. In de Memorie van Toelichting is aangegeven dat het bij uitbuiting in de zin van dit artikel gaat om moderne vormen van slavernij. De rechter beoordeelt de vraag of sprake is van uitbuiting aan de hand van de feitelijke omstandigheden. Belangrijke indicatoren voor een mogelijke uitbuitingssituatie kunnen zijn dwang, misleiding en onvrijheid. Wezenlijk is dat het slachtoffer in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te blijven, en in feite de vrijwilligheid bij het slachtoffer in ernstige mate ontbreekt.

De rechtbank gaat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte is eigenaar van het koffiehuis [bedrijf 1], gevestigd aan de [adres] te [woonplaats].

Op 27 maart 2007 heeft [slachtoffer 1] jegens verdachte aangifte gedaan van mensenhandel en verkrachting. In haar aangifte heeft [slachtoffer 1] onder meer verklaard dat:

- zij geboren is in en afkomstig is uit Bulgarije ;

- zij met verdachte in contact is gekomen omdat hij een vriend was van haar overleden vader en hij haar hulp had aangeboden;

- zij verdachte telefonisch had verteld dat zij het erg moeilijk had in Bulgarije omdat zij geen werk, een ziek kind en een hoge elektriciteitsrekening had en de medicijnen voor haar zoon niet meer kon betalen; verdachte hierop heeft gezegd dat zij naar Nederland moest komen, dat hij haar en haar kind zou helpen, voor eten en onderdak zou zorgen, en dat hij haar heel rijk zou maken;

- verdachte telefonisch tegen haar had gezegd dat ze bij hem in het koffiehuis moest komen werken als ze in Nederland was, ze zou moeten schoonmaken, afwassen en helpen in de bediening;

- verdachte haar reis naar Nederland heeft betaald;

- zij de eerste twee nachten na aankomst in Nederland samen met haar broer [slachtoffer 2] in een kamer achter in het koffiehuis van verdachte heeft geslapen, waar het erg koud was en zij moesten douchen in de wc met een tuinslang vanuit het koffiehuis.

- verdachte haar op de dag van aankomst heeft uitgelegd wat zij moest doen in het koffiehuis en dat zij daar werkte van 10.00 uur in de ochtend tot 23.30 uur in de avond;

- verdachte haar en haar broer [slachtoffer 2] nadat zij op 12 maart 2007 door de politie was opgepakt en op 13 maart 2007 was teruggekeerd heeft ondergebracht in een woning aan de [adres] te Soest;

- verdachte seks met haar heeft gehad terwijl zij dat niet wilde;

- verdachte haar niet heeft betaald voor haar werkzaamheden in het koffiehuis.

Verdachte is op 27 maart 2007 aangehouden. Tijdens zijn verhoor op 28 maart 2007 is verdachte geconfronteerd met afgeluisterde telefoongesprekken. In het onderstaande haalt de rechtbank delen uit dat proces-verbaal aan. In de aangehaalde onderdelen van het proces-verbaal wordt eerst een samenvatting van een afgeluisterd gesprek gegeven, gevolgd door een antwoord van verdachte.

“Gesprek 819 (22 feb. 2007)

Eerste gesprek met [slachtoffer 1]. (…..) [verdachte] wil graag dat [slachtoffer 1] naar NL komt om in zijn koffiehuis te werken.(……) [verdachte] zegt dat hij een vrouw in het koffiehuis wil hebben omdat dat meer klandizie trekt. [slachtoffer 1] vertelt aan [verdachte] over haar zieke zoon. [verdachte] zegt dat [slachtoffer 1] in NL betere perspectieven heeft en dus ook beter voor haar kind kan zorgen.

Antwoord: Ik wilde [slachtoffer 1] graag in het koffiehuis hebben omdat zij meer klanten trekt.

Gesprek 1019 (27 feb. 2007)

[verdachte] spreekt weer met [slachtoffer 1]. (….) [slachtoffer 1] vertelt dat ze wil komen met haar broer. [verdachte] zegt dat de buschauffeur ongeveer twee dagen voor de reis hun paspoorten zal komen halen en dan precies zal zeggen wanneer ze zullen vertrekken. (…) [slachtoffer 1] praat over haar zieke zoon en over de dure medicijnen. [verdachte] zegt dat ze de medicijnen maar mee naar Nederland moet nemen en dat hij ze misschien wel gratis van zijn arts kan krijgen. [verdachte] zegt dat [slachtoffer 1] en haar broer in de ruimte achter het café zullen slapen. (…)

Antwoord: Ik heb de chauffeur geregeld en met die chauffeur afgesproken dat hij de reiskosten zou voorschieten. Ik heb de chauffeur ook in Soest betaald en heb ook van hem de paspoorten ontvangen, die de chauffeur voor mij had achtergehouden.

Gesprek 1101 (1 maart 2007)

[slachtoffer 1] geeft [verdachte] het telefoonnummer van haar broer. (…) [slachtoffer 1] zegt tegen [verdachte]:

Hetzelfde heb ik vandaag met mijn broer [slachtoffer 2] besproken. Ik zei “[slachtoffer 2] luister, ik ken je heel goed. Je zwager die mijn man was is overleden. Je ziet zelf dat ik er erg aan toe ben. Niemand reikt mij een helpende hand toe. 1,5 jaar geleden is ook mijn vader overleden. Moeder staat er alleen voor en werkt als schoonmaakster op een school. Moet ze [naam], jou of mij gaan helpen. Dat gaat niet. Ik heb hier zoveel schulden opgebouwd omdat ik de medicijnen perse voor mijn kinderen moest aanschaffen. Ik moet wel gaan. (…)

Antwoord: Ik weet dat [slachtoffer 1] schulden heeft vanwege de medicijnen van haar zieke kind en heeft aangegeven daarom naar Nederland te komen. Ik heb tegen [slachtoffer 1] gezegd dat zij geld kon verdienen in het koffiehuis en heb ook gezegd dat ik medicijnen voor haar zoon zou regelen.

Gesprek 1151 ( 3 maart 2007)

[verdachte] belt [slachtoffer 1]. [slachtoffer 1] klaagt over de buschauffeur.(…) [slachtoffer 1] zegt dat de man de paspoorten in beslag heeft genomen. [verdachte] zegt dat de buschauffeur de paspoorten aan hem zal geven en dat de paspoorten ook bij hem moeten blijven tot ze weer vertrekken. Iedereen wil namelijk zekerheid.

Antwoord: Dit is omdat ik kosten maak en zeker wil zijn dat de mensen ook blijven en ik het geld voor de reis terugkrijg door het werken van hun. Daarom houd ik de paspoorten in.

Gesprek 1312 (9 maart 2007)

[verdachte] belt met [getuige 2] en zegt dat hij “ze” wakker moet gaan maken omdat ze schoon moeten maken. (…)

Antwoord: [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn die avond gekomen en zijn toen meteen gaan slapen in het kamertje achter het koffiehuis.(..) Ik heb de volgende ochtend inderdaad gebeld naar [getuige 2] zodat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] wakker gemaakt konden worden om schoon te maken in het koffiehuis. Later bleek inderdaad dat ze hadden schoongemaakt.”

In zijn verhoor op 29 maart 2010 is verdachte geconfronteerd met de aangifte verkrachting van [slachtoffer 1]. Hierop heeft verdachte verklaard: “ Ik heb 4 keer met haar geneukt. (…) Ik begrijp best dat [slachtoffer 1] het niet fijn vond met mij toen ik haar neukte en dat zij afhankelijk was van mij. [slachtoffer 1] voelde zich niet op haar gemak toen ik met haar neukte in het koffiehuis. (…) [slachtoffer 1] is door mij hierheen gehaald en zit in een totaal vreemd land en omgeving (…)”

Tijdens zijn eerste verhoor op 27 maart 2007 is door verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] eerst in een kamertje in het koffiehuis hebben geslapen en zij na de inval van de politie zijn gaan wonen in de woning van zijn zoon [naam] aan de [adres] te

Soest , dat zij ’s ochtends omstreeks 10.30 uur door zijn zoon [naam] werden opgehaald op de [adres] en naar het koffiehuis werden gebracht en dat [slachtoffer 1] vervolgens in het koffiehuis ging schoonmaken. Voorts heeft hij verklaard dat hij met [slachtoffer 1] niets had afgesproken over het uurloon. Zij kreeg ook gratis eten en onderdak.

Door [getuige 2], een regelmatige bezoeker van het koffiehuis [bedrijf 1] en een bekende van verdachte is verklaard dat [slachtoffer 1] in het koffiehuis werkte als bediende en dat zij koffie, thee en ander drinken van de klanten verzorgde.

Op basis van de hiervoor aangehaalde aangifte van [slachtoffer 1], de afgeluisterde gesprekken, verdachtes eigen verklaring en de verklaring van [getuige 2] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1. ten laste gelegde. Uit deze verklaringen en afgeluisterde gesprekken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] zich in een kwetsbare positie bevond. Verdachte heeft doelbewust van deze kwetsbare positie misbruik gemaakt en [slachtoffer 1] misleid door haar te beloven dat hij haar zou helpen en medicijnen voor haar zieke zoon zou regelen. Voorts heeft verdachte zich actief ingespannen [slachtoffer 1] naar Nederland te halen door de busreis naar Nederland voor haar te regelen en te betalen. Tevens heeft hij haar bewogen zich beschikbaar te stellen voor arbeid en heeft hij haar uitgebuit door haar lange dagen in zijn koffiehuis te laten werken zonder haar te betalen. Voorts heeft verdachte [slachtoffer 1] belet terug te reizen naar Bulgarije door haar paspoort achter te houden en haar niet te betalen voor haar werkzaamheden.

Het betoog van de verdediging dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] van ’s morgens tot ’s avonds in het koffiehuis liet werken, nu dit alleen zou blijken uit [slachtoffer 1]’s eigen verklaring, wordt verworpen. Dat verdachte [slachtoffer 1] lange dagen in het koffiehuis liet werken volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] ’s morgens om 10.30 uur werd opgehaald om in het koffiehuis te gaan werken, alsmede uit de hiervoor aangehaalde verklaring van [getuige 2].

Tevens acht de rechtbank gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] en de hiervoor aangehaalde verklaring van verdachte van 29 maart 2007 bewezen dat verdachte seks met [slachtoffer 1] heeft gehad terwijl hij wist dat ze dat niet fijn vond en afhankelijk van hem was.

Voor het medeplegen van mensenhandel is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden. De verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Feit 2

Gelet op het bepaalde in artikel 197a Sr, lid 1 en 2, is -kort samengevat- strafbaar degene die een ander uit winstbejag behulpzaam is bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dit verblijf wederrechtelijk is.

Met betrekking tot [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat uit haar hiervoor aangehaalde aangifte en de hiervoor aangehaalde verklaringen van verdachte blijkt dat verdachte haar uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij wist dat dit verblijf wederrechtelijk was. Immers, verdachte heeft [slachtoffer 1] voor zich laten werken in zijn koffiehuis en gezegd dat hij voor medicijnen voor haar zoon zou zorgen , heeft voor haar de buschauffeur en de busreis geregeld vanuit Bulgarije naar Nederland en heeft deze reis voor haar betaald , heeft haar eerst ondergebracht in een kamer achter het koffiehuis en daarna in een woning aan de [adres] te Soest , terwijl hij wist dat dit verblijf van [slachtoffer 1] in Nederland wederrechtelijk was. Vaststaat dat [slachtoffer 1], afkomstig uit Bulgarije, geen vergunning had om in Nederland te werken. Door arbeid te verrichten zonder de daarvoor benodigde tewerkstellingsvergunning op grond van de Wet arbeid vreemdelingen is haar verblijfsrecht, als onderdaan van de EU-lidstaat Bulgarije gedurende de vrije termijn, komen te vervallen.

Met betrekking tot [slachtoffer 2] acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hem uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij wist dat dit verblijf wederrechtelijk was. De rechtbank wijst er hierbij op dat uit het proces-verbaal niet blijkt dat [slachtoffer 2] daadwerkelijk in Nederland heeft gewerkt. De verdachte wordt van dit onderdeel van de tenlastelegging dan ook vrijgesproken.

3.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 27 maart 2007 te Soest, althans in het arrondissement Utrecht, en Bulgarije, een Bulgaarse vrouw, genaamd [slachtoffer 1] door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie van die ander, heeft gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1],

en

met de onder lid 1, sub 1° genoemde middel(en), te weten door misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van die [slachtoffer 1], heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid

en onder de in lid 1 sub 1 genoemde omstandigheden enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid

en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1],

waarbij die misleiding en dat uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en die kwetsbare positie van die ander hieruit hebben bestaan dat die [slachtoffer 1]

- een (arme) Bulgaarse vrouw was en vanuit Bulgarije naar Nederland was gekomen onder valse voorwendselen (namelijk dat verdachte geld naar haar zieke zoon zou sturen en medicijnen voor deze zoon zou regelen ), en zonder legale verblijfstitel in Nederland verkeerde en

- niet of nauwelijks de Nederlanse taal sprak en onbekend was met de Nederlandse samenleving en

- na aankomst in Nederland, door verdachte is opgehaald en opgevangen en naar het pand (een koffiehuis aan de [adres]) te Soest van verdachte is gebracht en verbleef bij en werkzaamheden verrichtte voor verdachte en (daardoor) afhankelijk was van verdachte en

- te weinig verdiende om terugkeer naar Bulgarije en vertrek naar een andere huisvesting en arbeidsplaats mogelijk te maken en

dat verdachte het paspoort van die [slachtoffer 1] enige tijd onder zich heeft gehouden

en

dat huisvesten en dat bewegen van die [slachtoffer 1] zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid en die overige handelingen en omstandigheden als omschreven in lid 1 onder 1 en 4, en dat misbruik en die uitbuiting hieruit hebben bestaan dat verdachte

- die [slachtoffer 1] tegen lange werkdagen in het koffiehuis (van verdachte) onderdak/een slaapplaats heeft verschaft (in een pand (koffiehuis) aan de [adres] te [woonplaats] en in een woning aan de [adres] te [woonplaats], terwijl in de ruimte (een kamertje achter in het koffiehuis) in het pand aan de [adres] waar (onder andere) die [slachtoffer 1] verbleef en sliep sprake was van

* lage temperaturen (door het ontbreken van een deugdelijke verwarming) en

* een slechte wasgelegenheid (te weten douchen in het toilet met een tuinslang) en

- die [slachtoffer 1] (om te kunnen voorzien in haar eerste levensbehoeften en betaling van voornoemde onderdak/slaapplaats en in de betaling van (dure) medicijnen (voor haar zieke kind in Bulgarije) heeft bewogen om arbeid te verrichten (voor verdachte) en

- die [slachtoffer 1] voor de door haar verrichte arbeid, bestaande uit het (in het koffiehuis) schoonmaken en stofzuigen en helpen in de bediening, veel te weinig loon heeft betaald en/of

- dat verdachte meermalen seks met die [slachtoffer 1] heeft gehad, terwijl verdachte wist dat zij dit niet fijn vond en afhankelijk van hem was.

en

dat opzettelijk voordeel trekken uit vorenomschreven uitbuiting hieruit heeft bestaan dat verdachte geen, althans veel lagere loonkosten heeft gehad dan bij het tewerkstellen van legale werknemers het geval zou zijn geweest;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari 2007 tot en met 27 maart 2007 in Nederland en Bulgarije, een ander, te weten

(een Bulgaarse vrouw, genaamd) [slachtoffer 1]

uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, immers heeft hij, verdachte,

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij in Nederland in zijn, verdachtes koffiehuis kon werken en dat hij, verdachte voor medicijnen zou zorgen en

- voor die [slachtoffer 1] de (bus)chauffeur geregeld voor de (bus)reis vanuit Bulgarije naar Nederland en

- de reiskosten (ticket van [ongeveer] Euro 150,-) van die [slachtoffer 1] betaald en

- die [slachtoffer 1] ondergebracht in zijn, verdachtes koffiehuis (aan de [adres] te [woonplaats] en in een woning (aan de [adres] te [woonplaats],

terwijl verdachte wist dat dat verblijf wederrechtelijk was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De strafbaarheid

4.1. De strafbaarheid van de feiten

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: mensenhandel

Feit 2: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is.

4.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen geldboete van 5000 Euro, subsidiair 250 dagen vervangende hechtenis, een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft bij haar eis aangegeven dat zij rekening heeft gehouden met het lange tijdsverloop, meer dan 3 jaar, dat is verstreken tussen het afronden van het onderzoek en het op zitting brengen van deze zaak.

5.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat enkel naar aanleiding van CIE-informatie, zonder nader onderzoek, bevelen tot onderzoek telecommunicatie zijn afgegeven. De verdediging stelt dat zulks onvoldoende vermoeden van schuld jegens verdachte oplevert, zodat de inzet van dat opsporingsmiddel onrechtmatig is geweest. De verdediging verzoekt hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat de redelijke termijn zo ernstig is geschonden dat, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, slechts een straf dient te worden opgelegd gelijk aan de duur die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De verdediging heeft er hierbij op gewezen dat het sinds zijn aanhouding in 2007 psychisch niet goed gaat met verdachte. Ter onderbouwing hiervan heeft de verdediging een brief van Riagg Amersfoort en omstreken overgelegd, waar verdachte sinds 2007 onder behandeling is. Met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde geldboete heeft de verdediging gesteld dat verdachte veel schulden heeft en niet in staat is een geldboete te betalen. Voorts heeft de verdediging gesteld dat sprake is van eendaadse samenloop, nu het gaat om een feit dat onder meerdere strafbepalingen valt.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel het bevel tot onderzoek telecommunicatie dat door de rechter-commissaris is afgegeven, niet onrechtmatig is geweest. Uit het proces-verbaal blijkt dat dit bevel niet enkel is afgegeven op grond van de van de ontvangen CIE-informatie, maar dat ook het bedrijfprocessensysteem van de politie Utrecht is geraad-pleegd over de verdachte en over de locaties die uit de CIE-informatie naar voren kwamen en dat tevens de gemeentelijke basisadministratie en het kadaster zijn geraadpleegd. Op basis daarvan is het onderzoek gestart en zijn stapsgewijs nadere onderzoeksmethoden ingezet. Volgens de rechtbank is er dan ook geen sprake van enig verzuim en bestaat geen reden voor vermindering van de strafmaat.

De rechtbank overweegt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft [slachtoffer 1] uitgebuit door haar te bewegen zonder betaling voor hem te werken in zijn koffiehuis. Hij heeft misbruik gemaakt van de afhankelijke positie waarin zij hierdoor kwam te verkeren. Verdachte heeft door zijn handelen ernstige schade toegebracht aan de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer 1]. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel van [slachtoffer 1]. Dit valt onder de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde. Mensensmokkel doorkruist niet alleen het overheidsbeleid inzake onder meer bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en andere Schengenlanden, maar draagt ook bij tot het in stand houden van een illegaal circuit.

De rechtbank is van oordeel dat bij dermate ernstige feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats is. In het onderhavige geval ziet de rechtbank evenwel reden om van dit uitgangspunt af te wijken. Deze strafzaak heeft gedurende een periode van ruim 3 jaar, verdachte is op 27 maart 2007 aangehouden, zonder duidelijke verklaring en zonder dat verdachte hierover een verwijt kan worden gemaakt stilgelegen. De rechtbank is van het oordeel dat zulks een zodanige overschrijding van de redelijke termijn is, dat die dient te leiden tot aanzienlijke strafvermindering. De rechtbank zal slechts een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en wel voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar. Gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder genoemde overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank deze straf thans passend en geboden.

6. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14d, 57, 197a en 273 f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: mensenhandel

Feit 2: een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest en proeftijd van 2 jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.P. Gerrits-Janssens, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 oktober 2010.