Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1694

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
291552 / HA RK 10-315
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure. Voorliggend geschil is als deelgeschil zoals bedoeld in artikel 1019w Rv aan te merken. Verzoek wordt toegewezen. De kosten van de procedure worden begroot op de voet van artikel 6:96 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/11
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rekestnummer: 291552 / HA RK 10-315

Beschikking van 13 oktober 2010

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. W.A. van Veen te Utrecht,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster,

advocaat mr. H.A. Kragt te Arnhem.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift,

- het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) tegenverzoek,

- de mondelinge behandeling en de ter gelegenheid daarvan overgelegde stukken.

1.2. Ten slotte is de uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op 20 juli 2005 is [verzoeker] betrokken geweest bij een aanrijding. Terwijl hij gezeten in zijn personenauto stilstond voor een links afslaande voorganger, is zijn personenauto met een snelheid van circa 50 à 60 km per uur door een andere personenauto van achteren aangereden. Veroorzaker van het ongeval was een verzekerde van Allianz. Allianz heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2. Ten tijde van het ongeval was [verzoeker] tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd bij Aegon Schadeverzekering N.V. Binnen het kader van deze verzekering heeft de neuroloog dr. P.L.I. Dellemijn (hierna: Dellemijn) bij [verzoeker] een medisch onderzoek verricht. Dellemijn heeft op 5 juli 2007 een rapportage uitgebracht. In zijn rapportage heeft hij onder meer vermeld dat hij geen beperkingen bij [verzoeker] kan vaststellen.

2.3. In oktober 2008 zijn [verzoeker] en Allianz met elkaar in overleg getreden over een te verrichten medische expertise om de restklachten van [verzoeker] als gevolg van het ongeval vast te stellen. Op 6 juli 2009 zijn partijen overeengekomen een expertise te laten verrichten door

prof. dr. E.A.M. Beuls (hierna: Beuls), verbonden aan het academisch ziekenhuis Maastricht. Partijen zijn toen eveneens overeengekomen dat het rapport van Dellemijn niet als onderdeel van het medisch dossier aan Beuls zou worden gestuurd.

2.4. In november 2009 heeft Beuls een conceptrapportage uitgebracht. Nadat de medisch adviseurs van partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op het conceptrapport te reageren, heeft Beuls op 13 januari 2010 zijn definitieve rapport uitgebracht. Beuls heeft in zijn rapportage onder meer de diagnose postwhiplash syndroom WAD II-(III) gesteld.

2.5. Tussen (de medisch adviseurs van) partijen is in geschil of het rapport van Beuls als uitgangspunt kan dienen voor de verdere schadeafwikkeling tussen partijen. De medisch adviseur van [verzoeker] gaat uit van een WAD II tot III en schat het percentage functieverlies op 15-18. De medisch adviseur van Allianz stelt zich op het standpunt dat hooguit gesproken kan worden van een WAD II, waarbij geen blijvende invaliditeit en beperkingen passen.

3. Het verzoek en het verweer

3.1. [verzoeker] verzoekt de rechtbank te bepalen dat de rapportage van Beuls van 13 januari 2010 en de daarin opgenomen conclusies dienen als bindend uitgangspunt voor de verdere schaderegeling tussen [verzoeker] en Allianz, met veroordeling van Allianz in de kosten van deze procedure. Verder heeft [verzoeker] verzocht de kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te begroten op 12 uur tegen een uurtarief van € 376,85 exclusief 6 % kantoorkosten en exclusief BTW.

3.2. [verzoeker] voert daartoe aan dat het rapport in gezamenlijk overleg tot stand is gekomen, er overeenstemming is bereikt over de vraagstelling en beide medisch adviseurs in de gelegenheid zijn gesteld op de conceptrapportage te reageren. Voorts wijst [verzoeker] erop dat Allianz de Gedragscode Behandeling Letselschade heeft onderschreven en dat Beginsel 12 van deze gedragscode beschrijft dat partijen dienen te komen tot inschakeling van één gezamenlijke expert. Op basis van de rapportage van Beuls dient (vervolg)onderzoek te worden gedaan naar (de mate van) zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandig ondernemer, aldus [verzoeker].

3.3. Allianz concludeert tot afwijzing van het verzoek. Zij voert primair aan dat het geen verzoek betreft in de zin van artikel 1019w Rv en subsidiair dat de inhoud van het rapport van Beuls niet als bindend tussen partijen kan worden verklaard. Meer subsidiair verzoekt zij de neuroloog dr. Verhagen als deskundige te benoemen die het volledig medische dossier, inclusief de rapportages van Beuls en Dellemijn dient te beoordelen aan de hand van de IWMD-vraagstelling. Voor zover nodig verzoekt zij haar meer subsidiaire verweer als tegenverzoek te beschouwen. Voorts verzoekt Allianz te bepalen dat het door [verzoeker] genoemde uurtarief ter zake van de kosten van deze procedure heeft te gelden als een onredelijk uurtarief.

3.4. Op de stellingen van partijen zal, voor zover voor de beoordeling van belang, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [verzoeker] heeft zijn verzoek gebaseerd op de artikelen 1019w–1019cc Rv (de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade zoals in werking getreden met ingang van 1 juli 2010, hierna: de Wet deelgeschilprocedure).

4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 1019w lid 1 Rv is een deelgeschil een geschil tussen partijen waarbij een persoon een ander aansprakelijk houdt voor de schade die hij lijdt door dood of letsel, omtrent of in verband met een deel van hetgeen tussen hen rechtens geldt en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Artikel 1019z Rv bepaalt dat het verzoek wordt afgewezen indien de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat daarbij geldt dat de investering in tijd, geld en moeite moet worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 18).

4.3. Allianz stelt zich primair op het standpunt dat het verzoek geen deelgeschil betreft. Zij heeft aangevoerd dat over vrijwel alle aspecten die ertoe doen in deze zaak (medisch, arbeidsdeskundig en bedrijfseconomisch) onduidelijkheid bestaat. Het uitlichten van één aspect (het medische) is onvoldoende om te komen tot een afwikkeling van deze zaak. De kosten en moeite van deze deelgeschilprocedure zijn omvangrijk en het vooruitzicht op een minnelijke regeling is gering te noemen, aldus Allianz.

4.4. [verzoeker] stelt dat zijn verzoek per definitie een deelgeschil is. Het gaat erom dat de beslissing een oplossing van het geschil dichterbij brengt en dat is hier naar zijn mening het geval.

4.5. De Wet deelgeschilprocedure maakt mogelijk dat in een eerder stadium en op eenvoudige wijze een rechterlijke uitspraak wordt verkregen, waardoor ontsporing van zaken kan worden voorkomen. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2007-2008, 31518, nr. 3) worden voorbeelden van mogelijke deelgeschillen genoemd. In de toelichting bij artikel 1019w Rv (p. 15-16) is het volgende vermeld:

‘In de deelgeschilprocedure kunnen geschillen aan de orde komen omtrent of in verband met een deel van hetgeen terzake van de schade door dood of letsel tussen partijen rechtens geldt. De beslissing daarover dient ingevolge artikel 1019z Rv bij te kunnen dragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering zoals die zou luiden indien de zaak ten principale aanhangig zou zijn gemaakt. De zinsnede «omtrent of in verband met een deel van hetgeen terzake tussen hen rechtens geldt» drukt uit dat in de voorgestelde procedure zowel een geschil aan de orde kan worden gesteld dat gaat over hetgeen materieel tussen partijen geldt, als een meer procedureel geschil betreffende het te doorlopen schaderegelingstraject. Een deelgeschil kan derhalve zowel materieel (inhoudelijk) als procedureel van aard zijn.

Ter verduidelijking volgt hierna een aantal voorbeelden. Een deelgeschil kan de vraag betreffen of voorwaarden mogen worden gesteld aan de toekenning van een voorschot door de verzekeraar, bijvoorbeeld of de verzekeraar mag eisen dat de benadeelde meewerkt aan een onderzoek door een door de verzekeraar gewenste deskundige alvorens tot uitkering van het voorschot over te gaan. Verder kan er de vraag aan de orde komen of de verzekeraar in een concreet geval mag weigeren de advocaatkosten van de benadeelde tussentijds te betalen. Voorts kan aan de orde komen de vraag of naast de reeds door partijen in onderling overleg geraadpleegde deskundigen nog andere deskundigen door hen geraadpleegd dienen te worden. Mogelijk is ook dat verschil van mening bestaat over de vraag of er na de geraadpleegde medisch specialist door partijen nog een verzekeringsarts dient te worden ingeschakeld om een beperkingenformulier in te vullen of dat de medisch adviseurs van partijen dat zelf mogen doen aan de hand van het rapport van de specialist. Betwist kan ook de reikwijdte zijn van de verplichting van de benadeelde om mee te werken aan het verstrekken van medische gegevens door zijn huisarts of (andere) behandelaars. Deelgeschillen kunnen ook betrekking hebben op de (wijze van) vaststelling tot welke leeftijd iemand zou hebben gewerkt of hoeveel uren huishoudelijke hulp zijn vereist. Verschil van mening kan ook bestaan over welke rekenrente moet worden gehanteerd en wat de ingangsdatum van de wettelijke rente moet zijn. Een deelgeschil kan verder de vraag betreffen in hoeverre de benadeelde eigen schuld heeft, dan wel zich onvoldoende heeft ingespannen om zijn schade te beperken. Voorts valt te denken aan causaliteits- en relativiteitsvragen.’

Voorts is in de memorie van toelichting het volgende vermeld (p. 10):

‘De aansprakelijkheidsvraag kan wel degelijk in een deelgeschilprocedure aan de orde komen. Net als bij andere deelgeschillen zal de rechter zich ook dan moeten afvragen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Deelgeschillen waarvan derhalve te verwachten is dat de beantwoording daarvan kostbaar is en veel tijd in beslag zullen nemen, bijvoorbeeld omdat uitvoerige bewijsvoering en deskundigenberichten nodig zullen zijn, zullen zich minder snel lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Hiervan zal vanzelfsprekend eerder sprake zijn naarmate er meer deelgeschillen aan de rechter worden voorgelegd. Dat in een concreet geval de onderhandelingen niet eindigen in een vaststellingsovereenkomst, staat niet aan een ontvankelijkheid in de voorgestelde procedure in de weg. Van belang is immers of de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.’

4.6. Het geschil dat is voorgelegd betreft de vraag of het rapport van Beuls als uitgangspunt kan dienen voor de verdere schadeafwikkeling. De beslechting van dit geschil, aan het begin van het traject van de schadevaststelling, kan naar het oordeel van de rechtbank bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Het stelt partijen in elk geval in staat een (efficiënte) vervolgstap te zetten, mogelijk in de richting van een vaststellingsovereenkomst. Of de beslissing direct tot een vaststellingsovereenkomst leidt, is niet doorslaggevend. Voldoende is dat de beslissing een bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en dat is hier het geval. Dat, zoals Allianz stelt, er niet alleen op medisch- , maar ook op arbeidsdeskundig- en bedrijfseconomisch vlak onduidelijkheid bestaat, staat aan het aanmerken als deelgeschil niet in de weg. Deze onduidelijkheid op meerdere vlakken is inherent aan veel letselschadeprocedures en het is blijkens de toelichting van de wetgever op de Wet deelgeschilprocedure juist de gedachte achter de wet dat eliminatie van één of meer deelgeschillen de totstandkoming van een minnelijke regeling bevordert. Naar het oordeel van de rechtbank is het voorliggende geschil dan ook als een deelgeschil zoals bedoeld in artikel 1019w Rv aan te merken. Dit betekent dat het primaire verweer van Allianz wordt verworpen.

4.7. Subsidiair voert Allianz als verweer aan dat het verzoek dient te worden afgewezen omdat het rapport van Beuls niet tot uitgangspunt voor de schadeafwikkeling kan dienen. Volgens Allianz geeft de rapportage van Beuls geen goed en duidelijk beeld over de concrete klachten, laat staan over de beperkingen van [verzoeker] als gevolg van het ongeval. Het rapport van Beuls kan niet als vertrekpunt gelden voor het maken een beperkingenprofiel door een verzekeringsarts. Allianz stelt voorts dat het verder werken met het rapport van Beuls tot gevolg heeft dat er onduidelijkheden blijven bestaan omdat de in haar ogen onvoldoende concrete antwoorden met betrekking tot de klachten en beperkingen zullen doorwerken in de opeenvolgende onderzoeken van de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige, hetgeen wederom onduidelijkheid zal opleveren.

4.8. De rechtbank stelt voorop dat partijen het indertijd eens zijn geworden over de inschakeling van Beuls als deskundige, de aan hem te stellen vragen en de aan hem toegezonden informatie. In het geval partijen in het kader van onderzoek naar de schadeafwikkeling in verband met de aansprakelijkheid van één van hen overeenkomen om gezamenlijk een medisch deskundige aan te zoeken die gezamenlijk geformuleerde vragen dient te beantwoorden, verbinden zij zich daarmee om de rapportage van de ingeschakelde deskundige in beginsel als uitgangspunt voor hun verdere stellingname te nemen.

4.9. Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien, zoals Allianz stelt, zou komen vast te staan dat het rapport van Beuls ontoereikend is om als uitgangspunt voor de verdere schadeafwikkeling te kunnen dienen en/of het rapport inhoudelijk of voor wat betreft de wijze van totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs gesteld mogen worden. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan echter geen sprake. Nu ook uit het e-mailbericht van de arbeidsdeskundige Jeurissen, dat door [verzoeker] bij de mondelinge behandeling in het geding gebracht, volgt dat het voor een arbeidsdeskundige mogelijk is om op basis van de rapportage van Beuls een arbeidsdeskundige rapportage te maken en Allianz dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft weersproken, gaat de rechtbank er vanuit dat een arbeidsdeskundig onderzoek op basis van de rapportage van Beuls mogelijk is. Ook zijn de rechtbank geen, althans onvoldoende, aanknopingspunten aangereikt die tot de conclusie kunnen leiden dat het rapport van Beuls niet als uitgangspunt kan dienen voor het maken van een beperkingenprofiel, en aldus niet als basis voor de verdere schadeafwikkeling zou kunnen dienen. De stelling van Allianz dat de in haar visie bestaande onduidelijkheden in het rapport zullen doorwerken in de opvolgende onderzoeken, maakt evenmin dat het rapport van Beuls niet bruikbaar is. Daarbij is van belang dat Allianz in de gelegenheid is gesteld om in reactie op het conceptrapport van Beuls vragen te stellen en opmerkingen te maken, maar dat heeft zij nagelaten. Mede tegen die achtergrond wordt dit thans door Allianz gemaakte bezwaar tegen het rapport van Beuls gepasseerd. Dit betekent dat ook het subsidiaire verweer wordt verworpen nu overigens niet is gesteld of gebleken dat het rapport van Beuls voor wat betreft de inhoud of de wijze van totstandkomen daarvan niet voldoet aan de daaraan redelijkerwijs te stellen eisen.

4.10. Met betrekking tot het meer subsidiaire, tevens (voorwaardelijk) tegenverzoek ex artikel 282 lid 4 Rv heeft Allianz verzocht te bepalen dat een nieuw neurologisch onderzoek, althans tenminste een dossieronderzoek, dient plaatst te vinden door de neuroloog dr. Verhagen. Dr. Verhagen zou in dat geval het volledig medisch dossier, de rapportage van Beuls en de rapportages van Dellemijn kunnen bestuderen en partijen kunnen voorzien van het antwoord op de vraag welke medische uitgangspunten in deze zaak hebben te gelden.

4.11. De rechtbank ziet, zoals reeds voortvloeit uit het overwogene onder 4.9 van deze beschikking, op dit moment geen aanleiding voor een nieuw medisch onderzoek op neurologisch gebied. Doorslaggevend is dat beide partijen invloed hebben kunnen uitoefenen op de persoon van de deskundige, de aan hem verstrekte informatie, de gestelde vragen en op eventuele onduidelijkheden in de rapportage. Het tegenverzoek van Allianz zal dan ook worden afgewezen.

4.12. De slotsom is dat het verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat de rapportage van Beuls van 13 januari 2010 als bindend uitgangspunt dient te gelden voor de verdere schaderegeling, zal worden toegewezen.

4.13. [verzoeker] vordert, met verwijzing naar een advies van de Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade (ASP), als vergoeding voor de ten behoeve van deze procedure gemaakte kosten een bedrag van € 376,85 per uur, exlusief 6 % kantoorkosten en exclusief BTW. Ter zitting heeft de raadsman van [verzoeker] medegedeeld dat aan de zaak ongeveer 12 uur is besteed, inclusief hoorzitting en nabespreking.

4.14. Allianz stelt dat een uurtarief van € 200,00 redelijk is en dat niet duidelijk is waarom in dit geval vanwege de complexiteit een uurtarief van afgerond € 380,00 vergoed zou moeten worden. Zij stelt dat omdat in het verzoekschrift slechts een klein deel van de zaak aan de rechtbank is voorgelegd de tijdsbesteding niet omvangrijk heeft kunnen zijn. Voorts stelt Allianz aan buitengerechtelijke kosten reeds een bedrag van € 25.998,97 te hebben voldaan. De grens van het redelijke is wel bereikt, aldus Allianz.

4.15. Artikel 1019aa lid 1 Rv bepaalt dat de rechter in de beschikking de kosten begroot bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt en dat de rechter daarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking neemt. In het advies van de ASP, waar [verzoeker] naar verwijst ter onderbouwing van het voorgestelde uurtarief, is onder 4.2. opgenomen dat de ASP-advocaat namens zijn cliënt ter onderbouwing van de proceskostenvordering in deelgeschilprocedures gedetailleerd opgave doet van het door hem gehanteerde uurtarief en het gewerkte aantal uren, aan de hand van een concrete omschrijving van de verrichte werkzaamheden. Een vergelijkbare eis wordt gesteld in de LOVC Indicatietarieven in IE-zaken die als bijlage bij het door [verzoeker] in het geding gebrachte ASP-advies is gevoegd. Een dergelijke opgave van de zijde van [verzoeker] ontbreekt zodat de door de rechtbank uit te voeren redelijkheidstoetsing ex artikel 6:96 BW niet op basis van de daartoe benodigde specificatie kan worden uitgevoerd.

4.16. Verder merkt de rechtbank op dat het door de raadsman van [verzoeker] gehanteerde uurtarief mede gebaseerd is op het veronderstelde financiële belang van de zaak terwijl daarover nog geen duidelijkheid bestaat. Daarnaast is het gehanteerde uurtarief gebaseerd op de factor specialisatie. Naar het oordeel van de rechtbank betreft de onderhavige zaak niet een dermate gecompliceerd deelgeschil dat daarvoor bij de begroting van de in redelijkheid daaraan verbonden kosten uitgegaan zou moeten worden van een uurtarief waarin de factor specialisatie (volledig) wordt meegewogen.

4.17. In zijn algemeenheid gaat de rechtbank er vooralsnog van uit dat in die zaken die binnen het bereik van de Wet deelgeschilprocedure vallen eerst getoetst moet worden of er voorafgaand aan het deelgeschil dat ter beslissing wordt voorgelegd buitengerechtelijke kosten zijn betaald door een aansprakelijke partij. Als dat het geval is dan is er naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om in het kader van de begroting van de kosten zoals bedoeld in artikel 1019aa Rv af te wijken van in dat kader gevorderde en door de aansprakelijke partij geaccepteerde tariefstellingen. Door Allianz is in deze zaak gesteld dat er voorafgaand aan het deelgeschil buitengerechtelijke kosten zijn voldaan maar niet tegen welk tarief dat is gebeurd en [verzoeker] heeft zich evenmin daarover uitgelaten.

4.18. De begroting van de kosten in deze zaak zal de rechtbank dan ook niet aan de hand van de door partijen gestelde uurtarieven of de namens [verzoeker] gestelde tijdsbesteding kunnen uitvoeren. De onderhavige zaak betreft naar het oordeel van de rechtbank een voor wat betreft de omvang en complexiteit daarvan beperkt deelgeschil. De met de opstelling van het verzoekschrift, dat niet meer dan vier pagina’s beslaat, en verdere behandeling van de zaak gemoeide redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 BW zullen door de rechtbank begroot worden op € 2.000,00, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 263,00, in totaal dus € 2.263,00.

4.19. Het door Allianz aangevoerde argument dat zij reeds € 25.998,97 aan buitengerechtelijke kosten in deze zaak heeft voldaan voorafgaand aan deze procedure kan geen rol spelen bij de begroting van de kosten van dit deelgeschil. Indien en voorzover Allianz de door haar gestelde kosten heeft gemaakt dan heeft zij de desbetreffende kosten zelf kennelijk beoordeeld als redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 BW en kan aan het betaald zijn daarvan dus niet het argument ontleend worden dat de kosten van dit deelgeschil onredelijk (hoog) zouden zijn of de totale buitengerechtelijke kosten daardoor onredelijk zouden worden.

4.20. Door [verzoeker] is veroordeling van Allianz in de kosten van deze procedure gevraagd. Nu hiertegen geen verweer is gevoerd zal het hiervoor onder 4.18 begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de rapportage van Beuls van 13 januari 2010 als bindend uitgangspunt voor de verdere schaderegeling tussen [verzoeker] en Allianz heeft te gelden,

5.2. veroordeelt Allianz tot betaling aan [verzoeker] van de kosten van deze procedure welke zijn begroot op € 2.263,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.?