Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0317

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
16-600585-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is samen met een ander met geweld de woning van het slachtoffer binnengedrongen, waarna hij het slachtoffer heeft gegijzeld. De rechtbank legt een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden op, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600585-10 en 16/610998-08 (TUL) [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

Raadsman mr. E.B.S. Postma, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 september 2010, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (samen met een ander) [aangever 1] heeft gegijzeld;

feit 2: (samen met een ander) [aangever 1] heeft bedreigd;

feit 3: [aangever 1] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en heeft daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaring van aangever

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft daartoe primair de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever betwist.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank de verklaring van aangever wel degelijk betrouwbaar. Zijn verklaring is zeer gedetailleerd en vindt bovendien op essentiële punten steun in de - hierna te noemen - verklaringen van getuige [getuige], medeverdachte [medeverdachte 1] en in de verklaring van verdachte zelf. Tot slot vindt de verklaring van aangever steun in de processen-verbaal van de betrokken politieambtenaren.

De rechtbank zal voornoemd verweer dan ook verwerpen.

De feiten

Op basis van de verklaring van aangever, alsmede de overige informatie die in het dossier is opgenomen en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

[aangever 1], aangever, en verdachte hebben al enige weken een conflict.

Als medeverdachte [medeverdachte 1] op 9 juni 2010 bij verdachte op bezoek is en verdachte van een derde telefonisch over dit conflict bericht ontvangt, ontstaat het idee om samen naar aangever toe te gaan om een en ander met hem te gaan bespreken. Ook [getuige] gaat met hen mee.

Als ze bij de woning van aangever in Driebergen-Rijsenburg zijn aangekomen, weigert aangever open te doen. Daarop trapt [medeverdachte 1] de deur van de woning van aangever in, waarna verdachte samen met hem en [getuige] de woning binnengaat. Als aangever bij zijn standpunt blijft, wordt de sfeer steeds grimmiger. Een van de mannen toont aangever een vuist en zegt tegen hem: “Anders geef ik jou er zo één.”. Vervolgens wordt aangever naar de woonkamer getrokken en op de bank geduwd. Nadat verdachte een brandende sigaret tegen de hand van aangever heeft geduwd, wat voor aangever zeer pijnlijk was , wordt aangever verteld dat hij mee moet gaan naar het [adres] om daar met een jongen te praten. Aangever hoort dat hij mee moet gaan omdat ze hem anders twee blauwe ogen zouden slaan. Hij gaat met hen mee de trap af, naar buiten. De door buren ingeschakelde politieambtenaren die onderaan de trap staan, horen dat er wordt gezegd: “Kom nu maar mee. Doe je deur maar op slot. Loop nu rustig mee, ander[s] trek ik je kop van je romp.”, waarna zij verdachte en [medeverdachte 1] aanhouden. Door een politieambtenaar wordt op de rug van de hand van aangever een verse brandblaar waargenomen.

Verdachte heeft het voorgaande - met uitzondering van het gebruik van voornoemde bedreigende woorden - erkend en verklaard dat aangever onder dwang met hen de trap af is gelopen. Verdachte heeft tot slot erkend dat het handelen van hem en [medeverdachte 1] op aangever bedreigend moet zijn overgekomen.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde sprake is van medeplegen van verdachte en [medeverdachte 1].

Wederrechtelijke vrijheidsberoving?

De raadsman heeft subsidiair ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever, maar slechts van huisvredebreuk, welk feit niet ten

laste is gelegd. Uit de verklaring van getuige [getuige] volgt immers dat aangever geheel vrijwillig met hen is meegegaan, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer.

Op basis van de hierboven beschreven gedragingen van verdachte en [medeverdachte 1] is de rechtbank van oordeel dat er wel degelijk sprake is geweest van een wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever, waarbij aangever gedwongen werd met verdachte en [medeverdachte 1] mee te gaan. De woorden: “Je gaat mee, anders dan trek ik de kop van je romp” kunnen ook moeilijk anders worden uitgelegd. Bovendien spreekt verdachte zelf van dreiging en dwang, terwijl uit de verklaring van aangever volgt dat hij ook daadwerkelijk angstig was en zich gedwongen voelde om mee te gaan. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de verklaring van [getuige] dat aangever geheel vrijwillig is meegegaan.

Eendaadse samenloop

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de tenlastegelegde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal derhalve één strafbepaling toepassen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 9 juni 2010 te Driebergen-Rijsenburg, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk [aangever 1], te dwingen iets te doen, immers heeft/is

verdachte, tezamen en in vereniging met een ander toen en aldaar:

- een voordeur ingetrapt en vervolgens de woning van die [aangever 1]

binnengegaan en

- die [aangever 1] onder het tonen van een vuist de woorden toegevoegd: "Anders

geef ik jou er zo één" en vervolgens die [aangever 1] naar de woonkamer

getrokken en op een bank geduwd en

- een brandende sigaret op de hand van die [aangever 1] gedrukt en

- (zakelijk weergegeven) tegen die [aangever 1] gezegd dat hij nu mee moest gaan

naar het [adres] om daar met een jongen te praten en

- die [aangever 1] meegenomen de trap af en (zakelijk weergegeven) tegen die [aangever 1] gezegd dat hij mee moest omdat ze hem anders twee blauwe ogen zouden slaan en

- tegen die [aangever 1] gezegd: "Je gaat nu mee, anders dan trek ik de kop van je

romp", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

op 9 juni 2010 te Driebergen-Rijsenburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend

- (onder het tonen van een vuist) die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Anders

geef ik jou er zo één" en

- (zakelijk weergegeven) tegen die [aangever 1] gezegd dat hij mee moest omdat ze

hem anders twee blauwe ogen zouden slaan en

- tegen die [aangever 1] gezegd: "Je gaat nu mee, anders dan trek ik de kop van je

romp", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

op 09 juni 2010 te Driebergen-Rijsenburg, opzettelijk mishandelend

[aangever 1] een (brandende) sigaret op de hand van die [aangever 1] heeft

gedrukt, waardoor voornoemde [aangever 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van gijzeling

en

medeplegen van bedreiging

en

mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Over de persoon van verdachte is door psychiater C.J.F. Kemperman d.d. 8 september 2010

een rapport uitgebracht. Uit dit rapport leidt de rechtbank af dat de problematiek van verdachte in diagnostische zin het beste te omschrijven is als een persoonlijkheidsstoornis met cluster A, B en C trekken. Tevens is er sprake van afhankelijkheid van alcohol. Uit de rapportage volgt dat voornoemde stoornis, in combinatie met de alcoholafhankelijkheid, de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde heeft beïnvloed. Verdachte dient naar het oordeel van voornoemde psychiater ten aanzien van de tenlastegelegde feiten dan ook als verminderd toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

De rechtbank concludeert op grond van voornoemde rapportage dat het bewezen verklaarde in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact, ook als dit inhoudt dat verdachte een verplichte behandeling bij Altrecht dient te ondergaan.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte genoemd en de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is samen met een ander met geweld de woning van aangever binnengedrongen, waarna hij aangever heeft gegijzeld. Gijzeling vormt een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke vrijheid van aangever. Het moet voor hem een uitermate beangstigende en bedreigende situatie zijn geweest. Tevens heeft verdachte met het mishandelen van aangever geen enkel respect voor zijn welzijn getoond. Door dergelijke feiten worden gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij zowel aangever als bij de maatschappij in het algemeen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Wat betreft de persoon van verdachte neemt de rechtbank - gelet op het onder 5.2 genoemde rapport van psychiater C.J.F. Kemperman - in aanmerking dat deze feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte verder gelet op een de verdachte betreffend rapport van de reclassering d.d. 17 augustus 2010, opgemaakt door A. van der Wilt. Deze rapporteur schat het risico op recidive hoog gemiddeld in zolang verdachte niet wordt behandeld voor zijn psychische problematiek en alcoholgebruik en adviseert aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, gekoppeld aan een verplicht reclasseringscontact en een klinische opname en behandeling bij Altrecht als bijzondere voorwaarden.

Dit komt overeen met hetgeen voornoemde psychiater in het hiervoor aangehaalde rapport heeft geadviseerd.

De rechtbank heeft voorts gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld wegens een soortgelijk feit.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf op teneinde verdachte er in de toekomst van te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen en tevens om verdachte een kader te bieden waarin hij begeleid en behandeld zal worden.

Gelet op verdachtes afwerende houding ten opzichte van een klinische opname bij Altrecht, ziet de rechtbank af van de door de deskundigen C.J.F. Kemperman en de door Centrum Maliebaan geadviseerde behandeling in een klinische setting. Aangezien verdachte het belang van behandeling van zijn persoonlijkheidsproblematiek en alcoholafhankelijkheid wel inziet, zal de rechtbank aan het reclasseringstoezicht de mogelijkheid van een ambulante behandeling verbinden.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke werkstraf van 40 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van deze rechtbank van 19 december 2008 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden. Immers, uit het rapport van S. Modderman van het Leger des Heils van

29 juni 2010 blijkt dat verdachte zich heeft onttrokken aan de begeleiding bij Centrum Maliebaan en Stichting UMAH-HAI. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 47, 55, 282a, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van gijzeling

en

medeplegen van bedreiging

en

mishandeling.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, ook als dit inhoudt dat verdachte een verplichte behandeling bij Altrecht dient te ondergaan;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van deze rechtbank

d.d. 19 december 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/610998-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 40 uren;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. N.M. Kranenbroek en

mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 oktober 2010.