Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN9493

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
17-03-2010
Datum publicatie
06-10-2010
Zaaknummer
16-601235-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stalking wettig en overtuigend bewezen. Gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde van een contactverbod gedurende de proeftijd t.a.v. aangever, zijn ouders en zijn broer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601235-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 17 maart 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

raadsvrouw mr. M.G.J. Post, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 3 maart 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:.

Feit 1 en 2: in de periode van 1 augustus 2008 tot en met 3 augustus 2009 en in de periode van 1 oktober 2009 tot 21 november 2009 [aangever 1] heeft belaagd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de verklaringen van verdachte en drie aangiften van [aangever 1] in het dossier.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouwe wijst daarbij op het ontbreken van een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de heer [aangever 1]. Vanwege de dubbelzinnige signalen die [aangever 1] heeft gegeven aan verdachte, zijn opmerkingen dat hij geen contact meer met haar wilde door haar niet als zodanig opgevat. Voorts is er geen sprake van bedreigende c.q. beledigende sms’jes. Daarbij heeft [aangever 1] het zoeken van contact door verdachte kennelijk niet zo erg gevonden, nu hij geen stappen heeft ondernomen om dit contact te blokkeren, bijvoorbeeld door het wijzigen van zijn e-mailadres en telefoonnummer. Subsidiair is de verdediging van mening dat de tenlastegelegde periode van 1 augustus 2008 tot en met 3 augustus 2009 te ruim is, omdat pas vanaf 10 oktober 2008 de strubbelingen tussen verdachte en [aangever 1] zijn ontstaan. Bovendien is terzake het eerste feit het aantal en de datering van de in de dagvaarding genoemde sms-berichten niet duidelijk, wordt in de eerste aangifte van [aangever 1] geen melding gemaakt van e-mails en blijft onduidelijk wanneer en hoe vaak verdachte bij [aangever 1] voor de deur zou hebben gestaan. Terzake het tweede feit is alleen bewijs aanwezig met betrekking tot het bellen en sms’en naar [aangever 1] door verdachte, maar ook ten aanzien daarvan blijft onduidelijk hoe vaak en wanneer dit zou hebben plaatsgevonden. De raadsvrouw is dan ook van mening dat dit bewijs geen stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangever oplevert.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Ten aanzien van feit 1

[aangever 1] verklaart in zijn eerste aangifte op 3 augustus 2009 dat hij verdachte rond augustus 2008 heeft leren kennen. Na een aantal afspraken met verdachte heeft [aangever 1] tegen verdachte gezegd dat hij geen contact meer met haar wilde. Verdachte bleef hem echter zeer vaak sms’en en bellen. [aangever 1] reageerde hier niet op. Na driekwart jaar heeft [aangever 1] naar verdachte gebeld met het verzoek op te houden met bellen en sms’en. Na dit telefoontje heeft [aangever 1] geen contact meer met verdachte opgenomen. Verdachte stond regelmatig voor de woning van [aangever 1]. Ook is zij tegen de wil van [aangever 1] ongeveer vijf maal op zijn werk in Baarn verschenen.

Deze aangifte wordt ondersteund door de verklaring van verdachte waaruit blijkt dat [aangever 1] op 10 oktober 2008 het contact met haar wilde beëindigen. [aangever 1] verzocht haar die avond meerdere malen om zijn huis te verlaten. [aangever 1] dreigde de politie te bellen, omdat verdachte weigerde te vertrekken. Verdachte verklaarde daarna vaak bij [aangever 1] huis te zijn geweest om te kijken hoe hij uit zijn auto stapte. [aangever 1] vertelde haar dat hij daar ziek van werd. Medio maart 2009 zei [aangever 1] dat verdachte moest ophouden hem op te zoeken bij zijn huis en waarom zij zichzelf steeds “voor lul” zette door bij hem langs te komen. Desondanks is verdachte volgens haar verklaring bij [aangever 1] langs blijven gaan. Daarnaast heeft verdachte via relatieplanet onder een andere naam een aantal keren via de mail contact met [aangever 1] gezocht. Verdachte heeft [aangever 1] rond 1 april 2009 en op 1 juli 2009 [aangever 1] bezocht op zijn werk. Zij heeft sms-jes naar [aangever 1] verstuurd met haar mobiele telefoon. [aangever 1] heeft deze berichten niet beantwoord.

De politie heeft op 20 augustus 2009 de telefoon van verdachte uitgelezen. Hieruit is gebleken dat verdachte 111 sms’jes naar [aangever 1] heeft gestuurd en hem 4x heeft gebeld.

Ten aanzien van feit 2

[aangever 1] verklaart in zijn aangifte van 11 november 2009 dat verdachte hem sinds 2 oktober 2009 weer dagelijks benadert met telefoontjes, sms-berichten en e-mails. In oktober en november 2009 heeft [aangever 1] 35 sms-berichten van verdachte ontvangen. Op 10 november 2009 heeft verdachte [aangever 1] ongeveer zeven keer gebeld. Ook heeft verdachte tegen de wil van [aangever 1] op 22 oktober 2009 voor het huis van de broer van [aangever 1] in Eindhoven gestaan. Op 24 oktober 2009 heeft verdachte aangebeld bij de woning van de ouders van [aangever 1] in Amersfoort. [aangever 1] geeft aan dat hij door het gedrag van verdachte gedwongen wordt om een ander leven te leiden en dat dit hem vrees aanjaagt. [aangever 1] wil dat verdachte stopt hem te benaderen.

Op 20 november 2009 heeft [aangever 1] opnieuw aangifte gedaan van belaging door verdachte. [aangever 1] krijgt nog steeds met grote regelmaat e-mails, sms’jes en telefoontjes van verdachte. Ook zoekt verdachte hem steeds op bij zijn woning; op 20 november 2009 omstreeks 18:15 uur zag aangever verdachte opnieuw voor de voordeur van zijn woning te Leusden staan. [aangever 1] heeft tegen verdachte gezegd dat ze weg moest gaan. Desondanks ontving aangever om 20:00 uur op dezelfde avond een sms-bericht van verdachte waaruit bleek dat zij weer voor de deur van aangevers woning stond.

De aangiften van [aangever 1] van 11 en 20 november 2009 vinden steun in de verklaring van verdachte dat zij dagelijks contact met hem zoekt . Verdachte heeft verklaard dat zij begrijpt wat stalking inhoudt en dat zij beseft dat zij dit op momenten heeft gedaan. Verdachte stelt echter door te gaan met het volgen van [aangever 1] tot er een wederzijds akkoord tussen hen beiden is bereikt. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat zij de broer en de ouders van [aangever 1] bij hun woning heeft bezocht. Ter zitting van 3 maart 2010 voegt verdachte hieraan toe dat zij dit op eigen initiatief heeft gedaan. Verdachte erkent dat zij grenzen heeft overschreden.

Bewijsoverweging

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de feitelijke handelingen die zijn tenlastegelegd zijn bewezen. Ten aanzien van feit 1 gaat de rechtbank uit van de periode van 10 oktober 2008 tot en met 3 augustus 2009.

Met betrekking tot het verweer dat [aangever 1] dubbelzinnige signalen uitzond, waardoor het verdachte niet duidelijk kon zijn dat hij geen contact met haar wilde, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het dossier blijkt op geen enkele wijze dat [aangever 1] in zijn handelen en gedragingen tegenover verdachte dubbelzinnig is geweest. Blijkens de voornoemde bewijsmiddelen heeft [aangever 1] herhaaldelijk en uitdrukkelijk aangegeven dat hij geen contact meer met verdachte wilde en dat zij haar pogingen daartoe moest staken. Op 27 juli 2009 heeft een politieagent geprobeerd een aanzegging wederrechtelijke belaging aan verdachte uit te reiken . Verdachte wilde deze verklaring niet ondertekenen of in ontvangst nemen. Daarna is verdachte geconfronteerd met de aangiften van [aangever 1]. Verdachte is desondanks toch met grote regelmaat contact blijven zoeken met [aangever 1]. Zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris wil verdachte niet horen dat er voor haar en [aangever 1] geen toekomst is. Onder deze omstandigheden diende het verdachte echter duidelijk te zijn dat [aangever 1] geen contact met haar wilde. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Het verweer van de raadsvrouwe dat [aangever 1] de handelwijze van verdachte kennelijk niet zo vervelend vond omdat hij zijn telefoonnummer en zijn e-mailadres niet heeft gewijzigd, houdt naar het oordeel van de rechtbank evenmin stand. [aangever 1] heeft drie maal aangifte gedaan tegen verdachte en heeft meermalen gezegd dat hij geen contact meer met haar wilde. Daarnaast heeft hij zijn e-mail verkeer met verdachte via relatieplanet geblokkeerd. Dit geeft voldoende blijk van zijn onvrede met de situatie.

Het verweer van de raadsvrouwe dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1] niet wederrechtelijk is geweest, gelet op de niet onvriendelijke toon van de sms- en e-mailberichten houdt naar het oordeel van de rechtbank geen stand. Ook een vriendelijke benadering kan worden aangeduid als stalking, wanneer door de intensiteit, duur en frequentie van het contact, alsmede het onvrijwillige karakter daarvan, sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dat verdachte zich vriendelijk heeft opgesteld in haar benadering van [aangever 1] heft de wederrechtelijkheid van de inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer niet op.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de ten laste gelegde perioden contact bleef zoeken met [aangever 1] terwijl hij had aangegeven dit niet te willen. Gelet op de frequentie van de telefonische en andere contacten en de hardnekkigheid waarmee verdachte [aangever 1] tegen zijn wil dwong tot dat contact, is er sprake van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijk inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1]. Door zo te handelen, heeft verdachte [aangever 1] belaagd.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op één of meer tijdstippen in de periode van 10 oktober 2008 tot en met 03 augustus 2009 te Leusden, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van [aangever 1], met het oogmerk die [aangever 1], te dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden, immers heeft verdachte in

genoemde periode,

- een aantal sms-berichten verzonden aan die [aangever 1] en

- meermalen die [aangever 1] gebeld en

- een aantal e-mailberichten verzonden aan die [aangever 1] en

- meermalen bij die [aangever 1] voor de woning gestaan;

2.

op één of meer tijdstippen in de periode van 01 oktober 2009 tot 21 november 2009 te Leusden en Eindhoven en Amersfoort, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [aangever 1], met het oogmerk die [aangever 1], te dwingen iets te doen, niet te doen en te dulden, immers heeft verdachte

in genoemde periode veelvuldig contact opgenomen, (terwijl die [aangever 1] had

aangegeven dat contact niet te willen), immers heeft verdachte,

- in elk geval meerdere sms-berichten verzonden aan die [aangever 1] en

- meermalen die [aangever 1] gebeld en

- een aantal email-berichten verzonden aan die [aangever 1] en

- meermalen bij die [aangever 1] en bij de broer van die [aangever 1] (te

Eindhoven) en bij de ouders van die [aangever 1] (te Amersfoort) voor de woning

gestaan en aangebeld.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 en 2 telkens: belaging

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

Psychiater A.C. Bruijns, concludeert in zijn rapportage van 22 januari 2010 dat verdachte beperkt heeft meegewerkt aan het onderzoek. De kans is groot dat een psychotische stoornis een belangrijke oorzakelijke factor is voor het gedrag van verdachte bij de ten laste gelegde feiten. Maar de aard en de ernst van die stoornis is niet na te gaan. De beperkingen van het onderzoek zijn te groot om een advies te kunnen geven over de mate van ontoerekeningsvatbaarheid. Ook is het niet mogelijk een verantwoorde inschatting te kunnen maken van het recidivegevaar op basis van de stoornis.

Verdachte heeft geweigerd om toestemming te verlenen voor het uitbrengen van een adviesrapportage, dan wel nader mee te werken aan een NIFP rapportage.

Nu verdachte niet althans beperkt heeft meegewerkt aan rapportages ter voorlichting van de rechtbank omtrent haar psychische gesteldheid en persoonlijke omstandigheden en de deskundige niet tot een conclusie over de mate van haar toerekeningsvatbaarheid is kunnen komen, gaat de rechtbank uit van een volledige toerekeningsvatbaarheid.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen: een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 123 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte op geen enkele wijze contact legt met aangever, zijn ouders of zijn broer, middellijk of onmiddellijk.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt primair vrijspraak van de ten laste gelegde feiten. Voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van belaging betoogt de verdediging dat het een zeer vriendelijke vorm daarvan betreft. Daarbij acht de verdediging van belang dat de wijze waarop verdachte contact met [aangever 1] heeft opgenomen geen gevaar heeft opgeleverd voor [aangever 1]. Mocht de rechtbank overgaan tot veroordeling dan bepleit de verdediging schuldigverklaring zonder oplegging van straf en subsidiair om een straf op te leggen die veel lager is dan de duur van de voorlopige hechtenis. Gelet op het ontbreken van een strafblad, de geringe ernst van de feiten en de lengte van het voorarrest, is er geen noodzaak om verdachte een straf op te leggen, noch om haar een proeftijd of hulpverlening op te leggen. De verdediging benadrukt dat er geen sprake is van recidivegevaar.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van in totaal ongeveer 12 maanden schuldig gemaakt aan het stalken van [aangever 1], door hem nagenoeg dagelijks te benaderen via sms’jes, e-mails en bezoeken aan zijn woning.

Verdachte wist van [aangever 1] zelf, doch ook op grond van de aanzegging wederrechtelijkheid belaging, dat contact met [aangever 1] – in welke vorm dan ook – door hem niet op prijs werd gesteld. Verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen. Zij heeft zich gefocust op het tot stand brengen van een relatie met [aangever 1] zonder in te zien dat haar gedrag niet alleen een averechtse werking had, maar ook de privacy van [aangever 1] ernstig heeft aangetast. [aangever 1] is bij voortduring geconfronteerd met verdachte. Dit heeft bij hem gevoelens van onrust gegeven.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op genoemde rapportage van psychiater A.C. Bruijns.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding om daaraan de bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte op geen enkele wijze contact mag leggen met aangever, zijn ouders of zijn broer, middellijk of onmiddellijk.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 14a, 14b, 14c, 57, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 en 2 (telkens): belaging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen waarvan 63 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

? omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze contact zal leggen met aangever, zijn ouders of zijn broer, middellijk of onmiddellijk;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors, mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 17 maart 2010.