Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BO0312

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
13-10-2010
Zaaknummer
16-600586-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is samen met een ander met geweld de woning van aangever binnengedrongen, waarna hij aangever heeft bedreigd en gegijzeld. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600586-10 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein.

Raadsman mr. W. van der Velde, advocaat te Rhenen.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 september 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: (samen met een ander) [aangever 1] heeft gegijzeld;

feit 2: (samen met een ander) [aangever 1] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

De raadsman heeft ter zitting het verweer gevoerd dat de opsporingsambtenaren die verdachte in de woning van [aangever 1], aangever, hebben aangehouden deze woning onrechtmatig zijn binnengetreden, aangezien de voorschriften van de Algemene wet op het binnentreden (hierna te noemen: AWBI) hierbij niet zouden zijn nageleefd. Deze onrechtmatigheid levert volgens de raadsman een verzuim van vormen op dat niet meer kan worden hersteld en waarop niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te volgen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De AWBI beoogt een bewoner te beschermen tegen onrechtmatig binnentreden. Deze verdachte is niet de bewoner van het pand waar de politie is binnengetreden, zodat er geen sprake is van een beschermd belang van deze verdachte.

De rechtbank ziet tot slot geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen en daartoe de hierna te noemen verweren gevoerd.

4.3. De bewijsverweren

Betrouwbaarheid van de verklaring van aangever

De raadsman is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft daartoe primair de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever betwist.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank de verklaring van aangever wel degelijk betrouwbaar. Zijn verklaring is zeer gedetailleerd en vindt bovendien op essentiële punten steun in de - hierna te noemen - verklaringen van getuige [getuige] en medeverdachte [medeverdachte 1] en ook in de verklaring van verdachte zelf. Tot slot vindt de verklaring van aangever steun in de processen-verbaal van de betrokken politieambtenaren. De rechtbank zal voornoemd verweer dan ook verwerpen.

De feiten

Op basis van de verklaring van aangever, alsmede de overige informatie die in het dossier is opgenomen en hetgeen ter zitting is besproken, stelt de rechtbank de volgende feiten vast.

Aangever, [aangever 1] en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben al enige weken een conflict. Als verdachte op 9 juni 2010 bij [medeverdachte 1] is en deze van een derde telefonisch over dit conflict bericht ontvangt, ontstaat het idee om samen naar aangever toe te gaan om een en ander met hem te gaan bespreken. Ook [getuige] gaat met hen mee.

Als ze bij de woning van aangever in Driebergen-Rijsenburg zijn aangekomen, weigert aangever open te doen om met hen te praten. Daarop trapt verdachte de deur van de woning van aangever in, waarna hij samen met [medeverdachte 1] en [getuige] de woning binnengaat. Als aangever bij zijn standpunt blijft, wordt de sfeer steeds grimmiger. Een van de mannen toont aangever een vuist en zegt tegen hem: “Anders geef ik jou er zo één.” Vervolgens wordt aangever naar de woonkamer getrokken en op de bank geduwd. Nadat [medeverdachte 1] een brandende sigaret tegen de hand van aangever heeft geduwd, wordt aangever verteld dat hij mee moet gaan naar het [adres] om daar met een jongen te praten. Aangever hoort dat hij mee moet gaan omdat ze hem anders twee blauwe ogen zouden slaan. Hij gaat met hen mee de trap af, naar buiten. De door buren ingeschakelde politieambtenaren die onderaan de trap staan, horen dat er wordt gezegd: “Kom nu maar mee. Doe je deur maar op slot. Loop nu rustig mee, ander[s] trek ik je kop van je romp.”, waarna zij verdachte en [medeverdachte 1] aanhouden. Door een politieambtenaar wordt op de rug van de hand van aangever een verse brandblaar waargenomen.

Verdachte heeft ter zitting erkend dat hij samen met [medeverdachte 1] naar de woning van aangever is gegaan, de deur van de woning van aangever heeft ingetrapt, samen met medeverdachte [medeverdachte 1] naar binnen is gegaan, daar met aangever heeft gesproken en tot slot samen met aangever en medeverdachte [medeverdachte 1] de trap af is gelopen.

Medeplegen

De raadsman heeft subsidiair aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte de onder feit 1 en 2 genoemde bedreigende woorden tegen aangever heeft gebruikt, waardoor (partiële) vrijspraak dient te volgen ten aanzien van deze feiten.

De rechtbank zal ook dit verweer verwerpen.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van medeplegen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]. Ieder van de verdachten is dan ook aansprakelijk voor het geheel, dus ook voor de uitvoeringshandelingen welke verdachte niet zelf, maar een medeverdachte heeft verricht. De beantwoording van de vraag naar wie exact welke bedreigende woorden heeft gebruikt tegen aangever, kan dan ook naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven.

Opzet op wederrechtelijke vrijheidsberoving

De raadsman heeft meer subsidiair ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte gericht was op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever. Verdachte wilde alleen maar dat aangever het betreffende conflict met [medeverdachte 1] zou uitpraten, aldus de raadsman. Bovendien zou uit de getuigeverklaring die [getuige] ter zitting heeft afgelegd volgen dat aangever geheel vrijwillig met hen is meegegaan.

De rechtbank verwerpt ook deze verweren.

Op basis van de hierboven beschreven gedragingen van verdachte en [medeverdachte 1] is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht was op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangever. De woorden: “Je gaat mee, anders dan trek ik de kop van je romp” kunnen ook moeilijk anders worden uitgelegd dan te zijn gericht op zijn vrijheidsberoving. Bovendien spreekt [medeverdachte 1] van dwang, terwijl uit de verklaring van aangever volgt dat hij zich ook daadwerkelijk gedwongen heeft gevoeld om mee te gaan. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de getuigeverklaring van [getuige] dat aangever geheel vrijwillig is meegegaan.

Eendaadse samenloop

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van de tenlastegelegde feiten sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank zal derhalve één strafbepaling toepassen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 9 juni 2010 te Driebergen-Rijsenburg, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [aangever 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk [aangever 1], te dwingen iets te doen, immers heeft/is

verdachte, tezamen en in vereniging met een ander toen en aldaar:

- een voordeur ingetrapt en vervolgens de woning van die [aangever 1]

binnengegaan en

- die [aangever 1] onder het tonen van een vuist de woorden toegevoegd: "Anders

geef ik jou er zo één" en vervolgens die [aangever 1] naar de woonkamer

getrokken en op een bank geduwd en

- een brandende sigaret op de hand van die [aangever 1] gedrukt en

- (zakelijk weergegeven) tegen die [aangever 1] gezegd dat hij nu mee moest gaan

naar het [adres] om daar met een jongen te praten en

- die [aangever 1] meegenomen de trap af en (zakelijk weergegeven) tegen die [aangever 1] gezegd dat hij mee moest omdat ze hem anders twee blauwe ogen zouden slaan en

- tegen die [aangever 1] gezegd: "Je gaat nu mee, anders dan trek ik de kop van je

romp", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

2.

op 9 juni 2010 te Driebergen-Rijsenburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend

- (onder het tonen van een vuist) die [aangever 1] de woorden toegevoegd: "Anders

geef ik jou er zo één" en

- (zakelijk weergegeven) tegen die [aangever 1] gezegd dat hij mee moest omdat ze

hem anders twee blauwe ogen zouden slaan en

- tegen die [aangever 1] gezegd: "Je gaat nu mee, anders dan trek ik de kop van je

romp", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

ten aanzien van de feiten 1 en 2:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van gijzeling

en

medeplegen van bedreiging.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een aantal persoonlijke omstandigheden van verdachte genoemd en de rechtbank verzocht hiermee rekening te houden bij het bepalen van de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is samen met een ander met geweld de woning van aangever binnengedrongen, waarna hij aangever heeft bedreigd en gegijzeld. Gijzeling vormt een zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke vrijheid van aangever. Het moet voor hem, zeker gezien de bedreigende woorden die tegen hem zijn gebruikt, een uitermate beangstigende situatie zijn geweest. Door dergelijke feiten worden gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij zowel aangever als bij de maatschappij in het algemeen. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank heeft wat betreft de persoon van verdachte gelet op een de verdachte betreffend rapport van de reclassering d.d. 31 augustus 2010, opgemaakt door I. Koppelman. Deze rapporteur schat het risico op recidive laag in. Omdat het de reclassering niet duidelijk is hoe verdachte tot de bewezenverklaarde feiten heeft kunnen komen, acht de reclassering het echter wel van belang dat hij de reden die tot zijn agressieve en bedreigende gedrag heeft geleid duidelijk krijgt. Voornoemde rapporteur adviseert dan ook aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gekoppeld aan een verplicht reclasseringscontact en een behandeling bij De Waag als bijzondere voorwaarden.

De rechtbank heeft voorts gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legt deze voorwaardelijke straf op teneinde verdachte er in de toekomst van te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen en tevens om verdachte een kader te bieden waarin hij begeleid en behandeld zal worden. De rechtbank zal, gezien voornoemd advies van de reclassering, tevens reclasseringscontact en een verplichte behandeling bij De Waag opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 47, 55, 282a en 285 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

eendaadse samenloop van:

medeplegen van gijzeling

en

medeplegen van bedreiging;

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dit inhoudt dat verdachte een verplichte behandeling bij De Waag dient te ondergaan;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en

mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A. Groenevelt-Timmer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 oktober 2010.