Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0545

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
15-10-2010
Zaaknummer
16/710600-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van primair poging samen met anderen een viertal personen te vermoorden, dan wel opzettelijk van het leven te beroven door meermalen met een vuurwapen te schieten en primair van medeplichtigheid hieraan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710600-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1983] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 oktober 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: samen met anderen heeft gepoogd een viertal personen te vermoorden dan wel opzettelijk van het leven te beroven door meermalen met een vuurwapen op deze personen te schieten.

Subsidiair is dit ten laste gelegd als medeplichtigheid hieraan.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van de beginselen van een goede procesorde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de verdediging niet dan wel niet tijdig heeft voorzien van al het belastende en ontlastende materiaal in deze zaak.

De verdediging heeft op 6 mei 2010, vlak voor de behandeling van het door haar ingestelde hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank van 14 april 2010, behelzende een afwijzing van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte, van de raadsman van de medeverdachte vernomen dat de medeverdachte in deze zaak, de heer [medeverdachte], door de politie was aangehouden en op 22 april 2010 een uitgebreide verklaring heeft afgelegd met voor verdachte ontlastende informatie.

Die verklaring is van belang voor de positie van verdachte in dit proces.

Een kopie van deze verklaring is door de verdediging aan de raadkamer van het Gerechtshof overgelegd, waarna het Hof heeft beslist de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen wegens het ontbreken van ernstige bezwaren. Bij de behandeling van het hoger beroep is gebleken dat de advocaat-generaal op de hoogte was van de aanhouding van de medeverdachte, maar niet dat hij inmiddels ook al een verklaring had afgelegd.

De verdediging heeft op 17 mei 2010 schriftelijk de officier van justitie een aantal vragen gesteld met betrekking tot de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte] en diens verklaring bij de politie.

Op 3 juni 2010 heeft de officier van justitie schriftelijk geantwoord dat de vragen nader onderbouwd dienden te worden en dat hem voorhands geen rechtsregel bekend is waaruit zou volgen dat hij de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte] ook direct aan de raadsman van deze verdachte had moeten meedelen.

De raadsman heeft aangevoerd dat er rechtsregels bestaan die het Openbaar Ministerie verplichten om belastend en ontlastend materiaal aan de verdediging te doen toekomen en aan het dossier toe te voegen. De raadsman is van mening dat daaraan niet of in ieder geval niet tijdig is voldaan. Hij wijst daartoe vervolgens op het zogeheten Zwolsman-criterium.

De raadsman is van mening dat gelet op het vorenstaande het Openbaar Ministerie niet –ontvankelijk dient te worden verklaard.

De officier van justitie heeft hierop ter terechtzitting gereageerd. Hij heeft naar voren gebracht dat het inderdaad zo is dat wanneer het Openbaar Ministerie weet heeft van voor verdachte ontlastend materiaal en op de hoogte is van het feit dat een zitting aanstaande is, hij alle partijen van dit materiaal in kennis moet stellen.

In casu is gebleken dat de verdediging al voor de behandeling van het hoger beroep bij het Gerechtshof van de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte] had vernomen dat deze medeverdachte op 21 april 2010 was aangehouden. Van deze aanhouding is ook de advocaat-generaal per fax op de hoogte gebracht. De verdediging is echter niet ingelicht over de door de medeverdachte [medeverdachte] na zijn aanhouding afgelegde verklaring. Deze verklaring is namelijk op 22 april 2010 audio-visueel opgenomen en eerst op 26 mei 2010 uitgewerkt en op papier gezet. Die uitgewerkte verklaring is vervolgens naar alle partijen verzonden. Daarvoor was er slechts een eerste door de verbalisanten gemaakte samenvatting van deze verklaring beschikbaar, welke aan de raadsman van [medeverdachte] is verzonden. Via deze laatste is deze kennelijk ook in het bezit van de raadsman van verdachte gekomen.

Er is dan ook geen sprake geweest van het bewust onthouden van processtukken aan de verdediging door het Openbaar Ministerie. Er is voldaan aan de beginselen van een goede procesorde. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in haar vervolging, aldus de officier van justitie.

De rechtbank is van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de verklaring van de officier van justitie dat de uitwerking van het omvangrijke audiovisuele verhoor van de medeverdachte [medeverdachte] enige tijd heeft gevergd. Door de verdediging is voorts niet weersproken dat de uitgewerkte volledige verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] zeer kort na de uitwerking daarvan naar alle procespartijen is verzonden.

De rechtbank overweegt hierbij dat het daarbij wel de voorkeur had verdiend indien de officier van justitie de kort na de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte] wel beschikbare samenvatting van zijn verklaring niet alleen ter beschikking had gesteld aan de raadsman van [medeverdachte], maar ook aan de raadman van verdachte. Hierbij dient echter mede te worden betrokken dat er slechts een zeer korte tijdsspanne was gelegen tussen het moment waarop deze samenvatting beschikbaar was en verdachtes voorlopige hechteniszitting bij het Hof. Het is dan ook naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de niet verzending niet het gevolg was van een bewuste beslissing, maar veeleer het gevolg was van met grote tijdsdruk samenhangende logistieke problemen.

Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat is gebleken dat verdachtes raadsman via de raadsman van de medeverdachte [medeverdachte] wel in het bezit is gekomen van de betreffende samenvatting en deze ook bij de behandeling van de zaak bij het Hof heeft kunnen inbrengen. Aldus heeft de verdachte geen materieel nadeel ondervonden van de niet- toezending van voormelde samenvatting

Gezien voorgaande feiten en omstandigheid is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de officier van justitie door het niet toezenden van de (samenvatting van de) verklaring van de medeverdachte [medeverdachte] aan de raadsman van verdachte willens en wetens inbreuk heeft gemaakt op de processuele rechten van verdachte. Evenmin is gebleken dat verdachte daardoor feitelijk in enig processsueel belang is geschaad. Dit brengt met zich dat het verweer van de raadsman strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie wordt verworpen. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. Evenmin ziet de rechtbank redenen om deze vervolging te schorsen.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan poging tot moord heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van de slachtoffers dat zij een afspraak hadden gemaakt met verdachte om elkaar te ontmoeten bij Het Veerhuis te Nieuwegein samen met de medeverdachte [medeverdachte] en dat de plaats van de ontmoeting was bepaald door verdachte, de verklaringen van de getuige [getuige 1] dat zij verdachte ongeveer een halfuur voor de schietpartij in gezelschap van twee anderen richting de plaats delict heeft zien lopen en kort na de schietpartij met twee anderen terug zag komen lopen uit de richting van de plaats delict, de verklaring van de getuige [getuige 2] die heeft verklaard dat hij de hem bekende [verdachte] met een andere man zag teruglopen vanaf de plaats delict.

De officier van justitie baseert zich tevens op de verklaring van verdachte dat hij een afspraak heeft geregeld tussen de vier slachtoffers en de medeverdachte [medeverdachte] en zijn verklaring dat hij in de directe omgeving van de plaats delict is geweest, zonder daar verder enige uitleg over te geven, hetgeen de situatie wel vergt, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is ten laste gelegde, namelijk het medeplegen van poging tot moord. Hij vordert dat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en het subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde voert de raadsman aan dat niet bekend is geworden wie de tweede schutter op de plaats delict is geweest en dat uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met de onbekend gebleven schutter.

De raadsman beperkt zich tot de in het dossier genoemde “hoge plaats delict”, het talud bij het verzorgingshuis dat grenst aan de parkeerplaats bij Het Veerhuis te Nieuwegein. Het bewijs dat de officier van justitie aanvoert is gebaseerd op getuigenverklaringen.

Verdachte heeft erkend dat hij die bewuste 13 februari 2010 ter plaatse was. Verdachte wil niet zeggen met wie hij daar was, omdat hij anders die personen wellicht zou belasten. De medeverdachte [medeverdachte] heeft niets verklaard over de aanwezigheid van verdachte op de “hoge plaats delict” .

De getuigen geven vage algemene signalementen van manspersonen, welke signalementen ook nog eens tegenstrijdig zijn.

De verklaringen van de onafhankelijke getuigen, met uitzondering van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben geen betrekking op verdachte. De slachtoffers zelf verklaren ook niet dat zij verdachte op de “hoge plaats delict” hebben gezien of dat verdachte de schutter op die plaats is geweest.

Het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft verklaard dat de tweede schutter een lichte jas droeg, terwijl verdachte was gekleed in een donkere jas. [slachtoffer 2] geeft als signalement van de tweede schutter dat het een blanke man was. Dit is een zeer algemene omschrijving. De groep [slachtoffer 1] was eerder die dag bij verdachte aan de deur geweest en kende hem dus. Zij hebben verdachte niet als tweede schutter herkend. Vast staat dus dat verdachte niet de tweede schutter is geweest, aldus de raadsman.

Ook kan niet gezegd worden dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en een tweede schutter. Verdachte was bij de “hoge plaats delict”, maar stond nog niet op het talud. Toen hij hoorde schieten, is verdachte weggerend. Uit niets blijkt dat verdachte wist dat er op de parkeerplaats of vanaf het talud geschoten zou worden.

Het ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord kan dan ook niet bewezen worden verklaard en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde merkt de raadsman op dat voor medeplichtigheid sprake moet zijn van dubbel opzet, namelijk opzet op de medeplichtigheid en opzet op in dit geval de poging moord. Dat laatste is er niet.

De officier van justitie stelt wel dat verdachte de afspraak heeft en daarmee heeft verdachte opzet gehad op hetgeen ten laste is gelegd, al dan niet in voorwaardelijke zin.

Verdachte wist echter niet dat de medeverdachte [medeverdachte] een wapen had en dat hij daarmee zou gaan schieten.

De slachtoffers hebben verklaard dat verdachte de afspraak met hen heeft gemaakt en de medeverdachte [medeverdachte] en verdachte verklaren dat [medeverdachte] zelf die afspraak heeft gemaakt. Zelfs al zou verdachte die afspraak hebben gemaakt, dan is dat nog geen bewijs voor de medeplichtigheid.

De stelling van de officier van justitie dat verdachte met zijn handelen de mogelijkheid dat [medeverdachte] zou gaan schieten op de koop toe heeft genomen, kan de verdediging niet onderschrijven.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman. De vorderingen van de benadeelde partijen dienen om die reden volgens hem te worden afgewezen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat zich op 13 februari 2010 op de parkeerplaats bij Het Veerhuis in Nieuwegein een schietpartij heeft afgespeeld, waarbij van twee verschillende locaties is geschoten.

Vast staat dat voorafgaand aan die schietpartij een afspraak is gemaakt tussen de vier slachtoffers en de medeverdachte [medeverdachte] elkaar te treffen bij Het Veerhuis te Nieuwegein. Verdachte heeft een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van die afspraak. Of verdachte zelf de afspraak heeft gemaakt en de locatie van de ontmoeting heeft bepaald, of dat hij slechts een telefoonnummer aan de medeverdachte heeft gegeven en dat deze zelf de afspraak heeft gemaakt, is echter onvoldoende duidelijk geworden. De verklaringen hieromtrent lopen op dit punt uiteen.

Vast staat wel dat de vier slachtoffers en de medeverdachte [medeverdachte] elkaar op 13 februari 2010 hebben ontmoet op de parkeerplaats bij Het Veerhuis te Nieuwegein en dat bij die ontmoeting schoten zijn afgevuurd op die parkeerplaats. Ook zeker is dat vanaf een tweede locatie, gesitueerd op het talud bij het aan de parkeerplaats grenzende verzorgingshuis eveneens geschoten is. Ten gevolge van die schietpartij hebben drie van de vier slachtoffers schotverwondingen opgelopen.

Vast is komen te staan dat verdachte niet aanwezig is geweest bij de ontmoeting tussen [medeverdachte] en de vier slachtoffers op de parkeerplaats.

Ter zitting is duidelijk geworden dat verdachte wel in de nabije omgeving is geweest van de tweede locatie waarvandaan op de slachtoffers is geschoten, te weten het talud bij het verzorgingshuis. Verdachte is vlak voor en direct na de schietpartij, in gezelschap van twee anderen vlakbij deze locatie gezien door twee getuigen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in de loop van de dag van een door hem niet te noemen persoon heeft begrepen dat er een ontmoeting zou zijn tussen de medeverdachte [medeverdachte] en de vier slachtoffers. Hij is samen met twee personen van wie hij de naam niet wil noemen naar de ontmoetingsplaats gegaan, maar zegt niets te hebben gezien van de schietpartij. Hij heeft voorts ontkend dat hij iets met de schietpartij te maken heeft gehad.

De rechtbank overweegt dat verdachtes gedragingen op 13 februari 2010 en de daarna door hem daarover gegeven verklaringen zeker vragen en bedenkingen oproepen omtrent zijn eventuele betrokkenheid bij de gewelddadige gebeurtenissen op die dag. Deze vragen en bedenkingen zijn ook na de behandeling ter terechtzitting zeker nog niet alle beantwoord respectievelijk weggenomen.

Het voorgaande laat echter onverlet dat naar het oordeel van de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting, uit de verklaringen van getuigen en betrokkenen alsmede uit forensisch onderzoek niet is gebleken dat verdachte zelf heeft geschoten. Evenmin is gebleken dat verdachte anderszins feitelijk bij het schietproces op de parkeerplaats dan wel het schietproces op het talud betrokken is geweest, danwel daarbij een initiërende of plannende rol zou hebben gespeeld. Derhalve kan niet bewezen worden dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en degene(n) die deze schietprocessen uitvoerde(n), hetgeen een vereiste is voor het primair aan verdachte ten laste gelegde medeplegen van poging tot moord.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het primair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de wettige bewijsmiddelen slechts het navolgende omtrent de rol van verdachte kan worden afgeleid. Verdachte heeft geholpen een contact tussen tussen de vier slachtoffers en de medeverdachte [medeverdachte] tot stand te brengen . Hieruit en ook anderszins kan echter niet worden afgeleid dat verdachte ook op de hoogte is geweest van het feit dat [medeverdachte] een vuurwapen bezat, dat hij dit vuurwapen mee zou nemen naar een ontmoeting met de vier slachtoffers en dat hij dit vuurwapen ook daadwerkelijk zou gaan gebruiken. Hetzelfde geldt ten aanzien van de –onbekende- medeverdachte die vanaf de lokatie nabij het verzorgingstehuis heeft geschoten. Uit de wettige bewijsmiddelen kan immers slechts worden afgeleid dat verdachte zich in de nabijheid van deze onbekende persoon heeft bevonden op het moment dat deze van een vuurwapen gebruikt maakte.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat uit de voorhanden zijnde wettige bewijsmiddelen niet met de voor veroordeling vereiste voldoende mate van zekerheid kan blijken dat verdachte het opzet heeft gehad om de medeverdachte(n) bij het schietincident feitelijk op enigerlei wijze hulp of bijstand te verlenen. A fortiori is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken dat deze hulp zou zijn verleend met de bedoeling deze medeverdacht(n) behulpzaam te zijn bij hun pogingen om de vier slachtoffers dood te schieten.

De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de aan verdachte ten laste gelegde medeplichtigheid aan poging tot doodslag niet is bewezen. De rechtbank zal verdachte derhalve ook van het subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook hiervan vrijspreken.

5 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Nieboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 oktober 2010.

Mr. P.W.G. de Beer is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen