Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1024

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
20-10-2010
Zaaknummer
293150 / KG ZA 10-787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers hebben als supporters en sponsors van de club voor betaald voetbal ADO Den Haag in Eindhoven een wedstrijd tussen die voetbalclub en PSV bijgewoond. Na afloop van die wedstrijd zijn in de buurt van het stadion vechtpartijen ontstaan tussen de supporters van de beide clubs, waarbij ook eisers waren betrokken. Zij zijn daarbij gewond geraakt. De politie heeft ingegrepen en heeft daarbij eisers aangehouden en in verzekering gesteld. Het OM heeft een vordering ingesteld tot inbewaringstelling van eisers, doch deze vordering is door de Rechter-Commissaris afgewezen. Het OM heeft aan de KNVB een civiele melding gedaan die inhield dat eisers openlijk geweld gepleegd zouden hebben. Daarop heeft de KNVB op grond van haar Standaardvoorwaarden aan eisers een landelijk stadionverbod opgelegd voor drie jaar en een geldboete.

Eisers stellen dat het opleggen van de stadionverboden onrechtmatig jegens hen is, omdat zij niet zelf het geweld hebben gepleegd, maar slachtoffer zijn geworden van het geweld van anderen. Zij vorderen dat de KNVB de stadionverboden niet mag uitvoeren.

De voorzieningenrechter oordeelt dat uit de processen-verbaal van de politie, die op ambtseed dan wel op ambtsbelofte zijn opgemaakt, voldoende blijkt dat eisers zelf openlijk geweld tegen anderen hebben gebruikt. De vordering van eisers wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 293150 / KG ZA 10-787

Vonnis in kort geding van 20 oktober 2010

in de zaak van

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. A.H. Westendorp te ‘s-Gravenhage,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

gevestigd te Zeist,

gedaagde,

advocaat mr. H.J.A. Knijff te Amsterdam.

De eisende partijen zullen hierna gezamenlijk [eisers c.s.] worden genoemd en afzonderlijk [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3]. De gedaagde partij zal de KNVB genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 september 2010

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eisers c.s.] alsmede een aantal producties die niet duidelijk zijn genummerd

- de pleitnota en producties 1 tot en met 8 van de KNVB.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eisers c.s.] zijn supporters van de voetbalorganisatie voor betaald voetbal ADO Den Haag. Zij zijn ook lid van de supportersvereniging van deze voetbalclub. [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zijn tevens sponsors van ADO Den Haag.

2.2. In Eindhoven is op 6 februari 2010 een voetbalwedstrijd tussen PSV en ADO Den Haag gespeeld. [eisers c.s.] hebben deze voetbalwedstrijd bezocht.

2.3. Na afloop van de wedstrijd hebben [eisers c.s.] nog wat gedronken, eerst in het stadion en later in café [café], dat zich in de omgeving van het stadion bevindt. De auto van [eiser sub 1] stond vlakbij dat café geparkeerd.

2.4. Tijdens het bezoek van [eisers c.s.] in café [café] zijn in dat café en vervolgens buiten dat café ongeregeldheden ontstaan. [eisers c.s.] hebben daarbij verwondingen opgelopen.

2.5. [eisers c.s.] zijn door de politie aangehouden en meegenomen naar het politiebureau. Zij zijn daar in verzekering gesteld en verhoord.

2.6. De Regiopolitie Brabant Zuid-Oost heeft naar aanleiding van de ongeregeldheden bij café [café] een onderzoeksrapport opgemaakt. Daarin zijn voor [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] afzonderlijk de documenten opgenomen die van en na hun aanhouding zijn opgemaakt.

2.7. De Officier van Justitie heeft bij de Rechter-Commissaris te ’s-Hertogenbosch een vordering ingesteld tot inbewaringstelling van [eisers c.s.], doch deze vordering is door de Rechter-Commissaris afgewezen.

2.8. Bij afzonderlijke exploten van telkens 1 april 2010 is aan [eisers c.s.] een “Aanzegging Stadionverbod KNVB” betekend, waarbij hun – voor zover hier van belang – is aangezegd dat zij zich op 6 februari 2010 ter gelegenheid van de voetbalwedstrijd PSV – ADO Den Haag hebben schuldig gemaakt aan “openlijke geweldpleging (Sr 141 lid 1) en/of het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal”, en dat hun op die grond een stadionverbod voor de duur van drie jaar alsmede een boete van EUR 450,-- was opgelegd. Daarbij is verwezen naar – onder meer – de artikelen 10.2 en 10.3 van de Standaardvoorwaarden van de KNVB.

2.9. De artikelen 10.2 en 10.3 van de Standaardvoorwaarden KNVB luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 10 Sanctie

10.1 (…)

10.2 De KNVB is gerechtigd om, (landelijke) Stadionverboden op te leggen aan een ieder die volgens een melding van een Club of het Openbaar Ministerie in of buiten het Stadion in het kader van een Evenement:

- heeft gehandeld in strijd met deze Standaardvoorwaarden;

- een strafbaar feit heeft begaan danwel ten aanzien van wie een vermoeden bestaat dat deze zich schuldig heeft gemaakt aan voetbalgerelateerd wangedrag;

- zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad, zulks onverminderd enige plicht tot schadevergoeding op grond van het civiele recht. (…)

(…)

10.3 Indien de KNVB op grond van artikel 10.2 een Stadionverbod heeft opgelegd, verbeurt betrokkene aan de KNVB een voor onmiddellijke opeising vatbare geldboete van maximaal € 450,- per handeling in strijd met deze Standaardvoorwaarden of per strafbaar feit en/of gedraging waardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal wordt geschaad, zonder dat daartoe enige ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst noodzakelijk is. (…)”

2.10. [eisers c.s.] hebben ieder tegen het hun opgelegde stadionverbod en de daarbij opgelegde boete volgens de daarvoor geldende regels beroep aangetekend bij de Commissie Stadionverboden van de KNVB. Bij beslissing van 20 april 2010 heeft de Commissie Stadionverboden ten aanzien van [eiser sub 1] de beslissing van de KNVB inzake het opleggen van een stadionverbod en van een boete bevestigd. Bij beslissingen van 3 mei 2010 heeft de Commissie Stadionverboden ten aanzien van [eiser sub 2] en ten aanzien van [eiser sub 3] een gelijkluidende beslissing gegeven.

3. Het geschil

3.1. Het petitum bevat in onderdeel 4 een kennelijke verschrijving, nu evident is dat de dwangsom ziet op de onderdelen 1 tot en met 3 van het petitum. De vordering zal dienovereenkomstig worden gelezen en begrepen.

3.2. [eisers c.s.] vorderen – samengevat – het volgende:

a) Primair moet op straffe van verbeurte van een dwangsom aan de KNVB de uitvoering van het aan [eisers c.s.] opgelegde stadionverbod worden ontzegd, dan wel

Subsidiair moet op straffe van verbeurte van een dwangsom aan de KNVB worden verboden het stadionverbod uit te voeren;

b) Aan de KNVB moet op straffe van verbeurte van een dwangsom worden verboden de aan [eisers c.s.] opgelegde geldboete te incasseren;

c) De werking van het stadionverbod moet bij dit vonnis worden opgeheven met ingang van de datum van dit vonnis.

3.3. De KNVB voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eisers c.s.] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de KNVB jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld door aan hen een stadionverbod en een geldboete op te leggen. Zij stellen daartoe nader dat zij het strafbare feit waarop dat stadionverbod en die boete zijn gebaseerd, te weten openlijke geweldpleging, niet hebben begaan en dat zij, integendeel, slachtoffer van geweld zijn. Bovendien was er in dit geval geen sprake van voetbalgerelateerd wangedrag, aldus [eisers c.s.]

4.2. Deze stellingen van [eisers c.s.] kunnen voorshands niet als juist worden aanvaard. Daarvoor is het volgende van belang.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 10.2 en 10.3 van de Standaardvoorwaarden KNVB – hiervoor weergegeven onder 2.9 – in dit geval van toepassing zijn. Dit betekent dat in het onderhavige geval voor het opleggen van een stadionverbod als bedoeld in genoemd artikel 10.2, gelet op de aan [eisers c.s.] verweten gedragingen, aan de volgende drie eisen moet zijn voldaan:

(i) De sanctie moet gebaseerd zijn op een melding van het Openbaar Ministerie;

(ii) De aan [eisers c.s.] verweten gedragingen moeten in het kader van een evenement hebben plaatsgevonden;

(iii) [eisers c.s.] hebben een strafbaar feit begaan in de vorm van openlijke geweldpleging dan wel hebben zich zodanig gedragen dat zij daardoor het aanzien en/of het belang van het voetbal hebben geschaad.

4.4. Ten aanzien van de eerstgenoemde eis staat vast dat het opleggen van de stadionverboden is gebaseerd op een melding van het Openbaar Ministerie, nu dat blijkt uit de overgelegde stukken en [eisers c.s.] dat ook niet hebben weersproken.

4.5. Ten aanzien van de tweede eis, te weten het kader van een evenement, hebben [eisers c.s.] gesteld dat het hier niet (meer) ging om gedragingen die aan het voetbal waren gerelateerd. De gebeurtenissen in kwestie hebben daarvoor volgens hen te laat op de avond plaatsgevonden, terwijl het ook ging om een gewone kroeg en er geen sprake was van gedragingen van supporters van de ene club tegen supporters van de andere club.

4.6. Op dit punt is van belang dat het ging om cafébezoek na afloop van de voetbalwedstrijd, die [eisers c.s.] als supporters hadden bezocht. [eisers c.s.] waren speciaal voor die voetbalwedstrijd naar Eindhoven gekomen en hun cafébezoek vond plaats in de omgeving van het stadion, terwijl zij onderweg waren van het stadion naar de plaatsen waar zij hun auto’s hadden geparkeerd. Het enkele feit dat het inmiddels laat op de avond was geworden, is dan onvoldoende om te kunnen oordelen dat de gebeurtenissen niet meer in het kader van die voetbalwedstrijd hebben plaatsgevonden.

4.7. Ten aanzien van de derde eis genoemd onder 4.3, te weten het begaan van een strafbaar feit dan wel het schaden van het aanzien of belang van het voetbal, hebben [eisers c.s.] gemotiveerd gesteld dat zij het strafbare feit van openlijke geweldpleging niet hebben begaan.

4.8. Bij de beoordeling op dit punt moet worden vooropgesteld dat het hier gaat om een kort geding. Gelet op het voorlopige karakter van een oordeel in een kort geding moet bij de beoordeling de vraag worden beantwoord of voldoende aannemelijk te achten is dat de bodemrechter desgevraagd zal oordelen dat [eisers c.s.] zich niet schuldig hebben gemaakt aan de gedragingen die hun volgens de Aanzegging Stadionverbod verweten worden.

4.9. Voorshands valt niet voldoende aannemelijk te achten dat de bodemrechter in die zin zal oordelen. Daarvoor is het volgende van belang.

4.10. Volgens de Aanzeggingen Stadionverbod hebben [eisers c.s.] zich allen schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld dan wel aan het schaden van het aanzien en de belangen van het voetbal.

4.11. Zoals ook in de Aanzeggingen Stadionverbod is aangeduid, vormt volgens artikel 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht (Sr.) het openlijk plegen van geweld tegen personen een strafbaar feit. Naar [eisers c.s.] stellen, is inmiddels gebleken dat zij zich aan dat strafbare feit niet hebben schuldig gemaakt. Zij beroepen zich daarvoor op het feit dat de Rechter-Commissaris de vordering tot inbewaringstelling van [eisers c.s.] heeft afgewezen. Daarmee is volgens hen een eind gekomen aan hun status van verdachte, dat wil zeggen dat zij niet meer verdacht worden van het begaan van het strafbare feit in kwestie.

4.12. Dit standpunt kan niet worden aanvaard. Het gaat hier niet om een strafrechtelijke situatie, maar om een situatie waarin partijen in civielrechtelijke verhoudingen tot elkaar staan en waarop civielrechtelijke regels van toepassing zijn. Weliswaar geeft de formulering “… een strafbaar feit heeft begaan …” in artikel 10.2 Standaardvoorwaarden aanleiding om te denken dat het hier gaat om een strafrechtelijke norm waarbij naar strafrechtelijke maatstaven moet worden beoordeeld of het begaan van dat feit bewezen is en of de betrokkene strafbaar is, doch in de hier geldende civielrechtelijke situatie moet die formulering aldus begrepen worden dat het moet gaan om gedragingen die in het kader van het strafrecht strafbaar zouden zijn. Volgens de melding van het OM wordt aan [eisers c.s.] verweten dat zij in het openbaar slaande en schoppende bewegingen hebben gemaakt. Nu deze gedragingen onder het strafrecht, te weten volgens artikel 141 lid 1 Sr., strafbaar zouden zijn, betreft dat een “strafbaar feit” in de zin van artikel 10.2 Standaardvoorwaarden.

4.13. Aldus moet beoordeeld worden of [eisers c.s.] zich in civielrechtelijke zin aan de door de KNVB gestelde gedragingen hebben schuldig gemaakt.

4.14. [eisers c.s.] stellen zich op het standpunt dat zij zich niet op de door de KNVB gestelde wijze hebben gedragen. Naar zij stellen, zijn zij in het geheel niet op geweldadige wijze opgetreden, doch zijn zij, integendeel, juist het slachtoffer van gewelddadig optreden door anderen. De KNVB is weliswaar uitgegaan van de bevindingen in de processen-verbaal van de politie, doch die bevindingen zijn op een aantal punten onjuist of onvolledig, aldus [eisers c.s.]

4.15. Het gaat om het proces-verbaal van relaas met nummer 2010018883-22 van verbalisant [verbalisant 7] opgemaakt op 7 februari 2010, het proces-verbaal van bevindingen met nummer 2010018883-2 van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], opgemaakt op 7 februari 2010, en het aanvullende proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2222 2010018883-28 van verbalisant [verbalisant 5], opgemaakt op 10 juni 2010. De door [eisers c.s.] gestelde en volgens hen onjuiste constateringen, met name de verkeerde plaats van arrestatie, komen in deze processen-verbaal niet voor. Wel wordt vermeld dat verbalisant [verbalisant 1] (met een verrekijker) en verbalisant [verbalisant 5] een groep van vijf mannen hebben geobserveerd en hebben geconstateerd dat deze mannen andere personen begonnen te slaan en te schoppen. Het uiterlijk van deze mannen voldeed aan een signalement van ADO-supporters dat de agenten hadden doorgekregen naar aanleiding van een melding na een vechtpartij eerder die avond. Verbalisant [verbalisant 7] verklaart in proces-verbaal nr. 2010018883-22 dat op aanwijzing van verbalisant [verbalisant 5] drie personen uit de groep van ADO-supporters, te weten [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiser sub 1] die vervolgens nader zijn vermeld, zijn aangehouden omdat [verbalisant 5] had gezien dat zij zich schuldig maakten aan openlijk geweld tegen personen. [verbalisant 5] meldt dat hij zijn diensthond heeft ingezet op de verdachten [eiser sub 2] en [eiser sub 3] om het geweld te doen stoppen. Verbalisant [verbalisant 1] meldt dat hij de wapenstok heeft ingezet tegen de verdachte [eiser sub 2]. Verbalisant [verbalisant 5] meldt bovendien dat hij heeft gezien dat [eiser sub 1] meerdere personen heeft geslagen en getrapt voordat hij – bij aankomst van de politie – wegliep en in een zwarte auto ging zitten. Voor zover [eisers c.s.] hebben gewezen op de constatering dat de situatie onoverzichtelijk was en de afzonderlijke strafbare gedragingen voor de agenten niet te zien waren, valt uit het geheel van de bevindingen te begrijpen dat die constatering betrekking had op een iets later tijdstip dan dat waarop de gedragingen van de genoemde groep van vijf mannen werden waargenomen. De vechtpartij was toen reeds geëscaleerd, terwijl de gedragingen van de vijf mannen het begin van die vechtpartij vormden.

4.16. Van deze bevindingen van de agenten moet thans worden uitgegaan, nu deze op ambtseed dan wel op ambtsbelofte zijn opgemaakt en er in dit kort geding geen plaats is voor nader onderzoek. Naar voorlopig oordeel geven deze bevindingen voldoende grond om aan te nemen dat de rechter in een eventuele bodemprocedure zal oordelen dat [eisers c.s.] in het openbaar geweld tegen anderen hebben gebruikt en zich daarmee hebben gedragen op een wijze die volgens het strafrecht strafbaar zou zijn, zodat zij een “strafbaar feit” in de zin van artikel 10.2 Standaardvoorwaarden hebben begaan. Aan het voorgaande kan niet afdoen de beslissing van de Rechter-Commissaris tot afwijzen van de vordering tot inbewaringstelling, nu uit dat enkele feit niet volgt dat [eisers c.s.] zich niet aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt.

4.17. Nu uit het voorgaande volgt dat voldaan is aan de drie voorwaarden genoemd onder 4.3 en de vordering derhalve niet of onvoldoende gegrond is, zal deze worden afgewezen.

4.18. [eisers c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van de KNVB worden begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat -- 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af;

5.2. veroordeelt [eisers c.s.] in de proceskosten, aan de zijden van de KNVB tot op heden begroot op EUR 1.079,00;

5.3. verklaart dit vonnis wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Slootweg en is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.