Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1237

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
21-10-2010
Zaaknummer
294566 / KG ZA 10-881
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is statutair directeur van gedaagde sub 1. Op 14 september 2010 heeft een vergadering van het voltallige bestuur van gedaagde sub 2 plaatsgevonden, waarop eiser met onmiddellijke ingang is geschorst als statutair directeur van gedaagde sub 1. Op grond van de wet en de statuten van gedaagde sub 1 kan schorsing van een bestuurder alleen door de algemene vergadering van aandeelhouders (AvA) plaatsvinden.

Gedaagden stellen dat aan deze eis is voldaan. De bestuursvergadering van gedaagde sub 2 wordt ook beschouwd als een AvA van gedaagde sub 1, omdat gedaagde sub 2 de enige aandeelhouder is van gedaagde sub 1. Eiser is op deze wijze benoemd en bijvoorbeeld ook de jaarstukken van gedaagde sub 1 werden op deze wijze vastgesteld. Van de bestuursvergaderingen werden steeds twee verslagen opgemaakt, te weten een verslag van de bestuursvergadering en een verslag van de AvA. Het schorsingsbesluit tijdens de vergadering van 14 september 2010 kan daarom volgens gedaagden worden beschouwd als een besluit dat in de AvA van 14 september 2010 is genomen,

De voorzieningenrechter oordeelt dat er op 14 september 2010 geen rechtsgeldige AvA heeft plaatsgevonden en dat het schorsingsbesluit reeds daarom niet rechtsgeldig is genomen. Op grond van de oproeping voor deze vergadering en de concept notulen, waarin de vergadering wordt aangeduid als bestuursvergadering, is er onvoldoende aanwijzing dat de vergadering kan worden geschouwd als een AvA. Het was ook voor eiser onvoldoende duidelijk dat er op 14 september 2010 een AvA werd gehouden waar zijn positie ter discussie zou worden gesteld. Daarom is zijn beroep op de nietigheid van het schorsingsbesluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat in het verleden niet altijd scherp is onderscheiden tussen de bestuursvergadering en de AvA. De voorzieningenrechter stelt het schorsingsbesluit buiten werking totdat de rechter in een bodemprocedure over het schorsingsbesluit heeft geoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0863
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 294566 / KG ZA 10-881

Vonnis in kort geding van 20 oktober 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.M. Baremans te Apeldoorn,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

2. de stichting

[gedaagde sub 2],

gevestigd en kantoorhoudende te Amersfoort,

gedaagden,

advocaat mr. P.J.B. Heemskerk te Rotterdam.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd. Gedaagden sub 1 en 2 zullen respectievelijk als [gedaagde sub 1] en de [gedaagde sub 2] worden aangeduid. Gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagden] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 oktober 2010;

- de wijziging van eis;

- de producties van de zijde van [eiser] (22);

- de producties van de zijde van [gedaagden] (18);

- de mondelinge behandeling van 13 oktober 2010;

- de pleitnota van [eiser];

- de pleitnota van [gedaagden].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is bij besluit van 10 oktober 2007 door de Buitengewone Vergadering van Aandeelhouders van [gedaagde sub 1] aangesteld als statutair directeur van [gedaagde sub 1]. Op 29 oktober 2007 hebben partijen een arbeidsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [eiser] vanaf 10 december 2007 als bestuurder bij [gedaagde sub 1] in dienst is getreden.

2.2. [gedaagde sub 1] heeft als statutaire doelstelling “groothandel in audiologische apparatuur”. Zij fungeert feitelijk als inkoopcombinatie voor ongeveer 100 zelfstandige audiciens. Door [gedaagde sub 1] kopen zij gezamenlijk hoortoestellen en accessoires in en wisselen zij ervaringen en knowhow uit met als doel hun vakkennis te optimaliseren.

2.3. De [gedaagde sub 2] is op 15 juni 2007 opgericht door [gedaagde sub 1]. De [gedaagde sub 2] heeft onder meer ten doel het tegen uitgifte van certificaten op naam verwerven van aandelen in [gedaagde sub 1]. De [gedaagde sub 2] is enig aandeelhouder van [gedaagde sub 1]. De certificaathouders zijn de audiciens, die ook de afnemers zijn van de [gedaagde sub 1].

2.4. Op 14 september 2010 heeft een vergadering plaatsgevonden, waarbij het voltallige bestuur van de [gedaagde sub 2] aanwezig was. De door Hinik overgelegde concept-notulen van deze vergadering vermelden dat het gaat om de “Bestuursvergadering [gedaagde sub 2]”. Ook [eiser] is gedeeltelijk bij deze vergadering aanwezig geweest. In deze vergadering is, onder meer, met algemene stemmen besloten om Gerding met onmiddellijke ingang te schorsen als statutair directeur van [gedaagde sub 1] en [A] als interim-directeur aan te stellen.

2.5. Bij brief van 21 september 2010 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser] het volgende meegedeeld.

“Voor de goede orde bevestig ik u hierbij het besluit van de Algemene Vergadering van aandeelhouders van 14 september jl. waarbij u met onmiddellijke ingang op non actief bent gesteld, dit vooruitlopend op de eerstvolgende aandeelhouders- vergadering waarin een besluit zal worden genomen over uw ontslag als directeur.

U wordt hierbij uitgenodigd om te verschijnen op de vergadering van 28 september a.s. om 19.30 uur, waarbij u zult worden gehoord naar aanleiding van het voorgenomen ontslag en u uw mening en standpunt dienaangaande kenbaar kunt maken. (…)”

2.6. [eiser] heeft bij brief van 27 september 2010 geprotesteerd tegen de beslissing hem te schorsen en het voornemen hem te ontslaan in de geplande vergadering van 28 september 2010. Hij heeft daarbij de nietigheid van het schorsingsbesluit ingeroepen. Voorts heeft [eiser] de [gedaagde sub 2] (onder meer) gesommeerd de schorsing op te heffen en hem met onmiddellijke ingang toe te laten tot zijn werkzaamheden.

2.7. De vergadering van 28 september 2010 is niet doorgegaan. In plaats daarvan heeft het bestuur van de [gedaagde sub 2] een Buitengewone certificaathouder/AvA vergadering [gedaagde sub 2] uitgeschreven, welke vergadering zal plaatsvinden op 26 oktober 2010. Als agendapunt 4 van de vergadering Certificaathouders en als agendapunt 2 van de Vergadering Aandeelhouders zal de bespreking van de schorsing en eventueel ontslag van [eiser] aan de orde komen, waarbij ook spreektijd voor [eiser] is ingeruimd.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - na wijziging van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I. Bij wijze van voorlopige maatregel en in afwachting van de vernietiging van het (indien al rechtsgeldig genomen) besluit tot schorsing van [eiser] op de voet van artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de schorsing van [eiser] op te heffen, althans het schorsingsbesluit buiten werking te stellen totdat de rechter in een bodemprocedure over het schorsingsbesluit heeft geoordeeld;

II. [gedaagden] te bevelen, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onverkort en volledig uit te oefenen en daartoe alles in het werk te stellen, en [gedaagden] met onmiddellijke ingang te verbieden [eiser] geheel of gedeeltelijk uit zijn functie te ontheffen en/of aan [eiser] de overeengekomen taken en/of werkzaamheden te ontnemen dan wel te beperken, althans [gedaagden] te bevelen, binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, de schorsing van [eiser] ongedaan te maken, [eiser] in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onverkort en volledig uit te oefenen en daartoe alles in het werk te stellen en [gedaagden] met onmiddellijke ingang te verbieden [eiser] (opnieuw) te schorsen;

III. [gedaagden] te bevelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen zodanige termijn als de voorzieningenrechter redelijk acht, aan al degenen (zowel intern als extern) aan wie [gedaagden] mondeling of schriftelijk heeft bericht dat [eiser] is geschorst (althans een mededeling van soortgelijke strekking heeft gedaan) de navolgende schriftelijke rectificatie te zenden, welke rectificatie niet mag worden voorafgegaan, dan wel worden gevolgd door een andere dan de hier opgenomen tekst:

“Eerder hebben wij u laten weten dat onze directeur [eiser] van zijn taken/verantwoordelijkheden als bestuurder van [gedaagde sub 1] is ontheven. Bij vonnis van de Voorzieningenrechter te Utrecht zijn wij veroordeeld de heer [eiser] met onmiddellijke ingang weer tot werkzaamheden toe te laten omdat de schorsing niet op een deugdelijke grondslag berust en tot het sturen van deze rectificatie.”

althans een rectificatie te sturen met een zodanige inhoud als de voorzieningenrechter redelijk en billijk voorkomt;

IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen zodanige termijn als de voorzieningenrechter redelijk acht, aan [eiser] te voldoen een bedrag van EUR 5.231,31 als voorschot op de door [eiser] gemaakte kosten, des dat de een betale de ander zal zijn bevrijd;

V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, althans binnen zodanige termijn als de voorzieningenrechter redelijk acht, aan [eiser] te voldoen een bedrag van EUR 5.000,-- als voorschot op de door [eiser] geleden schade, des dat de een betale, de ander zal zijn bevrijd;

VI. te bepalen dat [gedaagden] hoofdelijk een dwangsom van EUR 5.000,-- verschuldigd is voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagden] geheel of gedeeltelijk niet aan het vonnis voldoet, des dat de een betale de ander zal zijn bevrijd;

VII. althans zodanige (aanvullende of alternatieve) voorzieningen jegens een of beide gedaagden te treffen als de voorzieningenrechter redelijk en billijk voorkomt;

VIII. met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagden] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagden] heeft een beroep gedaan op nietigheid van de dagvaarding, omdat deze in strijd met artikel 112 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) niet de aanzegging bevat dat bij verschijning in dit kort geding een vast recht zal worden geheven. Er wordt ten onrechte vermeld dat gedaagden bij verschijning geen griffierecht zijn verschuldigd. Daarnaast zijn er meerdere gedaagden gedagvaard en heeft [eiser] nagelaten het in artikel 140 lid 2 Rv. genoemde rechtsgevolg in de dagvaarding te vermelden.

4.2. De voorzieningenrechter overweegt dat beide gedaagden in het geding is verschenen en dat niet is gebleken dat [gedaagden] door de gebreken in de dagvaarding onredelijk in haar belangen is geschaad. Gelet hierop verwerpt de voorzieningenrechter het beroep op nietigheid van de dagvaarding.

4.3. [gedaagden] heeft ter zitting aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de gewijzigde eis, maar heeft dit bezwaar nadien ingetrokken. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter op basis van de gewijzigde eis vonnis wijzen. [gedaagden] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de toelating van de door [eiser] overgelegde producties 17 tot en met 22, omdat zij deze producties haar onbekend zijn. [eiser] heeft toegelicht dat deze producties, met verklaringen van bestuursleden, niet eerder konden worden overgelegd, omdat deze bestuursleden pas de dag voor de zitting kennis hebben kunnen nemen van de notulen van de vergadering van 14 september 2010. Dit is door [gedaagden] niet betwist. De voorzieningenrechter acht de overlegging van deze producties gelet hierop niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De zitting is enige tijd geschorst om de advocaat van [gedaagden] in de gelegenheid te stellen deze producties te lezen en met zijn cliënt te bespreken.

4.4. De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.

4.5. [gedaagden] heeft gesteld dat [eiser] geen belang heeft bij de gevraagde voorzieningen tot - kort gezegd - opschorting van het schorsingsbesluit, omdat reeds op 26 oktober 2010 een algemene vergadering van aandeelhouders zal worden gehouden, waarop een besluit zal worden genomen over het voorgenomen ontslag van [eiser]. Dit verweer faalt omdat [eiser] op dit moment belang heeft bij de vorderingen.

4.6. [eiser] stelt zich primair op het standpunt dat het schorsingsbesluit nietig dan wel vernietigbaar is in de zin van de artikelen 2:14 en 2:15 BW, omdat het besluit ten onrechte niet door de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1] is genomen en omdat bovendien de certificaathouders niet voor deze vergadering zijn opgeroepen.

4.7. Ingevolge artikel 2:242 lid 1 BW geschiedt de benoeming van bestuurders voor de eerste maal bij de akte van oprichting en later door de algemene vergadering van aandeelhouders, tenzij zij overeenkomstig artikel 2:272 BW door de raad van commissarissen geschiedt.

4.8. In artikel 2:244 lid 1 BW is bepaald dat iedere bestuurder te allen tijde kan worden geschorst en ontslagen door degene die bevoegd is tot benoeming.

4.9. Ingevolge artikel 11 lid 3 van de statuten van [gedaagde sub 1] worden directeuren door de algemene vergadering benoemd en kunnen zij te allen tijde door deze vergadering worden geschorst en ontslagen. Ook de raad van commissarissen is bevoegd een directeur te schorsen.

4.10. [gedaagden] heeft ter zitting verklaard dat [gedaagde sub 1] geen raad van commissarissen heeft ingesteld. Gelet hierop kan de benoeming, schorsing en het ontslag van een directeur van [gedaagde sub 1] op grond van de wet en de statuten alleen door de algemene vergadering van aandeelhouders plaatsvinden.

4.11. [gedaagden] heeft gesteld dat de bestuursvergadering van de [gedaagde sub 2] ook is aan te merken als een algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1], omdat de [gedaagde sub 2] de enige aandeelhouder is van [gedaagde sub 1]. [gedaagden] heeft daarbij aangevoerd dat de bestuursvergadering van de [gedaagde sub 2] steeds ook werd beschouwd als een vergadering van de AvA van [gedaagde sub 1], dat [eiser] ook op deze wijze is benoemd, dat bijvoorbeeld ook de jaarstukken van [gedaagde sub 1] op deze wijze werden vastgesteld en dat deze wijze van besturen de volledige instemming van [eiser] had. Van de bestuursvergaderingen van de [gedaagde sub 2] werden steeds twee verslagen opgemaakt, te weten een verslag van de bestuursvergadering van de [gedaagde sub 2] en een verslag van de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1]. Het schorsingsbesluit tijdens de vergadering van 14 september 2010 kan dus volgens [gedaagden] worden beschouwd als een besluit dat in de algemene vergadering van aandeelhouders van 14 september 2010 is genomen, en daarom niet buiten vergadering. Artikel 16 lid 1 van de statuten verplicht volgens [gedaagden] niet tot oproeping van de certificaathouders voor een algemene vergadering van aandeelhouders. Bovendien stelt [gedaagden] dat in artikel 16 lid 3 van de statuten is bepaald dat, indien aan de oproepingsvereisten niet is voldaan, toch geldige besluiten kunnen worden genomen, mits het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is. Daarvan was volgens [gedaagden] op 14 september 2010 sprake. Het beroep van [eiser] op de nietigheid van het schorsingsbesluit is onder deze omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, aldus [gedaagden].

4.12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er op 14 september 2010 geen rechtsgeldige algemene vergadering van aandeelhouders heeft plaatsgevonden en dat het schorsingsbesluit reeds daarom niet rechtsgeldig is genomen.

4.13. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de oproeping voor de vergadering van 14 september 2010 kennelijk heeft plaatsgevonden door verzending van een agenda aan de bestuursleden van de [gedaagde sub 2]. Deze vergadering wordt in de agenda aangekondigd als een “bestuursvergadering [gedaagde sub 2]”. In de door [gedaagden] overgelegde concept-notulen die van deze vergadering zijn opgemaakt, wordt de vergadering eveneens aangeduid als een “bestuursvergadering [gedaagde sub 2]”. Er is onvoldoende aanwijzing dat de vergadering kan worden geschouwd als algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1].

4.14. Wat betreft het beroep van [gedaagden] op de redelijkheid en de billijkheid overweegt de voorzieningenrechter dat het functioneren van [eiser] niet als agendapunt voor de vergadering van 14 september 2010 stond genoteerd. Uit het verslag blijkt dat het besluit om [eiser] te schorsen genomen is onder het agendapunt “vaststellen vergadering en rondvraag”. Gezien het voorgaande acht de voorzieningenrechter het voor [eiser] onvoldoende duidelijk dat er op 14 september 2010 een algemene vergadering van aandeelhouders werd gehouden waar zijn positie ter discussie zou worden gesteld. Daarom is zijn beroep op de nietigheid van het besluit niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, ook niet als de voorzieningenrechter in aanmerking neemt dat in het verleden ook niet altijd scherp is onderscheiden tussen de bestuursvergadering van de [gedaagde sub 2] en de algemene vergadering van aandeelhouders van [gedaagde sub 1].

4.15. Ten overvloede geldt nog het volgende. Vast staat dat de certificaathouders niet voor de vergadering van 14 september 2010 zijn opgeroepen. Met betrekking tot de oproeping van certificaathouders voor een algemene vergadering van aandeelhouders is in artikel 2:223 lid 2 BW, dwingendrechtelijk, bepaald dat, indien er met medewerking van de vennootschap certificaten op naam van haar aandelen zijn uitgegeven, de houders daarvan worden opgeroepen door aankondiging in een landelijk verspreid dagblad. De statuten kunnen de wijze van deze oproeping anders regelen. Nu de certificaathouders niet zijn opgeroepen, is niet voldaan aan artikel 2:223 lid 2 BW. Certificaathouders hebben weliswaar geen stemrecht, maar wel het recht om het woord te voeren en zo mogelijk het besluitvormingsproces te beïnvloeden.[eiser] heeft er belang bij dat deze voorschriften bij de besluitvorming over de voorgenomen schorsing en ontslag worden nageleefd. Daarom zou het besluit van 14 september 2010, indien aangemerkt als een besluit van de aandeelhouders van [gedaagde sub 1], op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar zijn.

4.16. Gezien het voorgaande zal de voorzieningenrechter de vordering sub I toewijzen en het schorsingsbesluit van 14 september 2010 buiten werking stellen totdat de rechter in een bodemprocedure over dat schorsingsbesluit heeft geoordeeld.

4.17. De voorzieningenrechter zal voorts, zoals sub II is gevorderd, [gedaagden] bevelen om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onverkort en volledig uit te oefenen en daartoe alles in het werk te stellen. De vordering om [gedaagden] met onmiddellijke ingang te verbieden [eiser] geheel of gedeeltelijk uit zijn functie te ontheffen en/of aan [eiser] de overeengekomen taken en/of werkzaamheden te ontnemen zal eveneens worden toegewezen. De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen tot in totaal een maximum van EUR 50.000,-- is bereikt. Het voorgaande laat vanzelfsprekend onverlet dat tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders op 26 oktober 2010 besluitvorming zal kunnen plaatsvinden over schorsing of ontslag van [eiser]. De veroordelingen onder 5.2. en 5.3. zien niet op deze besluiten.

4.18. De voorzieningenrechter acht de gevorderde rectificatie thans onvoldoende opportuun, nu er op 26 oktober 2010 een algemene vergadering van aandeelhouders zal worden gehouden waarvan de uitkomst nog onduidelijk is. Daarnaast is in deze procedure onvoldoende duidelijk geworden of [gedaagden] gehouden is tot rectificatie is, nu zij ter zitting heeft ontkend dat zij ruchtbaarheid gegeven heeft aan de schorsing van [eiser]. De vordering sub III wordt daarom afgewezen.

4.19. De sub IV en V gevorderde voorzieningen strekken tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, als het bestaan (en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

4.20. De voorzieningenrechter merkt de vordering sub IV aan als een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten. Deze vordering zal - mede gelet op de door de voorzieningenrechter gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. [eiser] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.21. [eiser] heeft gesteld dat de vordering sub V ziet op geleden reputatieschade. Deze vordering is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Gelet hierop zal ook deze vordering worden afgewezen.

4.22. [gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 92,93

- vast recht 314,--

- salaris advocaat 816,--

Totaal EUR 1.222,93

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. stelt het schorsingsbesluit van 14 september 2010 buiten werking totdat de rechter in een bodemprocedure over het schorsingsbesluit heeft geoordeeld;

5.2. beveelt [gedaagden] om [eiser] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen zijn werkzaamheden onverkort en volledig uit te oefenen en daartoe alles in het werk te stellen;

5.3. verbiedt [gedaagden] met onmiddellijke ingang om [eiser] geheel of gedeeltelijk uit zijn functie te ontheffen en/of aan [eiser] de overeengekomen taken en/of werkzaamheden te ontnemen;

5.4. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van EUR 5.000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.2. en 5.3. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van in totaal EUR 50.000,-- is bereikt;

5.5. veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.222,93;

5.6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.AE. Uniken Venema en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.?