Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO1007

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-10-2010
Datum publicatie
19-10-2010
Zaaknummer
09/244 R
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling, informatieplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer: 09/244 R

uitspraakdatum: 18 oktober 2010

uitspraak op grond van artikel 350 lid 3 van de Faillissementswet

(“tussentijdse beëindiging schuldsanering”)

enkelvoudige kamer

Bij vonnis van deze kamer van 29 september 2009 is de schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:

[schuldenaar],

geboren op [1969] te [woonplaats],

wonende [adres] [woonplaats],

hierna te noemen: de schuldenaar.

De bewindvoerder, mr. D.J. Bos, heeft verzocht om de toepassing van de schuldsanering te beëindigen. De schuldenaar en de bewindvoerder zijn opgeroepen ten einde te worden gehoord ter terechtzitting van 11 oktober 2010. Op deze terechtzitting zijn verschenen de schuldenaar en de waarnemend bewindvoerder, mevrouw mr. S.E. Sprenger.

Als grond voor de beëindiging is aangevoerd dat de schuldenaar niet aan zijn informatieplicht voldoet. In het verslag van 4 mei 2010 heeft de bewindvoerder vermeld dat uit de bankafschriften naar voren is gekomen dat de schuldenaar goederen op het internet verkocht heeft, voor een totaalbedrag van € 1.741,55. De schuldenaar heeft hierover desgevraagd schriftelijk verklaard dat het merendeel van de verkochte goederen (voornamelijk ski-benodigdheden) van een vriend van de schuldenaar was. De schuldenaar wilde deze vriend, die niet over een bankrekening beschikte, helpen, door de zaken voor hem te verkopen. De opbrengst van het geheel heeft de schuldenaar contant aan deze vriend betaald. Deze vriend, de heer [X], heeft het verhaal van de schuldenaar schriftelijk bevestigd. Een klein gedeelte van de opbrengst bestond uit de verkoopopbrengst van kleding van de schuldenaar en zijn kinderen. De bewindvoerder trekt (een gedeelte van) de verklaring van de schuldenaar in twijfel, nu de schuldenaar eerder telefonisch heeft verklaard vroeger in weelde te hebben geleefd. De bewindvoerder heeft de schuldenaar bij brief van 6 mei 2010 gesommeerd om de verkoopopbrengst vóór 1 juni 2010 aan de boedel over te maken. Dit is niet gebeurd.

Ter terechtzitting heeft de schuldenaar ten aanzien van het bovenstaande verklaard dat hij niet wist dat hij melding diende te maken van de verkregen verkoopopbrengst aan de bewindvoerder. De schuldenaar is wegens ziekte 80 kilogram aangekomen en vervolgens weer afgevallen. Hij heeft verklaard zijn inmiddels te grote kleding te hebben verkocht en van de opbrengst nieuwe kleding te hebben gekocht. Omdat hij een groot gedeelte van de opbrengst aan zijn vriend heeft afgestaan, is de schuldenaar in zijn ogen niet gehouden het volledige bedrag aan de boedel af te dragen. De schuldenaar heeft echter wel aangeboden het volledige bedrag te betalen, omdat zijn moeder dit bedrag hiervoor beschikbaar heeft gesteld.

Ter terechtzitting heeft de bewindvoerder medegedeeld dat via de postblokkade een brief van de politie aan de schuldenaar is onderschept, waaruit blijkt dat de schuldenaar is verzocht om als verdachte te verschijnen wegens oplichting, gepleegd in april 2010. De schuldenaar heeft hierop ter terechtzitting uitleg gegeven over deze kwestie. De schuldenaar had kaartjes gekocht voor een pretpark via internet en heeft deze vervolgens opnieuw verkocht. De kaartjes werden hem door een onbekende op een station geleverd. Achteraf bleken de kaarten vals, dan wel niet langer geldig te zijn. De schuldenaar heeft het bedrag waarvoor hij de kaarten verkocht had van de politie terug moeten betalen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht leidt de rechtbank af dat onvoldoende voldaan is aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht. Los van de vraag of de verklaring van de schuldenaar met betrekking tot de verkochte goederen klopt of niet, staat vast dat de schuldenaar de bewindvoerder hierover op eigen initiatief had moeten informeren in plaats van desgevraagd achteraf. De schuldenaar is voldoende op zijn informatieplicht gewezen door de bewindvoerder. Nu de schuldenaar reeds twee keer de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd over relevante zaken, en hij daarnaast gedurende een periode van ruim vijf maanden heeft geweigerd de verkoopopbrengsten aan de boedel over te maken, is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanleiding bestaat om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 sub c en e van de Faillissementswet. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat de verklaringen van de schuldenaar weinig consistent zijn. Zo verschilt de ter zitting gegeven lezing over de kledingverkoop aanmerkelijk van de eerder aan de bewindvoerder gegeven telefonische uitleg. De lezing van de schuldenaar dat hij eerst kaartjes voor De Efteling kocht om vervolgens te constateren dat de gang naar dat pretpark bij nader inzien te duur was, waarna hij de kaartjes weer verkocht, alles zonder dat hij wist dat die kaartjes niet geldig waren, vindt de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

Nu niet is gebleken dat er voldoende baten zijn om naast het salaris van de bewindvoerder en het salaris van een eventueel te benoemen curator vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen, blijft verificatie van de vorderingen, alsmede het opmaken van de uitdelingslijst, achterwege en eindigt de schuldsanering één maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

Beslissing

De rechtbank:

beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling met ingang van één maand na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis;

stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op € 617,50 exclusief btw, waarin begrepen hetgeen reeds bij voorschot is toegekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op

18 oktober 2010.