Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0552

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
16-710576-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het onderzoek naar een schietpartij op een parkeerplaats in Nieuwegein wordt heropend binnen een periode van drie maanden na heden. Verdachte blijft in voorlopige hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710576-10

tussenvonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

met voorbedachten rade heeft gepoogd om samen met een ander of anderen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] opzettelijk van het leven te beroven.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering.

Er is geen reden tot schorsing van de vervolging.

4 De onvolledigheid van het onderzoek ter terechtzitting.

Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest.

De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting door de raadsman een beroep op noodweer, noodweerexces en psychische overmacht is gedaan. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat verdachte, alvorens zelf te schieten met een vuurwapen, tijdens zijn ontmoeting met de vier slachtoffers in handen van één van hen een vuurwapen heeft gezien dat op hem gericht werd.

Vast staat dat verdachte met een vuurwapen heeft geschoten, zoals hij zelf heeft verkaard.

Naar aanleiding van het schietincident op die 13e februari 2010 op de parkeerplaats bij Het Veerhuis te Nieuwegein heeft forensisch onderzoek plaatsgevonden. Onder meer zijn bij alle vier de slachtoffers zogeheten “schiethanden” afgenomen.

Het onderzoek is verricht door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) te Den Haag. Deze deskundige heeft op 1 september 2010 een rapport opgemaakt met daarin de conclusies van het schotrestenonderzoek. Daarin wordt geconcludeerd dat bij de slachtoffers [slachtoffer 1], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] weliswaar zogeheten categorie B-deeltjes zijn aangetroffen, maar dat daarmee geen relatie met een schietproces wordt aangetoond.

Anders ligt dit bij het slachtoffer [slachtoffer 2]. Bij hem zijn op de linker- en rechterhandpalm zogeheten catergorie A-deeltjes aangetroffen met een elementsamenstelling GdTiZn (gadolinium, titanium en zink). Deze samenstelling is karakteristiek voor gemarkeerde munitie. Met het aantreffen van deze deeltjes wordt volgens de deskundige een vrijwel zekere relatie met een schietproces aangetoond.

Verdachte heeft verklaard dat bij de ontmoeting met de beide [slachtoffers 1 en 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], ook sprake is geweest van een vuurwapen in handen van één van hen. Zij zouden ook op relatief korte afstand, hooguit enkele meters, van hem hebben gestaan. Deze verklaring , wordt mogelijk ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige], die heeft verklaard drie doodsbange mannen te hebben zien rennen en struikelen, nadat hij knallen had gehoord. Deze getuige heeft namelijk tevens verklaard: “volgens mij schoot 1 van deze 3 mannen terug.”

De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande vragen oproept omtrent de herkomst van de op de handen van [slachtoffer 2] aangetroffen schotresten. Indien deze schotresten namelijk geen verband houden met het schietproces waarbij verdachte naar zijn zeggen zelf als schutter betrokken is geweest, zou het aantreffen van deze schotresten immers het door verdachte geschetste scenario dat hij voorafgaand aan het gebruik van zijn vuurwapen zelf werd bedreigd met een vuurwapen kunnen ondersteunen. Kan echter in voldoende mate worden vastgesteld dat deze schotresten afkomstig zijn van het schietproces waarbij verdachte zelf als schutter betrokken zou zijn geweest, dan zal dit niet het geval zijn.

De rechtbank stelt voorts vast dat er op de parkeerplaats waar verdachte naar zijn zeggen zelf heeft geschoten door de politie een groot aantal hulzen zijn veiliggesteld. Vergelijkend onderzoek tussen de samenstelling van de schotresten op de handen van [slachtoffer 2] en de zich in deze hulzen mogelijk nog bevindende kruitsporen lijkt derhalve niet bij voorbaat onuitvoerbaar.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat door deskundigen nader onderzocht dient te worden in hoeverre de op de handen van [slachtoffer 2] aangetroffen munitiedeeltjes afkomstig (kunnen) zijn van het schietproces waarbij verdachte zelf als schutter was betrokken dan wel afkomstig (kunnen) zijn van een ander schietproces en/of ander wapen.

De rechtbank zal daartoe de stukken in handen van de rechter-commissaris stellen opdat deze genoemd onderzoek doet uitvoeren. De rechtbank verzoek de rechter-commisaaris daarbij in ieder geval de volgende onderzoeksvragen ter beantwoording aan de deskundige voor te leggen:

1. De rechtbank verzoekt de deskundige de chemische samenstelling van het kruit in de op voornoemde parkeerplaats aangetroffen hulzen te vergelijken met de uitkomsten van het zogenaamde schiethanden/schotrestenonderzoek betreffende [slachtoffer 2], waarover het NFI reeds op 1 september 2010 aan de rechter-commissaris heeft gerapporteerd.

2. De rechtbank verzoekt de deskundige voorts aan te geven in hoeverre zijn of haar bevindingen naar aanleiding van het onder 1 verrichtte onderzoek de navolgende hypotheses ondersteunen:

Hypothese 1: de schotresten op de handen van [slachtoffer 2] zijn afkomstig van de munitie welke is gebruikt bij het schietproces op de parkeerplaats (en waarvan verdachte heeft gesteld dat hij daarbij als schutter betrokken is geweest).

Hypothese 2: de schotresten op de handen van [slachtoffer 2] zijn afkomstig van een ander wapen en/of van andere munitie dan die welke is gebruikt bij het schietproces op de parkeerplaats (en waarvan verdachte heeft gesteld dat hij daarbij als schutter betrokken is geweest).

In de omstandigheid dat niet te verwachten is dat het vereiste onderzoek binnen een periode van een maand zal zijn afgerond, ziet de rechtbank een klemmende reden de termijn voor hervatting van het onderzoek ter terechtzitting niet tot een maand te beperken.

De raadsman heeft ter terechtzitting van 1 oktober het verzoek gedaan tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte met onmiddellijke invrijheidstelling wegens het ontbreken van ernstige bezwaren danwel op grond van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank heeft op 1 oktober de beslissing op dit verzoek aangehouden voor 14 dagen.

De rechtbank is thans van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden voor de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn en dat ook de situatie als genoemd in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering op dit moment nog niet aan de orde is.

Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

5 De beslissing.

De rechtbank:

- heropent het onderzoek ter terechtzitting dat op 1 oktober 2010 was gesloten;

- wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis;

- beveelt dat het onderzoek ter terechtzitting op een nader te bepalen datum zal worden hervat;

- beveelt de oproeping van verdachte en de raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat met kennisgeving van die datum en tijd aan de benadeelde partijen;

- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken opdat deze het hierboven omschreven onderzoek uitvoert en voorts zodanig onderzoek doet als deze noodzakelijk mocht oordelen;

- bepaalt dat het onderzoek in deze zaak zal worden hervat binnen een periode van drie maanden na heden;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 oktober 2010.

Mr P.W.G. de Beer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.