Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1935

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
254861 / HA ZA 08-1884
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers zijn in de hoofdzaak veroordeeld tot vergoeding van schade vanwege een door hun zoon gepleegde onrechtmatige daad (duwen en slaan van een schoolgenoot die als gevolg daarvan door een ruit is gevallen).

Eisers vorderen dat de Stichting in vrijwaring wordt veroordeeld tot vergoeding van deze schade. Zij leggen aan hun vordering ten grondslag dat de Stichting haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden. Voorts stellen zij dat de ruit een gebrekkige opstal is.

De vordering wordt afgewezen. De zorgplicht van een school impliceert niet dat steeds op elk kind direct toezicht kan worden gehouden, zodanig dat elke onrechtmatigheid direct wordt opgemerkt en direct kan worden ingegrepen. De Stichting is niet aansprakelijk om de enkele reden dat de vechtpartij op school heeft plaatsgevonden.

Gelet op de leerlingenpopulatie was de kans dat conflicten tussen leerlingen tot fysiek geweld zouden leiden, niet ondenkbaar. De school heeft evenwel in zijn algemeenheid voldoende oog gehad voor een veilig schoolklimaat door schoolregels te stellen en een surveillance- en sanctiebeleid te hanteren.

De stelling dat een docente ongerechtvaardigd stil heeft gezeten en daarmee inadequaat heeft gehandeld tijdens het conflict, wordt verworpen.

De stelling dat sprake is van een gebrekkige opstal, wordt eveneens verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 254861 / HA ZA 08-1884

Vonnis in vrijwaring van 27 oktober 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van zijn zoon [zoon],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2]

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger (ouder) van haar zoon [zoon],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat: voorheen mr. R. van Veen, nu mr. M.L. van Opijnen te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING OPENBAAR VOORTGEZET ONDERWIJS UTRECHT,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat: mr. E.H. de Jonge-Wiemans te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eisers] en de Stichting genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 april 2010;

- de akte van [eisers];

- de antwoordakte van de Stichting.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Voor de relevante feiten verwijst de rechtbank naar r.o. 4.1-4.6 van haar tussenvonnis van 4 november 2009 en naar r.o. 4.2-4.12 van haar tussenvonnis van 21 april 2010.

2.2. In haar vonnis van 21 april 2010 heeft de rechtbank in de hoofdzaak tussen [A] c.s. en [eisers] overwogen dat de zoon van [eisers], [zoon], een onrechtmatige daad jegens [zoon van A], de zoon van [A] c.s., heeft gepleegd. Zij heeft onder meer geoordeeld dat [eisers] gehouden is een bedrag van EUR 17.500,- (te vermeerderen met wettelijke rente) aan [A] c.s. te betalen. Voorts heeft zij voor recht verklaard dat [eisers] de schade in de vorm van verlies aan verdienvermogen en schade vanwege vermindering van zelfwerkzaamheid dient te vergoeden, welke schade opgemaakt moet worden bij staat en vereffend volgens de wet.

2.3. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de gevolgen die het vonnis in de hoofdzaak heeft voor hun rechtspositie in de vrijwaringszaak.

2.4. In zijn akte herhaalt [eisers] het standpunt dat de Stichting haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden. Gelet op hetgeen hij in zijn dagvaarding heeft gesteld, legt [eisers] aan zijn vordering – samengevat – het volgende ten grondslag. Uit het feit dat de voormalige Dr. Vliegenthartschool een in de Utrechtse probleemwijk Kanaleneiland gevestigde praktijkleerschool is voor leerlingen met een leerachterstand die een IQ hebben tussen 55 en 80, volgt dat de Stichting verplicht was er alles aan te doen gebeurtenissen als de onderhavige te voorkomen, aldus [eisers] Tijdens de comparitie heeft [eisers] toegelicht dat zijn belangrijkste verwijt jegens de school eruit bestaat dat docente [B] direct had moeten handelen. Volgens hem heeft zij dit niet gedaan, omdat uit haar verklaring bij de politie blijkt dat zij eerst rustig haar koffie heeft weggezet.

Verder stelt [eisers] dat de school op grond van haar zorgplicht maatregelen dient te treffen ter zake van de veiligheid van haar leerlingen. Deze verplichting heeft de school geschonden, omdat zij de ruit waardoor [zoon van A] is gevallen, welke ruit zeer groot was en voorzien was van onbeveiligd glas, heeft gehandhaafd op een drukke plaats. Dit geldt volgens [eisers] temeer omdat het glas in grote stukken brak.

Voorts stelt hij dat sprake is van een gebrekkige opstal als bedoeld in artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Kennelijk heeft hij hiermee het oog op de ruit waar [zoon van A] tijdens de vechtpartij doorheen is gevallen.

2.5. De Stichting voert – kort samengevat – aan dat de zorgplicht van een school niet impliceert dat steeds op elk kind direct toezicht wordt gehouden, zodanig, dat elke onrechtmatigheid direct wordt opgemerkt en direct kan worden ingegrepen.

Volgens de Stichting heeft zij haar zorgplicht niet geschonden, omdat zij een duidelijk sanctie- en surveillancebeleid heeft en handhaaft, ten tijde van het incident voldoende toezicht hield en met betrekking tot de ruit voldoende veiligheidsmaatregelen had genomen. Verder betwist de Stichting in haar antwoordakte dat sprake is van een gebrekkige opstal. Tot slot herhaalt de Stichting dat de schade op grond van de interne draagplicht tussen haar en [eisers] volledig voor rekening van laatstgenoemde moet komen.

2.6. De rechtbank stelt – in lijn met haar vonnis van 25 juni 2008, NJF 2008, 378 – voorop dat op een school volgens vaste jurisprudentie een bijzondere zorgplicht rust ten aanzien van de gezondheid en veiligheid van de leerlingen die aan haar zorg zijn toevertrouwd en onder haar toezicht staan. Deze bijzondere zorgplicht houdt in dat een school alle inspanningen moet verrichten die redelijkerwijze van haar kunnen worden gevergd om een veilig schoolklimaat te bieden. Van een resultaatsverplichting is geen sprake.

2.7. Dit betekent dat een school voor de schade, (primair) veroorzaakt door een vechtpartij tussen leerlingen, niet reeds aansprakelijk kan worden geacht op basis van het enkele feit dát deze vechtpartij heeft plaatsgevonden, maar dat een school pas een verwijt kan worden gemaakt als zij tekort is geschoten in het nemen van maatregelen die redelijkerwijze van haar kunnen worden verwacht ter voorkoming en bestrijding van vechtpartijen. Daarbij is het, gelet op het bepaalde in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, aan de ouders om die feiten en omstandigheden te stellen – en zonodig te bewijzen – die de conclusie rechtvaardigen dat de school zich onvoldoende inspanningen heeft getroost.

2.8. Voor zover [eisers] betoogt dat het enkele feit dat op 12 februari 2007 een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen [zoon] en [zoon van A] meebrengt dat de Stichting, gelet op de ligging van de school en de leerlingenpopulatie, haar zorgplicht heeft geschonden, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, is zij met de Stichting van oordeel dat de zorgplicht niet impliceert dat steeds op elke leerling rechtstreeks toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onregelmatigheid gelijk wordt opgemerkt en gelijk kan worden ingegrepen.

2.9. De rechtbank is evenwel, anders dan de Stichting, van oordeel dat de kans dat conflicten tussen leerlingen van de voormalige Dr. Vliegenthartschool tot fysiek geweld leiden, niet ondenkbaar is, gelet op het feit dat sprake is van leerlingen met een leerachterstand en een IQ dat ondergemiddeld is. De Stichting heeft erop gewezen dat zij schoolregels heeft opgesteld die gelden voor leerlingen en docenten. Tevens geldt een uitgebreid surveillancebeleid en hanteert zij een duidelijk sanctiebeleid. De school ziet ook toe op de naleving van het veiligheidsbeleid. Verder stelt de Stichting dat er niet eerder op school een dergelijk incident zich heeft voorgedaan. Kennelijk bedoelt zij hiermee te zeggen dat zij haar organisatie zodanig heeft ingericht dat zij heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht. Ter onderbouwing verwijst de Stichting naar de destijds geldende schoolregels van augustus 2006, een schriftelijke verklaring van haar directeur [C] van 22 oktober 2008 en naar het destijds geldende sanctiebeleid van augustus 2006.

In de schoolregels is onder meer bepaald:

“Regels voor leerlingen:

(…)

3. We laten anderen met rust, we zijn aardig tegen elkaar.

(…)

7. We gaan tijdens de leswisseling rustig rechtstreeks naar de volgende les.

(…)

Regels voor medewerkers:

1. Na de les meelopen met de leerlingen.

(…)

4. Op tijd zijn bij lokaal/surveillanceplaats/ontsluiting gebouwen.

(…)”

In zijn verklaring schrijft [C] onder meer:

“In dat schooljaar was het veiligheidsbeleid als volgt georganiseerd rondom het toezicht op de leerlingen.

1. De schoolregels voor de leerlingen en medewerkers waren vastgelegd (…).

2. De schoolregels waren een vast terugkerend thema op de dagelijkse briefing van het personeel. (…)

3. Voor het personeel was een surveillancerooster voor de schoolstart, de pauzes en het eind van de schooldag. In de pauzes waren structureel 4 personeelsleden ingeroosterd.

4. Tijdens de pauzes waren de 2 schoolgebouwen afgesloten. De leerlingen waren op het plein, in de kantine of buiten het plein.

5. Na de pauze werden de deuren naar de 2 schoolgebouwen ontsloten door het personeel, waarbij 2 leerkrachten bij de deur de instroom controleerden. De overige leerkrachten stonden reeds bij de deur van hun lokaal.”

Het sanctiebeleid hield onder meer het volgende in:

“A. Schorsingen

Vechtpartijen (slaan, stompen, schoppen) en stelen leiden tot schorsing en uitnodigen van ouders op school voor een gesprek.

(…)”

2.10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Stichting in zijn algemeenheid voldoende oog heeft gehad voor een veilig schoolklimaat. Hierbij benadrukt de rechtbank dat geen sprake is van een resultaatsverplichting van de Stichting (zie r.o. ?2.6), zodat het enkele feit dat een vechtpartij tussen [zoon] en [zoon van A] heeft plaatsgevonden, niet zonder meer de conclusie rechtvaardigt dat de Stichting zich niet aan haar zorgplicht heeft gehouden.

2.11. Van een schending van de zorgplicht zou wel sprake kunnen zijn als de Stichting tijdens de vechtpartij ongerechtvaardigd stil heeft gezeten of onvoldoende maatregelen heeft getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, op dat moment redelijkerwijs van haar verwacht mochten worden. In dit licht moet de stelling van [eisers] beoordeeld worden dat [B] niet adequaat heeft gehandeld door eerst haar koffie weg te zetten, voordat zij ingreep (zie r.o. ?2.4). Kennelijk bedoelt hij hiermee te zeggen dat zij niet adequaat heeft gereageerd.

De Stichting voert aan dat [B] direct actie heeft ondernomen, maar dat het incident in een dergelijk kort tijdsbestek plaatsvond dat zij geen gelegenheid had om tussen [zoon van A] en [zoon] te komen. Tijdens de comparitie heeft de Stichting ook aangevoerd dat leerkrachten geen fysieke training krijgen (bedoeld wordt een weerbaarheidstraining) en dat een dergelijke training het incident evenmin had kunnen voorkomen.

2.12. Op 14 februari 2007 heeft [B] bij de politie onder meer verklaard (schrijffouten hersteld door de rechtbank):

“Ik zag plotseling in de hal van de school dat [zoon van A] en een jongen genaamd [zoon] een ruw handgemeen hadden.

Ik zag dat [zoon van A] en [zoon] elkaar vast hadden bij elkaars bovenlichaam. Ik zag dat zij met elkaar vochten en elkaar niet los lieten. (…)

Ik zag dat [zoon van A] met zijn rug tegen de ruit van het raam in de hal aan stond. Ik zag dat [zoon] en [zoon van A] elkaar beet hielden en ik zag dat de ruit door dit geweld heen en weer ging. Ik hoorde ook gebonk op de ruit. (…)

Ik deed enkele passen naar voren en zette mijn koffie neer waardoor ik met mijn rug naar de jongens toe stond en het even niet meer kon zien.

Ik hoorde toen even geen gebonk meer.

Ik draaide mij om en zag dat [zoon van A] met zijn rug tegen de ruit stond. Ik zag dat [zoon] en [zoon van A] elkaar nog beet hadden. Ik zag dat [zoon] een duwende beweging maakt in de richting van [zoon van A]: Ik zag dat de ruit brak en [zoon] en [zoon van A] door de ruit vielen. Ik zag [zoon van A] op zijn rug belandde. (…)”

2.13. Enerzijds is de rechtbank van oordeel dat uit [B]s verklaring bij de politie niet kan worden afgeleid dat zij niet adequaat heeft gereageerd, omdat daaruit niet blijkt hoeveel tijd verstreken was tussen het moment waarop zij de vechtpartij constateerde en het moment waarop zij besloot in te grijpen. Uit [B]s verklaring bij de rechter-commissaris valt evenwel af te leiden dat dit tijdsbestek kort was. Daar heeft zij immers verklaard:

“[zoon] had de pet van [zoon van A] in zijn handen. (…) Hij ([zoon van A], toevoeging rechtbank) heeft geschreeuwd dat hij zijn pet terug wilde, maar sloeg niet. Hij kreeg niet gelijk zijn pet terug. (…) Ik zette mijn koffie weg en toen ik mij omdraaide vlogen zij door het raam. Zo snel ging het. Het was seconden werk. (…)”

Aangenomen moet worden dat [B] de vechtpartij en de gevolgen ervan niet had kunnen verhinderen als zij niet had besloten haar kopje koffie weg te zetten.

2.14. Anderzijds brengt het enkele feit dat [B] besloot eerst haar koffie weg te zetten voordat zij tussenbeide wilde komen, niet zonder meer mee dat zij inadequaat heeft gehandeld, omdat het niet goed mogelijk is twee vechtende jongens (van wie één groot en zwaar gebouwd is, zoals de rechtbank uit eigen waarneming heeft vastgesteld; vgl. r.o. 6.9 van het tussenvonnis van 21 april 2010) van elkaar te scheiden met een kop koffie in de hand. Dit geldt temeer nu [B] geen fysieke training krijgt, zoals door de Stichting onweersproken is aangevoerd.

2.15. Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank de stelling van [eisers] dat [B] niet adequaat heeft gehandeld, zodat deze niet kan dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat de Stichting haar zorgplicht heeft verzaakt.

2.16. Voorts stelt [eisers] dat de Stichting in strijd met de op haar rustende zorgplicht heeft gehandeld door een ruit van onbeveiligd enkel glas in de hal te handhaven waar leerlingen in groten getale langs komen. Deze ruit breekt volgens [eisers] in grote stukken.

2.17. De Stichting betwist dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft genomen door de ruit in de hal te handhaven. Zij voert daartoe aan dat er enerzijds geen wettelijk verbod bestaat op het handhaven van een ruit van enkel glas en er anderzijds geen wettelijke verplichting is voor een school om veiligheidsglas te gebruiken. Verder betwist zij dat de ruit gevaarlijk breekt en zeer groot was, zoals [eisers] stelt. Volgens de Stichting bedroegen de afmetingen van de ruit 145 x 157 cm. Deze ruit bevond zich op een hoogte van ongeveer 50 cm in de hal van drie meter breed. Onder de ruit zat een houten wand en voor de ruit was een grote plant geplaatst, aldus de Stichting, waarbij zij verwijst naar in het geding gebrachte foto’s. Uit hetgeen namens de Stichting ter zitting is opgemerkt, leidt de rechtbank af dat zij stelt dat de ruit zich niet in de directe looprichting van de leerlingen bevond en door de plant voldoende was afgeschermd.

Onder deze omstandigheden – en mede gelet op het feit dat er nooit eerder iemand door de ruit was gevallen – hoefde zij er niet op bedacht te zijn dat zich een ongeval als het onderhavige zou voordoen, aldus nog steeds de Stichting. Het feit dat de ruit brak is volgens haar uitsluitend te wijten aan niet voorzienbare en ongebruikelijke drukuitoefening door [zoon] en [zoon van A].

2.18. De rechtbank is van oordeel dat de Stichting haar zorgplicht niet heeft geschonden door de onderhavige ruit in de hal te handhaven. Bij dit oordeel betrekt zij in het bijzonder de omstandigheid dat de ruit in voldoende mate zichtbaar was en de aanwezigheid ervan bij de leerlingen als bekend moet worden verondersteld, zich niet bevond in de directe looprichting van de leerlingen van en naar de klaslokalen en tevens – zoals uit de foto’s blijkt – werd afgeschermd door een grote plant. Hierbij betrekt zij ook de omstandigheid dat in de schoolregels is bepaald dat leerlingen gehouden zijn tijdens de leswisseling rustig naar de volgende les te gaan en dat de naleving hiervan, zoals de Stichting onweersproken heeft aangevoerd, door de school werd gecontroleerd en alsmede het – evenmin door [eisers] betwiste – standpunt dat zich niet eerder een ongeval als het onderhavige heeft voorgedaan. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat de Stichting de ruit op een gevaarlijke plaats heeft gehandhaafd. De zorgplicht van de Stichting reikt naar het oordeel van de rechtbank niet zover dat zij er rekening mee behoort te houden dat [zoon van A] als gevolg van een duw van [zoon] door de onderhavige ruit zou vallen.

2.19. [eisers] stelt in zijn akte ook dat sprake is van een gebrekkige opstal. Voor aansprakelijkheid ingevolge artikel 6:174 BW is vereist dat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, de opstal daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert en dit gevaar zich heeft verwezenlijkt. Van belang is hierbij dat voornoemd artikel ziet op alle eisen die men, juist vanuit een oogpunt van veiligheid in de gegeven omstandigheden, gezien de aard van het gebruik dat van de opstal wordt gemaakt, mag stellen.

2.20. De rechtbank stelt vast dat [eisers] zijn stelling niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. Voor zover hij het oog heeft op de omstandigheden die hij in zijn dagvaarding heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat de Stichting haar zorgplicht heeft geschonden (zie r.o. ?2.16), is de rechtbank van oordeel dat hij – gelet op het uitvoerige verweer van de Stichting op dit punt in haar antwoordakte en op hetgeen hiervoor onder r.o. ?2.18 reeds is overwogen – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een gebrekkige opstal als bedoeld in voornoemd artikel.

2.21. Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van [eisers] worden afgewezen. De overige verweren van de Stichting behoeven geen bespreking.

2.22. [eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting worden begroot op:

- vast recht EUR 545,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punt × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.675,00.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af,

3.2. veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op EUR 1.675,00,

3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2010.?