Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1667

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
26-10-2010
Zaaknummer
268641 / HA ZA 09-1339
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering van curator uit hoofde van koopovereenkomst toegewezen. Verjaringsverweer gepasseerd, uitleg overeenkomst, beoordeling hoofdelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 268641 / HA ZA 09-1339

Vonnis van 20 oktober 2010

in de zaak van

EDUARD HEUZEVELDT

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen:

- Pharma Bio-Research International BV, gevestigd te Assen;

- Pharma Bio-Research Laboratories BV, gevestigd te Assen;

- Pharma Bio-Research Clinics BV, gevestigd te Assen;

- Pharma Bio-Research Consultancy BV, gevestigd te Assen;

- Pharma Sciences International BV, gevestigd te Assen.

eiser,

advocaat: mr. J. Knotter,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRIMOTEUR HOLDING B.V.,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaat: mr. P.J. Soede

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PHARMA BIO-RESEARCH GROUP B.V.,

gevestigd te Zuidlaren,

gedaagde,

advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté.

Partijen zullen hierna enerzijds Heuzeveldt qq en anderzijds gezamenlijk Trimoteur c.s. en afzonderlijk Trimoteur Holding B.V. respectievelijk PBR Group genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 november 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 27 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij vonnis van de rechtbank te Assen respectievelijk Groningen zijn de besloten vennootschappen Pharma Bio-Research International B.V., Pharma Bio-Research Laboratories B.V., Pharma Bio-Research Clinics B.V., Pharma Bio-Research Consultancy B.V. en Pharma Sciences International B.V. (hierna gezamenlijk: de Pharma vennootschappen) in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr E. Heuzeveld tot curator.

2.2. Op of omstreeks 6 juli 1999 is er tussen Trimoteur, PBR Group, Belastingdienst grote ondernemingen Groningen en ABN Amrobank N.V. enerzijds en Heuzeveldt qq anderszijds een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot alle activa uit boedels van de Pharma vennootschappen (hierna: de koopovereenkomst). Als “koper” wordt in de koopovereenkomst aangeduid de “besloten vennootschap TRIMOTEUR HOLDING B.V. gevestigd te Zeist cq. de besloten vennootschap PHARMA BIO-RESEARCH GROUP B.V.”.

Artikel 3.2 van de koopovereenkomst bepaalt voorts:

“De curator en de koper zijn overeengekomen dat de koopsom met betrekking tot voormelde immateriële activa gelijk is aan het bedrag dat vereist is om aan de preferente schuldeisers van Pharma 80% en aan de concurrente schuldeisers 40% van hun schuldvorderingen te betalen.

Bij benadering zal dit een bedrag van f 7.500.000,-- belopen.

De betaling aan de preferente en concurrente schuldeisers door de koper zal in drie, gelijke, tranches plaatsvinden en wel als volgt:

- 1/3 gedeelte uiterlijk 31 december 1999;

- 1/3 gedeelte uiterlijk 30 september 2000;

- 1/3 gedeelte uiterlijk 31 juli 2001 (..)”

Artikel 9.1 van de koopovereenkomst luidt als volgt:

“Na effectuering van het vorenstaande zijn partijen jegens elkaar over en weer finaal gekweten. De curator verklaart niets meer van de bank of koper te vorderen te hebben, uit welke hoofde dan ook.”

2.3. Trimoteur Holding B.V. was ten tijde van de totstandkoming van de koopovereenkomst enig aandeelhouder van PBR Group.

2.4. Op 6 september 2000 heeft Atropa Belladonna B.V. (hierna: Atropa) een vordering ten bedrage van NLG 2.091.726,02 (EUR 949.183,89) aangemeld ter verificatie op de verificatievergadering in het faillissement van de Pharma vennootschappen. De bestuurders van Atropa zijn de heer en mevrouw [A-B], voormalig bestuurders en aandeelhouders van de Pharma vennootschappen.

2.5. Heuzeveldt qq heeft voornoemde vordering van Atropa betwist.

2.6. Bij vonnis van de rechtbank Assen d.d. 30 augustus 2006 is bepaald dat de onder 2.4 genoemde vordering in het faillissement van Pharma Science International B.V. dient te worden toegelaten. Heuzeveldt qq is in overleg met Trimoteur in hoger beroep gegaan tegen voormeld vonnis. Het vonnis is bij arrest d.d. 9 juli 2008 door het hof Leeuwarden bekrachtigd. De kosten verband houdende met de hoger beroep procedure zijn door Trimoteur Holding B.V. gedragen.

2.7. Heuzeveldt qq heeft Trimoteur c.s. op grond van artikel 3.2 van de koopovereenkomst aangesproken tot betaling van een bedrag van EUR 379.673,55. Betaling door Trimoteur c.s. is uitgebleven.

3. Het geschil

3.1. Heuzeveldt qq vordert samengevat - veroordeling van Trimoteur c.s. tot betaling aan hem althans aan Atropa Belladonna B.V. van een bedrag van EUR 379.673,60, vermeerderd met rente en kosten, de beslagkosten daaronder begrepen.

3.2. Trimoteur c.s. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Heuzeveldt qq baseert zijn vordering op nakoming van de koopovereenkomst. Krachtens het arrest van het Hof Leeuwarden moet de vordering van Atropa van

EUR 949.183,89 als een concurrente vordering in het faillissement van Pharma Science International worden toegelaten zodat Trimoteur c.s. op grond van artikel 3.2 gehouden is om 40% van deze concurrente vordering te voldoen.

4.2. Trimoteur Holding B.V. heeft primair als verweer aangevoerd dat de vordering van Heuzeveldt qq is verjaard. De verjaringstermijn van vijf jaar is na de verificatievergadering van 6 september 2000 gaan lopen en niet gestuit, zodat deze op het moment dat Heuzeveldt qq haar aansprak in december 2008 was verjaard. Voorts heeft Trimoteur Holding B.V. gesteld dat niet zij maar PRB Group als koper dient te worden aangemerkt. Ten slotte stelt Trimoteur Holding B.V. dat er tussen partijen wilsovereenstemming is ontstaan over het voldoen van de concurrente crediteuren en dat de vordering van Atropa daar niet onder viel.

4.3. PBR Group heeft eveneens verweer gevoerd. Ook zij heeft naar voren gebracht dat de vordering is verjaard. Voorts heeft zij gesteld dat het bepaalde in artikel 3.2 van de koopovereenkomst geen betrekking had op de vordering van Atropa en deze vordering geen onderdeel uitmaakt van het in dat artikel genoemde bedrag van NLG 7.500.000.-. PBR Group voert voorts aan dat niet zij maar Trimoteur Holding B.V. primair gehouden is tot nakoming van de koopovereenkomst. Voorts hebben partijen elkaar, blijkens artikel 9.1 van de koopovereenkomst finale kwijting verleend na betaling van de koopsom aan de preferente en concurrente crediteuren, aldus PBR Group.

Verjaring

4.4. De rechtbank overweegt ten aanzien van dit meeste verstrekkende verweer van Trimoteur c.s. als volgt. Artikel 3:313 Burgerlijk Wetboek (hierna : BW) bepaalt dat een termijn van de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen een aanvang neemt op de dag volgend op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd. Het is derhalve de vraag op welke moment van dit laatste sprake was. De rechtbank is met Heuzeveldt qq van oordeel dat - zoals hij heeft gesteld en door Trimoteur c.s. niet is betwist - de koopprijs pas duidelijk werd op het moment dat de concurrente vorderingen vaststaan en dat een redelijke uitleg van artikel 3.2 van de koopovereenkomst meebrengt dat erkende vorderingen dienden te worden betaald op de in dat artikel genoemde momenten en de betwiste vorderingen na voltooiing van de renvooiprocedure. De koopovereenkomst spreekt immers van betaling aan de concurrente schuldeisers. Van een concurrente schuldeiser is eerst sprake na erkenning door de curator danwel in geval van betwisting, na beëindiging van de renvooiprocedure. De vordering van Atropa is door Heuzeveldt qq betwist en verwezen naar de renvooiprocedure. Deze procedure is voltooid met het arrest van het Hof Leeuwarden. Dit betekent dat de vordering van Heuzeveldt qq ter zake de vordering van Atropa eerst met het arrest van het Hof Leeuwarden is komen vast te staan en opeisbaar is geworden, zodat ingevolge artikel 3:313 BW de verjaringstermijn op 9 juli 2008 is aangevangen en op moment van dagvaarding derhalve nog niet is verstreken.

Verplichtingen uit de koopovereenkomst

4.5. Blijkens artikel 3.2 van de koopovereenkomst zal koper als koopsom (onder meer) aan de concurrente schuldeisers van de Pharma vennootschappen 40% van hun schuldvorderingen betalen. Uit het arrest van het Hof Leeuwarden volgt dat de vordering van Atropa tot een bedrag van EUR 949.183,89 als concurrente vordering in het faillissement van Pharma Sciences International B.V. moet worden toegelaten. Dit betekent dat Trimoteur c.s. in beginsel gehouden is 40% van deze vordering aan Atropa te voldoen. Immers, met het arrest van het Hof Leeuwarden vast is komen te staan dat deze vordering als concurrent moet worden aangemerkt. Dit zou anders kunnen zijn indien, zoals Trimoteur c.s. stelt en Heuzeveldt qq heeft betwist, tussen partijen vaststond dat de vordering van Atropa niet onder de koopovereenkomst zou vallen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat dat niet het geval is. Zij overweegt hiertoe als volgt. Vooropgesteld moet worden dat de vordering van Atropa in de koopovereenkomst niet wordt uitgezonderd. Trimoteur Holding B.V. stelt dat wel uit een andere overeenkomst blijkt dat deze vordering niet onder de overeenkomst viel, maar zij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Dit had wel op haar weg gelegen, bijvoorbeeld door het overleggen van die bewuste overeenkomst. Nu zij dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank voorbij aan deze stelling. Trimoteur Holding B.V. stelt voorts dat tijdens de nacht van onderhandelingen voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst, uitdrukkelijk ter sprake is gekomen dat de vordering niet onder de koopovereenkomst viel en dat hierover wilsovereenstemming is ontstaan. Heuzeveldt qq heeft dit betwist, onder meer door te stellen dat Trimoteur Holding B.V. zich pas nadat Atropa haar vordering ter verificatie had ingediend op dit standpunt heeft gesteld, hetgeen niet door Trimoteur Holding B.V. is betwist. Ook hier geldt dat Trimoteur Holding B.V. haar stelling niet voldoende heeft onderbouwd. In dit verband zij opgemerkt dat Trimoteur Holding B.V. op de vraag ter comparitie van partijen waarom dit dan niet in de koopovereenkomst is opgenomen, heeft geantwoord dat dat niet is gebeurd omdat zij niet wist dat juist deze vordering bestond. De rechtbank kan beide stellingen niet met elkaar verenigen. Niet valt in te zien hoe enerzijds over een specifieke vordering concreet is gesproken voor de totstandkoming van de koopovereenkomst en anderzijds partijen zich toen van het bestaan van de vordering niet bewust waren. Overigens heeft ook Heuzeveldt qq verklaard dat hij ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst niet bekend was met de vordering van Atropa. Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank Trimoteur Holding B.V. niet in haar stelling dat wilsovereenstemming is ontstaan over het feit dat de vordering van Atropa niet onder de koopovereenkomst viel. Trimoteur c.s. stelt voorts dat uit het proces verbaal van de verificatievergadering en de door Heuzeveldt qq ingenomen standpunten tijdens de renvooiprocedure blijkt dat ook Heuzeveldt qq van oordeel was dat de vordering van Atropa niet onder de koopovereenkomst viel. De rechtbank is van oordeel dat de door Heuzeveldt qq eerder in de verificatievergadering en in de renvooiprocedure ingenomen standpunten hem thans niet kunnen worden tegengeworpen, in die zin dat daaruit een erkenning zou kunnen blijken van de stelling van Trimoteur c.s. dat de vordering van Atropa niet onder de overeenkomst viel. Heuzeveldt qq heeft de vordering van Atropa in het kader van zijn taak als beheerder en vereffenaar van de onder het faillissementsbeslag liggende goederen betwist. Trimoteur Holding B.V. had belang bij dit standpunt, getuige ook het feit dat zij de kosten van de hoger beroep procedure heeft gedragen. Uit de door het Hof Leeuwarden verworpen stellingname van Heuzeveldt qq kan niet worden afgeleid dat hij Trimoteur c.s. vervolgens niet zou kunnen aanspreken voor deze vordering. Deze stellingname is met het arrest van het Hof Leeuwarden achterhaald.

4.6. Vervolgens is aan de orde de vraag welke uitleg aan artikel 3.2 van de koopovereenkomst dient te worden gegeven. Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding tussen de partijen is geregeld, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van deze overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltexcriterium). Er kan daarom niet met een zuiver taalkundige uitleg worden volstaan, al is de taalkundige betekenis die de woorden normaal gesproken in het maatschappelijk verkeer hebben -gelezen in de context van de overeenkomst als geheel- vaak wel van groot belang (HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493).

Heuzeveldt qq heeft verklaard dat het tijdens de onderhandelingen niet duidelijk was wat de exacte koopsom zou worden hetgeen reden is geweest om de in artikel 3.2 van de koopovereenkomst opgenomen wijze van berekening overeen te komen. Dit is niet door Trimoteur c.s. betwist. Artikel 3.2 bepaalt dat de overeengekomen koopsom gelijk is aan het bedrag dat vereist is om aan de concurrente schuldeisers 40% van hun schuldvorderingen te betalen, welk bedrag bij benadering een bedrag van NLG 7.500.000,-- zal belopen. Uit voornoemde berekeningswijze en de toevoeging ‘bij benadering’ blijkt dat partijen de kennelijke bedoeling hadden om een koopprijs overeen te komen die op dat moment niet exact vaststond. Daarbij is een bedrag van ‘bij benadering’ NLG 7.500.000,-- genoemd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan hieruit niet reeds volgen dat de onderhavige vordering daarvan geen onderdeel uitmaakte. De rechtbank volgt Trimoteur c.s. derhalve niet in haar verweer dat reeds uit die koopprijs blijkt dat de vordering van Atropa daar niet onder valt. Dit betekent dat een redelijke uitleg van artikel 3.2 van de koopovereenkomst met zich brengt dat ook de onderhavige vordering daaronder valt.

Tussenconclusie

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat krachtens de koopovereenkomst tussen Heuzeveldt qq en Trimoteur c.s. aan Atropa een bedrag van EUR 379.673,60 dient te worden voldaan.

Hoofdelijkheid

4.8. Trimoteur Holding B.V. en PBR Group twisten vervolgens over de vraag wie van hen gehouden is deze vordering te voldoen. Trimoteur Holding B.V. stelt in dit kader dat de koopovereenkomst als koper aanmerkt Trimoteur Holding “c.q.” PBR Group en deze overeenkomst feitelijk is uitgevoerd door PBR Group. PBR Group heeft de activa gekocht, de roerende zaken in eigendom verkregen en de crediteuren als bedoeld in artikel 3.2 van de overeenkomst betaald. Trimoteur Holding B.V. was slechts aandeelhouder en bestuurder van PBR Group. Dat ook Heuzeveldt qq van oordeel is dat PBR Group als koper dient te worden aangemerkt, blijkt uit diens standpunten in de renvooiprocedure, aldus Trimoteur Holding B.V. PBR Group stelt op haar beurt dat de koopovereenkomst primair is gesloten ten behoeve van Trimoteur Holding B.V., de toenmalige 100% aandeelhouder van PBR Group, zoals ook blijkt uit de koopovereenkomst zelf, waarbij als koper geldt Trimoteur Holding B.V. cq PBR Group. Er is geen sprake van hoofdelijkheid en PBR Group kan pas worden aangesproken indien Trimoteur Holding B.V. haar verplichtingen niet nakomt

4.9. Heuzeveldt qq heeft in dit kader tijdens de comparitie van partijen verklaard dat het zijn uitdrukkelijke bedoeling was om beide partijen hoofdelijk te verbinden, omdat voor hem niet duidelijk was bij wie van beide partijen het geld zat. Dat er ‘c.q.’ in de koopovereenkomst is opgenomen, was een gevolg van vermoeidheid na een nacht onderhandelen maar dit doet niet af aan de overeengekomen hoofdelijkheid, aldus Heuzeveldt qq. Deze stellingname heeft Trimoteur Holding B.V. noch PBR Group weersproken. Wel heeft Trimoteur Holding B.V. naar voren gebracht dat zij slechts als contractspartij is opgenomen vanwege het feit dat PBR Group op dat moment niet bestond, maar zij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd en ook uit de koopovereenkomst blijkt niet dat PBR Group nog in oprichting was. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat PBR Group op dat moment wel degelijk bestond, zodat zij aan deze stelling voorbij zal gaan. Artikel 6:6 BW bepaalt dat indien een prestatie door twee of meer schuldenaren verschuldigd is, zij ieder voor een gelijk deel verbonden zijn, tenzij uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat zij voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn. In de overeenkomst zelf is geen enkel onderscheid gemaakt tussen Trimoteur Holding B.V. en PBR Group, maar wordt steeds gelijkelijk gesproken over ‘koper’, en is evenmin sprake van enige aanspreekvolgorde, waaruit eveneens blijkt dat beide partijen een gelijke positie hadden. Indien aan de afkorting ‘c.q.’ de door Trimoteur c.s. voorgestane betekenis zou hebben gehad, had het voor de hand gelegen dat daaraan in de koopovereenkomst zelf gevolg was gegeven. Daarvan is evenwel geen sprake. De koopovereenkomst is voorts namens Trimoteur Holding B.V. en PBR Group ondertekend, eveneens zonder enig onderscheid in positie. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Trimoteur Holding B.V. en PBR Group zich voor gelijke delen aan de overeenkomst hebben verbonden. Dat aan de koopovereenkomst vervolgens door één van partijen uitvoering is gegeven en dat slechts één van partijen betrokken is geweest bij de renvooiprocedure doet aan het voorgaande niet af. Voor de door Heuzeveldt qq gestelde hoofdelijkheid zijn evenwel geen aanknopingspunten te vinden.

Finale kwijting

4.10. PBR Group heeft ten slotte nog aangevoerd dat de in artikel 9.1 van de overeenkomst opgenomen finale kwijting aan de onderhavige vordering in de weg staat, maar dit verweer kan niet slagen. Er wordt thans juist door Heuzeveldt qq, die partij is bij de koopovereenkomst, nakoming van de overeenkomst wordt gevorderd, zodat finale kwijting nog niet aan de orde is.

Conclusie

4.11. Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat Trimoteur c.s. gehouden is de koopovereenkomst na te komen, in die zin dat Trimoteur Holding B.V. en PBR Group ieder 20% van de concurrente vordering van Atropa aan Heuzeveldt qq dienen te voldoen.

Wettelijke rente

4.12. Heuzeveldt qq vordert wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata als genoemd in artikel 3.2 van de koopovereenkomst. Trimoteur c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd. Voor verschuldigdheid van wettelijke rente is verzuim vereist. Een schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat een prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van artikelen 82 en 83 van boek 6 BW is voldaan. Zoals uit het hiervoor in 4.4 overwogene volgt is de vordering eerst op 9 juli 2008 opeisbaar geworden, zodat de wettelijke rente vanaf die datum zal worden toegewezen.

4.13. Heuzeveldt qq heeft vergoeding van beslagkosten gevorderd. Trimoteur Holding B.V. heeft daartegen verweer gevoerd door te stellen dat er geen beslagen zijn gelegd. Hierop is door Heuzeveldt qq niet gereageerd, evenmin zijn beslagstukken in het geding gebracht. Dit betekent dat de vordering van Heuzeveldt qq op dit punt zal worden afgewezen.

4.14. Trimoteur c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Heuzeveldt qq worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 4.938,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal EUR 9.023,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Trimoteur Holding B.V. om aan Heuzeveldt qq te betalen een bedrag van EUR 189.836,80 (honderdnegenentachtigduizend achthonderdzesendertig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juli 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt PBR Group om aan Heuzeveldt qq te betalen een bedrag van EUR 189.836,80 (honderdnegenentachtigduizend achthonderdzesendertig euro en tachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juli 2008 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Trimoteur c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Heuzeveldt qq tot op heden begroot op EUR 9.023,98,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.V.M. Veldhoen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.?