Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0859

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
16/600289-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel? Bejaarde vrouw verricht jarenlang zonder dat daar een vergoeding tegenover staat werkzaamheden in een gezin. Naar het oordeel van de rechtbank is er onvoldoende bewijs voor een veroordeling wegens mensenhandel. Hiervoor is namelijk (onder meer) vereist dat iemand gedwongen wordt om bepaalde werkzaamheden te verrichten of daartoe wordt bewogen en daarvan was volgens de rechtbank geen sprake. De bejaarde vrouw sprak hierbij wel van dwang en druk, maar gaf niet aan op welke wijze de verdachte druk uitoefende, anders dan dat de situatie maakte dat ze de gegeven hulp moest bieden en de verdachte daar een appel op deed. De rechtbank veroordeelt verdachte wegens mishandeling tot een geldboete van 500 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600289-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsvrouw mr. M. Grinwis-Veldman, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 oktober 2010, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel dan wel dat zij [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) meermalen heeft mishandeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel en uitbuiting. Zij voert aan dat verdachte door dwang, door geweld, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van de kwetsbare positie van [slachtoffer] haar heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank zowel ten aanzien van het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit niet tot een bewezenverklaring kan komen.

De raadsvrouw voert ten aanzien van het primair ten laste gelegde aan dat [slachtoffer] haar hulp in het gezin van verdachte zelf heeft aangeboden, dat zij zich vergaand met de werkzaamheden en de gang van zaken binnen het gezin is gaan bemoeien en dat het gegeven dat zij lange werkdagen maakte te wijten was aan haar gebrek om zichzelf te begrenzen. De raadsvrouw voert aan dat er geen sprake is geweest van druk of dwang van de zijde van verdachte, maar dat verdachte zich heeft laten domineren door [slachtoffer] met als gevolg dat er een maatschappelijk ongewenst geachte situatie is ontstaan.

Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde, mishandeling, voert de raadsvrouw aan dat over en weer sprake was van mishandeling. De getuigenverklaringen spreken elkaar op dit punt bovendien tegen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 De aanleiding

Op 2 maart 2009 doet de heer [bewindvoerder], bewindvoerder van de op dat moment 77-jarige [slachtoffer], aangifte van uitbuiting van deze [slachtoffer] door verdachte. Hij verklaart dat [slachtoffer] sinds een jaar of tien bij de familie [A] werkt, dat zij daar werkdagen maakt van 7.30 uur ’s ochtends tot 22.00 uur ’s avonds, en dat zij alleen op zaterdag- en zondagochtend vrij is. [slachtoffer] doet daar huishoudelijke werkzaamheden, ze verzorgt de kinderen van verdachte en van de kinderopvang in het huis van verdachte, ze geeft verdachtes kinderen huiswerkbegeleiding, verzorgt de dementerende man van verdachte en neemt hem zelfs mee naar huis, terwijl zij geen financiële vergoeding daarvoor krijgt. Op de momenten dat [slachtoffer] wel een vergoeding krijgt, geeft ze deze vergoeding weer terug aan verdachte en daarnaast betaalt ze mee aan de kosten van boodschappen en andere dingen die nodig zijn in het gezin. Aangever verklaart dat verdachte misbruik maakt van de goedheid en de hulpvaardige instelling van [slachtoffer], zowel wat betreft het verrichten van de werkzaamheden als op financieel gebied.

Verdachte bevestigt dat [slachtoffer] in verdachtes woning in [woonplaats] deze werkzaamheden heeft verricht gedurende de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 maart 2009.

Verdachte verklaart dat [slachtoffer] vijf tot zes dagen per week bij haar werkte en dat zij in de weekenden een halve dag werkte. Verdachte bevestigt dat [slachtoffer] met haar werkdag begon tussen 7.00 uur en 8.00 uur en dat zij ’s avonds pas om 23.00 uur naar huis ging.

4.3.2 De verhouding tussen verdachte en [slachtoffer]

Verdachte verklaart verder dat [slachtoffer] zichzelf als hulp heeft aangeboden en dat zij deze hulp weliswaar goed kon gebruiken en ook heeft geaccepteerd, maar dat [slachtoffer] zich intensiever dan gewenst in het gezinsleven indrong. Dat [slachtoffer] zulke lange werkdagen maakte was dan ook niet omdat zij, verdachte, haar de werkzaamheden opdroeg, maar omdat [slachtoffer] zelf niet eerder wilde stoppen met werken. Verdachte verklaart dat zij [slachtoffer] meermalen heeft gevraagd om eerder naar huis te gaan, dat zij heeft overwogen om de kinderopvang aan huis te staken en om extra hulp in te schakelen, maar dat [slachtoffer] zelf weigerde te vertrekken wanneer het werk nog niet af was en niets wilde weten van het stopzetten van kinderopvang of het inschakelen van extra hulp.

Uit het dossier blijkt voorts dat de werktijden van [slachtoffer] onderwerp van gesprek of ruzie was tussen verdachte en van [slachtoffer]. Zo verklaart [slachtoffer] dat zij van verdachte om 22.00 uur nog niet naar huis mocht en dat zij moest blijven, omdat het werk nog niet af was. Daarnaast bevinden zich in het dossier verklaringen van de overbuurvrouw van verdachte waaruit blijkt dat verdachte en [slachtoffer] ruzie maakten over de werktijden en de te verrichten werkzaamheden, de zoon van verdachte en de huisgenoot van verdachte, de heer[huisgenoot], die beiden melden dat [slachtoffer] druk ervoer om het werk dat gedaan moest worden ook te doen en een moeder die gedurende acht jaar gebruikmaakte van de kinderopvang van verdachte, die aangeeft dat zij met verdachte heeft gesproken over de werktijden van [slachtoffer] maar dat zowel verdachte als [slachtoffer] niet in staat waren daar verandering in aan te brengen.

Het dossier bevat voorts stukken waaruit blijkt dat er tussen verdachte en [slachtoffer] meerdere malen sprake is geweest van ruzies waarbij verdachte geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. [slachtoffer] verklaart dat verdachte haar enkele keren in de arm heeft geknepen en aan haar haren heeft getrokken. Ook is [slachtoffer] door verdachte regelmatig hardhandig vastgepakt. De verklaring van een zoon van verdachte bevestigt dit. Het kwam voor dat er werd geduwd en getrokken, het was geen slaande ruzie tussen verdachte en [slachtoffer], maar wel een beetje fysiek geweld, aldus deze zoon. Verdachte bekent dat zij [slachtoffer] wel eens heeft geknepen, aan haar haren heeft getrokken, geschopt en geslagen, maar geeft aan dat [slachtoffer] daarbij ook een aandeel heeft gehad.

4.3.3 De beoordeling

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Verdachte zal van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Onderhavige zaak is, mede gelet op de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] en de plaats van [slachtoffer] binnen het gezin [A], bijzonder van aard. De rechtbank stelt voorop dat zij zich kan voorstellen dat de situatie voor de heer [bewindvoerder] in 2009 reden was om aangifte te doen van uitbuiting van [slachtoffer] door verdachte. Nog afgezien van de leeftijd van [slachtoffer], zijn naar de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven dergelijk lange werkdagen gedurende vijf, zes dagen in de week maatschappelijk onaanvaardbaar, ook al zouden deze werkzaamheden op basis van vrijwilligheid door [slachtoffer] hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft jaren achtereen op deze wijze voor verdachte en haar gezin gewerkt. Verdachte heeft [slachtoffer] bij haar werkzaamheden en financiële bijstand niet of nauwelijks begrensd.

Ook het onder bewindstellen van [slachtoffer] heeft aan deze situatie geen einde kunnen maken. Dat pas door strafrechtelijk ingrijpen een einde is gemaakt aan deze maatschappelijk verwerpelijke situatie is dan ook goed en noodzakelijk. [slachtoffer] heeft zelf verklaard dat zij, hoewel zij zelf geen aangifte tegen verdachte heeft willen doen, achteraf blij is dat dit wel is gebeurd en zij zich bevrijd voelt .

[slachtoffer] wilde zorgen voor het gezin [A]. Dit heeft zij gedaan, zoals zij daarvoor ook bij een ander gezin heeft gedaan. Aan dat werk stelde zij hoge eisen, zowel aan zichzelf als aan haar omgeving. Gelet op het psychiatrisch onderzoek van psychiater F.R. Kruisdijk van 24 september 2010 naar de persoon van [slachtoffer], heeft [slachtoffer] weliswaar een zwakke plek voor zelfbegrenzing, maar is geen sprake van psychiatrische stoornissen noch van een persoonlijkheidsstoornis. [slachtoffer] wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Hoewel de ontstane situatie maatschappelijk gezien verwerpelijk is, is het feit dat verdachte geen begrenzing aan de werkzaamheden van [slachtoffer] heeft gegeven – hetgeen wel op haar weg had gelegen – naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te oordelen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten in de zin van artikel 273f lid 1 aanhef, sub 4º van het Wetboek van strafrecht.

Dat er van de omstandigheden waarin (het gezin van) verdachte zich bevond een sterk appel op [slachtoffer] uitging om verdachte op allerlei manieren te helpen blijkt uit zowel de verklaringen van [slachtoffer] als die van verdachte. De overtuiging van [slachtoffer] dat zij de geboden hulp moest bieden en dat zij naar haar eigen norm bepaalde wat er moest gebeuren en wanneer het werk klaar was, maakte de situatie complex. Uit het dossier blijkt wel dat verdachte en [slachtoffer] woordenwisselingen hadden over het werk en de werktijden maar deze verklaringen bevatten onvoldoende feitelijkheden op basis waarvan kan worden geoordeeld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het telastegelegde feit. Alleen de overbuurvrouw heeft gedurende een zomer ruzies gehoord maar wat precies gezegd is blijkt niet uit deze verklaringen. [slachtoffer] zelf spreekt wel van dwang en druk maar geeft niet aan op welke wijze verdachte dwang uitoefende anders dan dat de situatie maakte dat ze de gegeven hulp moest bieden en verdachte daar een appel op deed.

Ook het toegepaste geweld leidt in dat verband niet tot een ander oordeel. Uit de verklaringen van zowel verdachte als [slachtoffer] blijkt dat over en weer het geweld werd toegepast in een situatie van uit de hand gelopen ruzies. Uit geen van de verklaringen blijkt dat het geweld werd toegepast met als doel om [slachtoffer] te dwingen of te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten. Het feit dat [slachtoffer] voor haar werkzaamheden geen vergoeding ontving en bovendien de kosten van de boodschappen voor het gezin en andere benodigdheden op zich nam, beruste volgens verdachte en [slachtoffer] op een vrijwillige afspraak tussen beiden. Ook hierin ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat verdachte [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen tot het verrichten van arbeid of diensten.

De rechtbank zal verdachte derhalve van het primair ten laste gestelde vrijspreken.

De rechtbank acht mishandeling, dat subsidiair ten laste is gelegd, wel wettig en overtuigend bewezen op grond van de in 4.3.2. genoemde bewijsmiddelen. Dat verdachte en [slachtoffer] wederzijds geweld hebben gebruikt, doet hieraan niet af.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 maart 2003

tot en met 17 maart 2009 te [woonplaats] opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen bij de arm heeft gepakt en/of in de arm van die [slachtoffer] heeft geknepen en aan de haren van die [slachtoffer] heeft getrokken en heeft geslagen en geschopt tegen het

lichaam van die [slachtoffer] en die [slachtoffer] heeft geduwd, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Subsidiair: mishandeling, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uur.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat geen straf moet worden opgelegd aan de verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De eis van de officier van justitie is uitsluitend gericht op mensenhandel en uitbuiting, het primair ten laste gelegde. Deze eis is in dat verband alleszins te begrijpen. Nu echter uitsluitend mishandeling, meermalen gepleegd, bewezen is verklaard, zal de rechtbank van deze eis in substantiële zin ten gunste van verdachte afwijken.

De rechtbank heeft gelet op een de persoon van verdachte betreffend psychiatrisch onderzoek van J.A.M. du Mortier onder supervisie van E.A.M. Schouten van 9 juni 2009. Deze deskundige acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank passend en geboden een geldboete van € 500,= (vijfhonderd euro) of vervangende hechtenis van twintig (20) dagen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikelen 9, 23, 24, 24c, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: mishandeling, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 500,= (vijfhonderd euro);

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van twintig (20) dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. I.J.B. Corbey en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 oktober 2010.

Mr. Fung Fen Chung is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.