Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1022

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-10-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
16/440479-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440479-10 [P]

vonnis van de meervoudige economische kamer d.d. 18 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[bedrijf 1]

gevestigd te [adres], [woonplaats]

raadsvrouw mr. D.A. Wahid-Manusama, advocaat te Rotterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

primair in strijd heeft gehandeld met voorschriften uit de Arbeidsomstandighedenwet, subsidiair schuld heeft aan de dood van [slachtoffer], doordat tijdens het uitvoeren van werkzaamheden voor verdachte, een prefab wand is omgevallen waarbij deze [slachtoffer] letsel heeft opgelopen waaraan hij is overleden.

3 De voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding.

Inrichting arbeidsplaats (artikel 3.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit)

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging de dagvaarding nietig is nu deze niet nader is gespecificeerd. Enkel het begrip “arbeidsplaats” is feitelijk omschreven. In de dagvaarding is onvoldoende feitelijk omschreven waarom de inrichting van de arbeidsplaats gevaar voor de veiligheid of de gezondheid oplevert en wat verdachte wordt verweten. Derhalve is niet voldaan aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering met als gevolg dat de dagvaarding ten aanzien van dit deel van het ten laste gelegde feit nietig is.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte schuldig is aan het primair tenlastegelegde en baseert zich daarbij op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft vrijspraak bepleit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Partiële vrijspraak

Verplichtingen werkgever en draagkracht schoren (artikelen 2.35, eerste lid, onder a en i, en 3.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in strijd met deze artikelen heeft gehandeld en zij zal hiervan worden vrijgesproken. Gelet op de conclusie van de Arbeidsinspectie over de oorzaak van het ongeval is de rechtbank niet tot de overtuiging gekomen dat de onduidelijkheid over de uitharding van het beton heeft geleid tot levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid.

Om die reden is niet bewezen hetgeen in de tenlastelegging is vermeld achter artikel 2.35, eerste lid, onder a en i, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Met betrekking tot hetgeen in de tenlastelegging is vermeld achter artikel 3.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet als pleger van de betreffende gedraging kan worden beschouwd.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde, voor zover het niet betreft dat deel waarvan hiervoor is geoordeeld dat de dagvaarding nietig is en dat verdachte daarvan wordt vrijgesproken, wettig en overtuigend bewezen, gelet op het navolgende.

Vaststaande feiten

Op 25 februari 2010 heeft in Woerden een noodlottig ongeval plaatsgevonden. Op een bouwplaats aldaar is bij de uitvoering van een bouwproject een prefabwand van 12 ton omgevallen waarbij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) die op dat moment werkzaamheden op de bouwplaats verrichtte, om het leven gekomen.

Verdachte heeft ter uitvoering van het bouwproject [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) ingeschakeld voor (beton)-werkzaamheden ten aanzien van de fundering, de wandbekisting, de vloeren en het plaatsen van de prefab toppen/wanden. Voor het plaatsen van de prefabwanden heeft [bedrijf 2] de zzp-ers [slachtoffer] en [zzp-er] (hierna: [zzp-er]) ingehuurd.

Verdachte heeft de materialen geleverd zoals de ankers, bouten, ringen en trek/druk-schoren. De zzp-ers gebruikten hun eigen gereedschap.

Namens verdachte was [plaatsvervangend uitvoerder] (hierna: [plaatsvervangend uitvoerder]) op de dag van het ongeval op de bouwplaats verantwoordelijk uitvoerder omdat [verantwoordelijk uitvoerder] (hierna: [verantwoordelijk uitvoerder]) met vakantie was. [verantwoordelijk uitvoerder] was normaliter uitvoerder bij verdachte en verantwoordelijk voor de dagelijkse leiding.

Namens [bedrijf 2] was [toezichthouder] (hierna: [toezichthouder]) aangesteld voor het houden van toezicht op het plaatsen van de toppen.

Werkgever (artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet)

[bedrijf 2] heeft [slachtoffer] ingeleend als zzp-er, zodat [bedrijf 2] is aan te merken als werkgever ex artikel 1, eerste lid, onder a, 2e van de Arbeidsomstandighedenwet.

Verdachte had de dagelijkse leiding ([verantwoordelijk uitvoerder]/[plaatsvervangend uitvoerder]) op de bouwplaats en is eveneens aan te merken als werkgever in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, 1e van de Arbeidsomstandighedenwet. [verantwoordelijk uitvoerder] heeft met [plaatsvervangend uitvoerder] de montage van de toppen doorgesproken en de materialen klaargezet. [verantwoordelijk uitvoerder] heeft enkele weken voor het ongeval het werk dat op dat moment werd uitgevoerd - het plaatsen van de wandkist door [bedrijf 2] - stilgelegd in verband met de veiligheid. Verdachte had derhalve een doorslaggevende invloed op het werk waardoor zij feitelijk werkgever was. Zij had de bevoegdheid om [bedrijf 2] (en de door haar ingeleende arbeidskrachten) aan te sturen, waardoor er sprake was van een gezagsrelatie. De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachte zowel voorafgaand als tijdens de werkzaamheden gezag uitoefende over de werkzaamheden en over de daar werkzame personen.

Vloeranker

De Arbeidsinspectie heeft na het ongeval ter plaatse geconstateerd dat één van de M12-ankers (waarmee de wand aan de vloer was bevestigd) uit de betonvloer is getrokken. [verantwoordelijk uitvoerder] heeft verklaard dat het anker in de vloer niet was berekend en dat er geen overleg is geweest over de M12-verankering.

[technisch adviseur], technisch adviseur ten aanzien van het gebruik van verankeringen bij [bedrijf 3], heeft verklaard dat beton 5 dagen na de stort (zoals hier het geval was) voor hem vers beton is en dat dan een M12-anker een verkeerd anker is. Ook is het volgens hem heel belangrijk dat het anker wordt aangedraaid met een momentsleutel. Uit de verklaring van [toezichthouder] volgt dat zij hiervoor nooit een momentsleutel gebruikten.

Werkwijze plaatsen wand

[toezichthouder] heeft verklaard dat de procedures van het stellen en het nastellen van de betonnen muren niet op schrift staan.

Het te lood zetten van de wand gebeurt nadat de hijshaak van de kraan van de wand is losgemaakt. Zijn baas, [bedrijf 2], heeft nooit met hem besproken dat de wand niet meer te lood kan worden gesteld als hij niet meer aan de kraan is bevestigd.

Het was [zzp-er] niet bekend dat de werkwijze van het plaatsen van de prefabwanden zou moeten zijn: de prefabwand plaatsen over de stekken, één schoor plaatsen, de wand te lood stellen, tweede schoor plaatsen en dan pas de ketting van de wand verwijderen, Dit had de leidinggevende op de werkplek volgens hem moeten aangeven. [zzp-er] was degene die samen met [slachtoffer] de toppen daadwerkelijk plaatste.

Op de dag van het ongeval ging de hijskraan weg, omdat er een andere wand verkeerd geplaatst was. [zzp-er] heeft vervolgens zijn waterpas tegen de muur geplaatst en zag de muur bewegen en omvallen. Doordat de wand was omgevallen, kon hij hem niet meer te lood stellen, wat hij wel van plan was op dat moment.

Oorzaken ongeval

De Arbeidsinspectie is ten aanzien van het ongeval tot de volgende conclusies gekomen. De rechtbank neemt deze conclusies over.

1. Het ongeval had voorkomen kunnen worden als voor het vloeranker een ander ankertype zou zijn toegepast dat geschikt was voor toepassing in gescheurd beton en men bovendien het vloeranker goed gemonteerd had.

2. Het ongeval had vrijwel zeker voorkomen kunnen worden als het plaatsen van de wand met de hijskraan had plaatsgevonden volgens de gangbare veilige werkwijze. De wand positioneren met een deel van het gewicht nog in de kraan, daarna het volledige gewicht op de ondersteuning (de stelplaten) laten rusten met de hijskettingen nog aangeslagen en bijna strak, waarbij de wand als deze niet geheel in het lood komt te staan met de schoren te lood gesteld wordt. Correct gekozen/berekende ankers die goed gemonteerd zijn, zouden (voorzienbare) afwijkingen kunnen opvangen.

Taken coördinator uitvoeringsfase (artikel 2.33, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit)

Ter zitting is door [A] verklaard dat de uitvoerder van de hoofdaannemer een coördinerende rol heeft. [plaatsvervangend uitvoerder] was namens verdachte de coördinator voor de uitvoeringsfase. Uit hetgeen hiervoor onder “Vloeranker” en “Werkwijze plaatsen wand” is weergegeven volgt dat de voorlichting op de bouwplaats niet was gecoördineerd. Niet is immers gesproken over de wijze van monteren van de ankers (het gebruik van een momentsleutel). Ook is niet gesproken over de werkwijze van het plaatsen van de prefabwanden. Dit lag op de weg van verdachte, te meer nu zij de materialen heeft geleverd.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in strijd met dit artikel heeft gehandeld.

Voorkomen gevaar (artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit)

Het ongeluk had voorkomen kunnen worden door het gebruik van een ander (vloer)ankertype. De ankers zijn door verdachte geleverd waardoor wettig en overtuigend is bewezen dat in strijd met dit artikel is gehandeld. Ten aanzien van het overige onder dit gedachtestreepje tenlastegelegde zal verdachte worden vrijgesproken nu het daadwerkelijke plaatsen van de ankers en het ter beschikkingstellen van het gereedschap niet kan worden beschouwd als een gedraging van verdachte, maar van [bedrijf 2]/de zzp-ers. Ten aanzien van het tenlastegelegde inzake de gebruikte schoren en de controle van het beton zal tevens vrijspraak volgen. De rechtbank acht daarvoor van belang dat de Arbeidsinspectie het ongeval wijt aan het verkeerd gekozen/gemonteerde vloeranker en de gehanteerde werkwijze van het plaatsen van de wanden.

Geschiktheid arbeidsmiddelen (artikel 7.3, tweede en vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit)

Ingevolge artikel 1, derde lid, onder h, van de Arbeidsomstandighedenwet zijn arbeidsmiddelen alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen. Verdachte heeft (met uitzondering van het gereedschap) de arbeidsmiddelen op de arbeidsplaats ter beschikking gesteld. Zij heeft het verkeerde vloeranker geleverd zonder na te gaan of dit voor de te verrichten werkzaamheden het juiste anker was. Het anker in de vloer was niet berekend en er is geen overleg geweest over de M12-verankeringen. Bovendien is nagelaten te bepalen of de ankers op de juiste wijze werden gebruikt (door middel van een momentsleutel). Wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte in strijd heeft gehandeld met dit artikel. Ten aanzien van hetgeen onder dit gedachtestreepje ten laste is gelegd met betrekking tot de gebruikte schoren en de controle van het beton verwijst de rechtbank naar het hetgeen zij heeft overwogen onder “Voorkomen gevaar (artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit)”, dat hier als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Nu het gereedschap door de zzp-ers werd meegebracht, zal ook voor dit deel vrijspraak volgen.

Schriftelijk vastleggen wijze samenwerking werkgevers (artikel 19, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet)

Deze bepaling heeft betrekking op afspraken die het totaal van de werkzaamheden betreffen voor de werkzaamheden aanvangen en heeft tot doel te bewerkstelligen dat op goede wijze onderling wordt samengewerkt. Dit is hier niet gebeurd. Er heeft tussen verdachte en [bedrijf 2]/de zzp-ers voor de werkzaamheden zouden beginnen onvoldoende (schriftelijke) afstemming plaatsgevonden omtrent de werkwijze voor het veilig plaatsen van de wanden.

Verdachte heeft zich te passief opgesteld door er vanuit te gaan dat de werkwijze voor het plaatsen van de wanden bij [bedrijf 2]/de zzp-ers bekend was en dat zij hiervan mocht uitgaan omdat zij het werk uitbesteed had. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat is gehandeld in strijd met dit artikel.

Gelet op de omvang en het gewicht van de prefabwanden, moest verdachte naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs weten dat bij het niet naleven van de hiervoor weergegeven bepalingen levensgevaar of ernstige gezondheidsschade voor de werknemers te verwachten was. Op grond van bovenstaande heeft verdachte niet voldaan aan de algemene zorgplicht neergelegd in artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 25 februari 2008 te Woerden, als werkgeefster als bedoeld in artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, handelingen heeft verricht of heeft nagelaten in strijd met voornoemde wet of de daarop rustende bepalingen, aangezien zij toen en aldaar door een of meer van haar werknemers arbeid deed verrichten als bedoeld in artikel 1, derde lid, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 aan een arbeidsmiddel in de zin van artikel 1, derde lid, onder h, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998, bestaande die arbeid uit het plaatsen van prefab wanden, terwijl zij

- in strijd met artikel 2.33, onder b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, geen zodanige maatregelen heeft genomen dat de coördinator voor de uitvoeringsfase de taken zoals bedoeld in artikel 2.31, onder a, van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar behoren uitoefent waardoor onder meer de voorlichting van werknemers op de bouwplaats niet is gecoördineerd waarbij er onder andere niet is gesproken over hoe de ankers verwerkt dienen te worden en over de manier waarop pre-fab wanden met behulp van een hijskraan geplaatst moet worden en

- in strijd met artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bij de hiervoor genoemde werkzaamheden het gevaar te worden getroffen en geraakt door voorwerpen en het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen niet heeft voorkomen en indien dat niet mogelijk was zoveel mogelijk heeft beperkt door onjuiste/verkeerde ankers te (laten) gebruiken en

- in strijd met artikel 7.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit niet heeft voorkomen dat het gebruik van arbeidsmiddelen gevaren opleverde voor de veiligheid en de gezondheid van werknemers omdat de arbeidsmiddelen die op de arbeidsplaats ter beschikking van de werknemers waren gesteld niet uitsluitend waren gebruikt voor het doel en op de wijze en op de plaats waarvoor zij zijn ingericht en bestemd, door onjuiste/verkeerde ankers te (laten) gebruiken en

- in strijd met artikel 7.3, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit tijdens/bij het plaatsen van de prefab wand geen zodanige maatregelen heeft getroffen dat de gevaren bij het gebruik van het arbeidsmiddel zoveel mogelijk werden voorkomen door na te laten te bepalen of de juiste ankers werden gebruikt op de juiste wijze en

- in strijd met artikel 19, tweede lid, van de Arbeidsomstandighedenwet er niet voor heeft gezorgd dat er schriftelijk is vastgelegd op welke wijze door werknemers van verschillende werkgevers die op de bouwplaats arbeid verrichten zal worden samengewerkt en welke voorzieningen daarbij zullen worden getroffen en op welke wijze op die voorzieningen toezicht zal worden uitgeoefend,

terwijl zij wist of redelijkerwijs moest weten, dat daardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van voornoemde werknemers ontstond of te verwachten was.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 10.000,00.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en met de (bedrijfseconomische) omstandigheden van verdachte. Ook heeft de rechtbank rekening gehouden met de straf die aan [bedrijf 2] is opgelegd.

Verdachte heeft door haar nalatigheid een onveilige bouwplaats laten ontstaan op de wijze als in de bewezenverklaring is omschreven. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in het noodlottige ongeval waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen. Verdachte had de verplichting om de omstandigheden op de bouwplaats zo veilig mogelijk te maken. Niet alleen haar eigen werknemers, maar ook de onder haar gezag werkzame arbeidskrachten moesten er -naast de verantwoordelijkheid van de onderaannemer op het gebied van veiligheid- op kunnen vertrouwen dat in alle omstandigheden voldoende maatregelen waren genomen om hun veiligheid en welzijn in verband met de arbeid te waarborgen. Hoewel het verdachte niet ontslaat van haar eigen verantwoordelijkheid heeft de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf in het voordeel van verdachte meegewogen dat zij met [bedrijf 2] een VCA-gecertificeerd bedrijf heeft ingeschakeld en dat zij van haar deskundigheid mocht verwachten.

Hiermee samenhangend houdt de rechtbank rekening met het feit dat het merendeel van de verwijten is toe te rekenen aan [bedrijf 2], waardoor de straf voor verdachte lager zal uitvallen. Ten slotte is meegewogen dat verdachte blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 28 september 2010 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegend wordt de na te noemen geldboete passend en geboden geacht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 23, 24, 51 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 19 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, de artikelen 2.33, 3.17, 3.31 en 7.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Geldigheid van de dagvaarding

- verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het ten laste gelegde handelen in strijd met artikel 3.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het ten laste gelegde handelen in strijd met de artikelen 2.35, eerste lid, onder a en i, en 3.31, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 8.000,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 oktober 2010.

Mr. Fung Fen Chung is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.