Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0788

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
16-711304-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor een poging tot diefstal met geweld in vereniging. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een dermate nauwe en bewuste samenwerking bij de voorbereiding en het uitvoering van het plan voor de overval. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711304-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. E. Olof, advocaat te Zeist.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 september 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak van verdachte is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken van medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Hierna zullen verdachte en zijn medeverdachten worden aangeduid als [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 1] met geweld te beroven en/of af te persen.

Subsidiair: behulpzaam is geweest aan de afpersing en/of beroving van [slachtoffer 1] door het verschaffen van inlichtingen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op het volgende.

De aangifte van [slachtoffer 1] waarbij de officier van justitie opmerkt dat hij geen enkele reden heeft om aan de inhoud hiervan te twijfelen, nu belangrijke onderdelen hiervan door andere bewijsmiddelen worden ondersteund. De door het slachtoffer opgegeven signalementen komen overeen met die van de aangehouden verdachten. In de woning van aangever zijn aan aantal spullen aangetroffen die door de verdachten zijn achtergelaten. Deze zijn op sporen onderzocht. Hieruit blijkt dat de [bedrijf]-pakketbon kan worden teruggevoerd op [medeverdachte 3]. Aan de binnenkant van de pakketdoos is een vingerafdruk gevonden, welke is terug te leiden tot [medeverdachte 2]. Op de panty wordt DNA aangetroffen dat via een mengprofiel is terug te voeren naar [medeverdachte 2]. Verder baseert de officier van justitie zich op de deels bekennende verklaringen van de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [verdachte].

De officier van justitie is van mening dat [medeverdachte 3] gezien moet worden als intellectueel dader en feitelijk uitvoerder, [medeverdachte 2] als feitelijk uitvoerder, [medeverdachte 1] als intellectueel dader en chauffeur en [verdachte] als intellectueel dader en leverancier van cruciale informatie. Er is geen reden om onderscheid te maken in de rollen van de verschillende verdachten. Alle verdachten hebben in bewuste en nauwe samenwerking gewerkt aan de voltooiing van een vooraf bedachte overval, waardoor er bij alle verdachten sprake is van medeplegen van diefstal met geweld.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

[verdachte] en [medeverdachte 3] hebben onder invloed van drank plannen beraamd om geld te halen bij het slachtoffer. De plannen om geld te halen bij het slachtoffer waren in eerste instantie niet serieus maar werden gaandeweg meer serieus. Op dat moment is een grens overschreden. [verdachte] heeft niet meegedacht over de wijze waarop de overval plaats zou vinden en zou worden uitgevoerd en hij was ook niet aanwezig ten tijde van de overval. Hij is naar de parkeerplaats in IJsselstein gereden op de ochtend van de overval, maar om duidelijk te stellen dat hij niet meer mee wilde doen en er niets mee te maken wilde hebben. Hij heeft zich derhalve onttrokken aan wat hij voorzag dat er ging gebeuren. De medeverdachten, behalve [medeverdachte 3], zeggen dat hij op hen zou wachten op de parkeerplaats. Dit is niet gebeurd. [verdachte] heeft afstand genomen en is naar zijn werk gereden.

De verdediging is het oneens met de conclusie van de officier van justitie dat [verdachte] intellectueel dader is omdat hij cruciale informatie zou hebben verschaft. Het is bekend dat in de Hindoestaanse gemeenschap flink gespaard wordt voor bijzondere gelegenheden. Tevens was bekend dat het slachtoffer, althans zijn broer, veel geld verdiende met de verkoop van valse merkkleding. Ook het adres van het slachtoffer was reeds bekend en dat hij alleen thuis was omdat de familie op vakantie was. [verdachte] heeft alleen een sms gestuurd met tijdstippen. De verdediging verzoekt om verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. [verdachte] heeft wel de informatie verschaft. Deze informatie was echter niet dermate cruciaal dat de overval niet zonder die informatie plaats had kunnen vinden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een poging tot diefstal met geweld in vereniging heeft begaan. De rechtbank grondt haar overtuiging daartoe op de volgende feiten en omstandigheden.

[medeverdachte 3] en [verdachte] hebben met elkaar al vaker gesproken over het feit dat de broers [betrokkene 1] en [slachtoffer 1] geld in huis hebben. [verdachte] wilde wel een graantje meepikken en heeft informatie gegeven aan [medeverdachte 3] over de vindplaats van het geld en het tijdstip waarop de overval het best zou kunnen plaatsvinden. Op 22 mei 2010 stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [medeverdachte 3] met de volgende inhoud: “hij is thuis altijd rond 2300 uur. Vandaag en morgen. Kan nu niet bellen.. Lig naast [naam]… Die is nog wakker…Sms kan wel.” Op 23 mei 2010 stuurt [verdachte] wederom een sms-bericht aan [medeverdachte 3] met als inhoud: “3 opties. Vanavond na 2300 uur. Morgenochtend 0900-1100 uur. Of morgenavond na 2300 uur. Vrijdag komende de anderen terug. Laatste kans is donderdag na 2300 uur.” Op zondagavond 23 mei 2010 was [medeverdachte 3] bij [verdachte]. [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben een concreet plan gemaakt hoe zij de volgende dag, 24 mei 2010, het geld zouden gaan halen. [verdachte] kon daar niet naar binnen omdat hij dan herkend zou worden, dus hadden ze afgesproken dat hij in de omgeving zou wachten. Op 23 mei 2010 heeft [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 2] gebeld met het verzoek de volgende dag naar hem te komen tussen 07.00 uur en 07.30 uur en zijn werkkleding van [bedrijf] aan te trekken. [medeverdachte 3] heeft ook op die zondag aan zijn broer [medeverdachte 1] gevraagd of hij hen wilde rijden. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zouden de buit verdelen. Iedereen zou een deel van de buit krijgen.

Op de ochtend van 24 mei 2010 waren [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de woning van [medeverdachte 3] in Diemen en zijn ze samen naar IJsselstein gereden. Onderweg heeft [medeverdachte 3] een aantal keer naar [verdachte] gebeld en is er met [verdachte] afgesproken op de parkeerplaats bij het winkelcentrum in IJsselstein. [verdachte] kwam op de parkeerplaats bij [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto zitten. In de auto is gesproken over hoe de overval zou worden uitgevoerd en [verdachte] heeft uitgelegd waar het huis van het slachtoffer is. [medeverdachte 3] had een nepvuurwapen en een knuppel meegenomen. [verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wisten dat de knuppel en het (nep) vuurwapen in de auto aanwezig waren. [verdachte] is uit de auto gestapt. [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn naar het huis van het slachtoffer gereden. In de auto heeft [medeverdachte 2] een panty over het hoofd gedaan en een pet opgezet. [medeverdachte 3] heeft een pet opgezet.

[medeverdachte 2] heeft in zijn [bedrijf]-kleding aangebeld bij het slachtoffer met een pakket in zijn handen. Het slachtoffer heeft uit het keukenraam gevraagd waarvoor hij bij hem aanbelde. [medeverdachte 2] vertelde dat er een pakket was voor [betrokkene 1], de broer van het slachtoffer, waarop het slachtoffer vertelde dat die niet thuis was. [medeverdachte 2] zei daarop dat hij even moest overleggen. Even later is [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 3] terug gegaan naar de woning met wederom een pakket in zijn handen. Hij heeft aangebeld en het slachtoffer heeft hierop de entreedeur van het flatgebouw geopend en zijn eigen voordeur open gedaan. [medeverdachte 2] stond kort met het slachtoffer te praten in de deuropening, waarna [medeverdachte 3] erbij kwam. [medeverdachte 2] duwde het slachtoffer de woning in. [medeverdachte 3] kwam binnen met een (nep)pistool en richtte dit op het slachtoffer. [medeverdachte 3] pakte het slachtoffer bij zijn T-shirt ter hoogte van zijn borst. [medeverdachte 2] pakte het slachtoffer bij zijn voeten, waardoor het slachtoffer op de grond viel. [medeverdachte 2] probeerde tape rond de voeten van het slachtoffer te doen, hetgeen niet lukte. [medeverdachte 3] pakte het slachtoffer bij zijn handen. Het slachtoffer schreeuwde en vervolgens pakte [medeverdachte 3] hem bij de keel. Vervolgens stopte [medeverdachte 3] een vinger in de mond van het slachtoffer, tot achter in de keel. Het slachtoffer heeft [medeverdachte 3] in zijn vinger gebeten. Vervolgens gaf [medeverdachte 3] het slachtoffer een vuistslag in zijn gezicht. [medeverdachte 2] haalde een knuppel uit zijn sok en sloeg het slachtoffer een aantal maal op zijn onderbenen. De buurvrouw hoorde lawaai en klopte op de voordeur van het slachtoffer. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben toen de voordeur open gedaan en zijn weggerend naar de auto, waar [medeverdachte 1] op hen was blijven wachten. Ze zijn weggereden en [medeverdachte 3] heeft [verdachte] gebeld om te vertellen dat het mislukt was. Later zijn [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de auto aangehouden. [medeverdachte 2] had een T-shirt van [bedrijf] aan en [medeverdachte 3] had een bijtwond op zijn rechter middelvinger.

Verbalisanten hebben het slachtoffer aangetroffen onder het bloed en een grijs stuk tape om zijn nek. Het slachtoffer had een kneuzing aan zijn rechter oogkas en een schaafwond, een stijve nek en een kneuzing aan zijn linker bovenbeen.

In de woning van het slachtoffer zijn een aantal spullen aangetroffen die door de daders zijn achtergelaten. Deze spullen zijn onderzocht op sporen.

Op het aangetroffen postpakket, zit aan de binnenkant van de doos een vingerafdruk van [medeverdachte 2]. De aangetroffen [bedrijf]-brief blijkt na onderzoek terug te leiden naar een postpakket dat afgeleverd moest worden op het adres van [medeverdachte 3], maar bij de buren is afgeleverd. De buurman heeft bevestigd dat er een pakket voor de buren bij hem is afgeleverd en dat [medeverdachte 3] dit is komen ophalen. Het DNA op de aangetroffen panty is vergeleken met het DNA van [medeverdachte 2]. De uitkomst is dat het DNA afkomstig kan zijn van het slachtoffer en van [medeverdachte 2]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met deze DNA-mengprofielen is ongeveer één op 6 miljoen. Bij bemonstering van de rol tape kan niet worden uitgesloten dat er DNA afkomstig is van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] onderdeel uitmaakte van de groep die het slachtoffer in zijn woning met geweld heeft geprobeerd te overvallen om daar geld te halen. [verdachte] heeft, ook volgens zijn eigen verklaring, meerdere keren met [medeverdachte 3] gesproken over het halen van geld in het huis van het slachtoffer. [verdachte] heeft informatie verschaft over de vindplaats van het geld en sms-berichten verstuurd over wanneer de overval zou kunnen plaats vinden. Ook is hij de ochtend van de overval naar de parkeerplaats in IJsselstein gegaan, waar hij had afgesproken met de medeverdachten. In de auto is gesproken over de overval. Hij wist dat er een (nep)vuurwapen en een knuppel in de auto lag. [verdachte] heeft uitgelegd hoe ze naar het adres van het slachtoffer moesten rijden. Vervolgens is hij uitgestapt op de parkeerplaats, want hij kon niet mee naar binnen omdat hij dan herkend zou worden. Volgens [verdachte] eigen verklaring wilde hij meedoen om een graantje mee te pikken. Hij zou meedelen in de buit. Na de overval heeft [medeverdachte 3] hem gebeld om te vertellen dat het mislukt was.

De verdediging heeft bepleit dat er geen sprake is van medeplegen, maar slechts medeplichtigheid door het verschaffen van inlichtingen. Bovendien zouden die inlichtingen niet zo cruciaal zijn dat zonder die informatie de overval niet had kunnen worden uitgevoerd. Ook zou [verdachte] op de parkeerplaats hebben aangegeven aan de medeverdachten dat hij niet meer mee wilde doen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting en de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan zowel het voorbereiden als het uitvoeren van het plan voor de overval. De informatie die hij heeft verschaft, namelijk de vindplaats van het geld, de tijdstippen waarop de overval kon plaatsvinden en de routebeschrijving naar het adres, zijn naar het oordeel wel degelijk van cruciaal belang. Bovendien zou hij meedelen in de buit, hetgeen ook betekent dat er sprake was van een dermate nauwe en bewuste samenwerking dat [verdachte] gezien kan worden als medepleger. De verklaring van [verdachte], dat hij op de parkeerplaats heeft aangegeven niet langer meer mee te willen doen, vindt geen ondersteuning in de andere verklaringen. Ter zitting is door getuige [medeverdachte 3] onder ede uitdrukkelijk verklaard dat er geen sprake van was dat [verdachte] zich op die ochtend heeft teruggetrokken. Afgesproken was juist dat hij op de parkeerplaats zou blijven wachten. [medeverdachte 3] heeft hem later ook nog gebeld om te vertellen dat de overval was mislukt. De rechtbank acht de verklaring van [verdachte] op het punt van zijn vrijwillige terugtred dan ook ongeloofwaardig. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de verklaring van [verdachte] dat hij er niets meer mee te maken wilde hebben, ook niet strookt met zijn door hem gestelde feitelijke gedragingen. Hij stelt naar zijn winkel te zijn gereden, zonder het beoogde slachtoffer, dat indirect familie van hem is, te waarschuwen, of iets anders te doen om de overval te voorkomen.

De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een dermate nauwe en bewuste samenwerking bij de voorbereiding en het uitvoering van het plan voor de overval, waarbij voor [verdachte] en zijn medeverdachten een specifieke rol is weggelegd, dat er sprake is van medeplegen. De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Vrijspraak

De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken voor dat gedeelte van de tenlastelegging waarin verdachte wordt verweten dat hij het slachtoffer door middel van (dreiging met) geweld heeft geprobeerd af te persen. Uit de afgelegde verklaringen volgt dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het plan hadden om het geld zelf te pakken en niet het slachtoffer wilden dwingen tot afgifte van dat geld. Deze kwalificatie past ook niet bij de handelingen van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], met name dat zij de benen van het slachtoffer wilden vasttapen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 24 mei 2010 te IJsselstein, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van

het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en

in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, en daarbij die voorgenomen diefstal heeft laten voorafgaan en/of laten vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken,

als volgt heeft gehandeld: zijnde of hebbende hij, verdachte, en één van zijn mededaders

- zich meermalen voorgedaan als ([bedrijf]) postbezorger en

- gekleed in een [bedrijf]-shirt en met een op een pakketje gelijkend voorwerp

bij die [slachtoffer 1] aangebeld en

- aldus die [slachtoffer 1] bewogen de voordeur te openen en

- daarna plotseling/onverhoeds die [slachtoffer 1] de woning ingeduwd en

- daarbij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp getoond aan en

gericht op die [slachtoffer 1] en

- de benen en mond van die [slachtoffer 1] met tape trachten vast en/of

dicht te plakken en

- de handen van die [slachtoffer 1] vastgepakt en

- die [slachtoffer 1] bij de keel vastgepakt en vastgehouden en

- een vinger in de keel van die [slachtoffer 1] geduwd en gehouden en

- die [slachtoffer 1] meermalen met een (gebalde) hand in het gezicht

geslagen en met een knuppel meermalen geslagen tegen de benen;

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair:

Poging diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de voorwaarden van de reclassering.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan het voorarrest, passend is met daarnaast een onvoorwaardelijk deel met de voorwaarden zoals door de reclassering gesteld. Verder verzoekt de verdediging rekening te houden met het feit dat [verdachte] zijn zaak kwijt is, welke hij niet meer heeft kunnen redden omdat hij vast zit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededaders het hem bekende slachtoffer, dat een familielid is van zijn vriendin, in zijn woning overvallen. Een van de overvallers heeft aangebeld en zich voorgedaan als [bedrijf]-pakketbezorger, om ervoor te zorgen dat het slachtoffer de deur zou openen. De tweede overvaller kwam erbij en richtte een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het slachtoffer. Het slachtoffer werd naar binnen geduwd. Daar ontstond een worsteling en probeerden de overvallers de benen van het slachtoffer te tapen. Het slachtoffer is in zijn gezicht en op zijn benen geslagen en heeft hier ook letsel van. Enkel en alleen doordat de buurvrouw gealarmeerd werd door het geschreeuw van het slachtoffer, zijn de daders gestopt en zonder buit vertrokken.

Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring moet zijn geweest. In de bijlage bij het schadeformulier, de brief van de raadsman d.d. 31 augustus, heeft het slachtoffer aangegeven dat hij geregeld het voorval weer voor ogen krijgt. Naast de schrik is er ook sprake van psychische schade. Met name het beeld van het op hem gerichte vuurwapen boezemt hem nog steeds angst in. Hij voelt zich thuis niet meer veilig en is wantrouwend tegenover iedereen. Hij durft de deur niet meer open te doen voor onbekenden en probeert te voorkomen dat hij alleen thuis is.

Ook heeft het zelfbeeld van het slachtoffer een deuk opgelopen waarbij het hem erg steekt dat de daders indirect bekenden van hem zijn ([verdachte] is de vriend van zijn tante), waardoor hij het idee heeft dat hij werkelijk niemand meer kan vertrouwen.

Verdachte heeft kennelijk in het geheel niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn daad. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier snel aan geld te komen.

Wat betreft de persoon heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het uittreksel van de justitiële documentatie van 18 juni 2010. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van 23 september 2010. De reclassering acht de kans op recidive hoog gemiddeld. [verdachte] is niet in staat zichzelf te begrenzen en laat anderen over (zijn) grenzen heen gaan. Hij is zelf van mening dat dit anders is en dat hij geen hulp nodig heeft, maar hij neemt het reclasseringsaanbod wel aan. Het risico op het onttrekken aan de voorwaarden wordt als laag gemiddeld ingeschat. Geadviseerd wordt op een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en hieraan de volgende bijzondere voorwaarden te koppelen: meldingsgebod, deelname aan gedragsinterventie en behandelverplichting.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten en de gevolgen voor het slachtoffer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit en het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijk feiten is veroordeeld. Gelet op het advies van de reclassering, zal de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

In dit licht bezien komt de rechtbank tot dezelfde straf als door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar opleggen, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringstoezicht.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 5625,95.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1825,95 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 325,95 ter zake van materiële schade en € 1500,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Materiële schade

Bij de begroting van de materiële schade heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende materiële schadeposten:

- Een gescheurd T-shirt € 7,95;

- Een bebloede Nike trainingsbroek € 48,00;

- Kosten studievertraging € 270,00 (2/12 schoolgeld €1620,00);

Immateriële schade

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die gewoonlijk worden toegewezen voor slachtoffers van dit soort geweld. De rechtbank is van oordeel dat een bedrag van € 1500,00 redelijk is. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Kosten rechtsbijstand

Voor de kosten voor de rechtsbijstand is € 1800,00 gevorderd. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij het puntensysteem voor rechtsbijstand en is van oordeel dat een bedrag van € 550,00 redelijk is. Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank, met uitzondering van de kosten voor rechtsbijstand van € 550,00, tevens de schademaatregel opleggen voor het bedrag van € 1825,95.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Poging diefstal, vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 1825,95, waarvan € 325,95 ter zake van materiële schade en € 1500,00 ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij ter zake van rechtsbijstand heeft gemaakt, te weten € 550,00;

- verklaart de benadeelde partij, voor zover deze ziet op de kosten van rechtsbijstand, voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 1825,95 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 28 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.E. Braam- van Toll, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 oktober 2010.