Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO2076

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
16-604066-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte, die destijds 46 jaar oud was, heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van en aan ontucht met twee jonge meisjes die destijds 16 en 15 jaar oud waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604066-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats] aan de [woonadres].

Raadsman mr. A.C.J. Nettenbreijers, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een zestienjarig meisje heeft aangerand;

feit 2: ontucht heeft gepleegd met een meisje dat jonger was dan 16 jaar.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank, met uitzondering van een aantal hierna onder 4.3.2. te noemen onderdelen van de tenlastelegging, tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De feiten

Op basis van de informatie die uit het dossier en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Verdachte was in de periode van 1 december 2007 tot en met 2 november 2008 werkzaam als kok bij een [bedrijf 1] in Doorn. [aangever 1] (geboren op [1992]) en

[aangever 2] (geboren op [1992]), werkten destijds part-time in de bediening bij dit [bedrijf 1]. Bij afwezigheid van de bedrijfsleider stuurde verdachte deze meisjes aan en gaf hen werkopdrachten.

[aangever 1] heeft verklaard dat verdachte in de periode van 1 juli 2008 tot en met

1 september 2008, als zij aan het werk was, steeds vaker even bij haar kwam kijken en haar dan een knuffel gaf, vastpakte of omhelsde. Toen zij op een dag alleen aan het werk was op de zolder van het [bedrijf 1], kwam verdachte naar haar toe en begon haar opnieuw te knuffelen en te omhelzen. Ook gaf hij haar een aantal zoenen op haar mond, waarbij hij zijn handen op haar billen legde, aldus [aangever 1]. Zij wilde dat verdachte met dit gedrag stopte, maar durfde dit uit angst niet tegen hem te zeggen.

[aangever 2] heeft verklaard dat verdachte haar in de periode van 1 december 2007 tot 2 november 2008 regelmatig beetpakte en omhelsde. Hij sloeg regelmatig een arm om haar schouder heen en trok haar tegen zich aan. Soms als verdachte langs haar liep, streek hij met zijn hand langs haar zij. Net als [aangever 1] wilde ook [aangever 2] dat verdachte met dit gedrag stopte, maar ook zij durfde dit niet tegen hem te zeggen. Hij was immers groot, veel ouder en bovendien ook nog de baas, zo verklaarde zij in haar aangifte.

Verdachte heeft bekend dat hij [aangever 1] meermalen heeft geknuffeld, vastgepakt en omhelsd en haar meermalen op haar mond heeft gezoend. Hij heeft voorts bekend dat hij [aangever 2] meermalen heeft geknuffeld, vastgepakt en omhelsd, een arm om haar schouder heeft gelegd en haar vervolgens naar zich toe heeft getrokken.

4.3.2. De bewijsverweren

Verdachte heeft ontkend dat hij zijn handen op de billen van aangeefster [aangever 1] heeft gelegd. Voorts heeft verdachte ontkend met zijn hand langs de zij van aangeefster [aangever 2] te hebben gestreken als hij langs haar liep.

Door de raadsman is op deze onderdelen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde partiële vrijspraak bepleit en hij heeft daartoe de betrouwbaarheid van de verklaringen van beide aangeefsters betwist.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van voornoemde aangeefsters wel degelijk betrouwbaar zijn, nu zij beiden zeer gedetailleerd hebben verklaard. Hun verklaringen komen grotendeels overeen en worden bovendien ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3],

[getuige 4] en [getuige 5]. Deze getuigen, allen jonge vrouwen die net als aangeefsters werkzaam zijn of waren bij het betreffende [bedrijf 1], verklaarden dat verdachte ook bij hen soortgelijke handelingen heeft verricht.

Tot slot worden de verklaringen van beide aangeefsters ondersteund door de verklaring van verdachte zelf.

De rechtbank acht dan ook de door de raadsman betwiste onderdelen van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen.

Met de raadsman is de rechtbank ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde van oordeel dat er geen sprake is geweest van geweld dan wel bedreiging met geweld door verdachte.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat hetgeen onder 1 en 2

is tenlastegelegd wettig en overtuigend is bewezen, zoals hierna bij de bewezenverklaring zal worden uitgeschreven.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

in de periode van 1 juli 2008 tot en met 1 september 2008 te Doorn, door andere feitelijkheden [aangever 1] (geboren op [1992]) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, meermalen

- die [aangever 1] geknuffeld en vastgepakt en omhelsd en

- die [aangever 1] op haar mond gezoend en

- zijn handen op de billen van die [aangever 1] gelegd

bestaande die andere feitelijkheid hierin dat hij, verdachte, misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en het uit verdachtes leeftijd voortvloeiende fysieke en geestelijke overwicht.

2.

in de periode van 1 december 2007 tot en met 2 november 2008 te Doorn, met [aangever 2] (geboren op [1992]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig meermalen:

- knuffelen en vastpakken en omhelzen van die [aangever 2] en

- een arm om de schouder van die [aangever 2] slaan/leggen en vervolgens die [aangever 2] naar zich toe trekken en

- met zijn hand langs de zij van die [aangever 2] strijken wanneer hij langs die [aangever 2] liep.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen

plegen, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft persoonlijke omstandigheden van verdachte naar voren gebracht en de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte, die destijds 46 jaar oud was, heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van en aan ontucht met twee jonge meisjes die destijds 16 en 15 jaar oud waren. Verdachte fungeerde als een leidinggevende voor deze meisjes en de betreffende incidenten vonden plaats als zij aan het werk waren. Hierdoor, maar zeker ook gezien het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en zijn slachtoffers, verkeerden de meisjes in een kwetsbare en afhankelijke positie. Zij durfden verdachte niet aan te spreken op zijn gedrag. Verdachte heeft door te handelen als is bewezenverklaard, de lichamelijke integriteit van deze meisjes geschonden. Zij ondervinden van het handelen van verdachte nog steeds schadelijke gevolgen. [aangever 1] heeft in haar schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen de nadelige gevolgen van het handelen van verdachte uiteengezet. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij zich geen rekenschap heeft gegeven van de mogelijkheid van deze gevolgen voor de slachtoffers.

De rechtbank neemt wat betreft de ernst van de feiten verder in aanmerking dat de handelingen gedurende een langere periode door verdachte zijn gepleegd en dat er meer slachtoffers zijn, maar dat die geen aangifte hebben gedaan.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte gelet op een de verdachte betreffend rapport van Reclassering Nederland, Adviesunit Utrecht d.d. 29 september 2010, opgemaakt door N. Faber. Uit deze rapportage volgt dat verdachte gedurende de afgelopen anderhalf jaar een vrijwillige behandeling bij De Waag heeft gevolgd. Deze behandeling bevindt zich nu in de afrondende fase. Voornoemde rapporteur schat het risico op recidive daarom laag in en acht toezicht op de behandeling als bijzondere voorwaarde niet geïndiceerd. De rechtbank houdt rekening met dit advies en met het feit dat verdachte vrijwillig met een behandeling van zijn problematiek is begonnen, die hij inmiddels bijna heeft afgerond.

De rechtbank heeft voorts gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de persoon van verdachte komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.

De rechtbank zal verdachte dan ook conform deze eis een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden opleggen, met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf op om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst dezelfde strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft immers ter zitting aangegeven nog steeds met (jonge) vrouwen samen te werken. Verdachte moet zich er sterk van bewust zijn dat hij zich in de toekomst van strafbaar handelen als thans bewezenverklaard absoluut heeft te onthouden.

De rechtbank legt naast deze voorwaardelijke gevangenisstraf een werkstraf op voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een vergoeding van € 781,34 voor feit 1, waarvan € 31,34 aan materiële schade en € 750,00 aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 481,34 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezenverklaarde feit (waarvan € 31,34 terzake van materiële schade en

€ 450,00 terzake van immateriële schade) en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat deze niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van deze benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 246 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd;

feit 2: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 100 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 481,34, waarvan € 31,34 ter zake van materiële schade en € 450,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 481,34 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 9 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. J.M. Bruins en

mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op

27 oktober 2010.