Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN8132

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
16-710610-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met bijzondere voorwaarden wegens opzettelijk handelen in strijd met art. 2 onder B en C van de Opiumwet, witwassen en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-710610-10 (strafzaak) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

thans gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein.

Raadsvrouw: mr. M.P. Bos, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 19 juli 2010, waarbij de officier van justitie, mr. E.J. Oosterwegel, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: opzettelijk cocaïne heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Feit 2: in vereniging geldbedragen en/of een personenauto van het merk Rover heeft witgewassen.

Feit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van feit 1

De officier van justitie heeft gesteld dat de ten laste gelegde periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat hij niet vanaf 1 oktober 2009 heeft gedeald in cocaïne omdat hij pas sinds 21 oktober 2009 een auto had. Indien de rechtbank deze verklaring van verdachte volgt, dient volgens de officier van justitie de periode van 21 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 wettig en overtuigend bewezen te worden verklaard.

Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat de verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd ongeloofwaardig moet worden geacht om de volgende redenen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij vanaf december 2009 cocaïne heeft verkocht aangezien zijn mobiele telefoonnummer [telefoonnummer] pas sindsdien actief is. [getuige 1], afnemer van cocaïne bij verdachte, heeft echter op 11 mei 2010 verklaard dat het telefoonnummer van verdachte [telefoonnummer] is en dat verdachte ongeveer tweeënhalve maand geleden van telefoonnummer is veranderd. Reeds sinds oktober/november 2009 heeft [getuige 1] cocaïne afgenomen bij verdachte. Volgens verdachte ter terechtzitting klopt deze verklaring van [getuige 1] niet, maar hij heeft hiervoor geen uitleg gegeven, aldus de officier van justitie.

Voorts heeft verdachte ter zitting ontkend dat het zwarte portemonneetje, inhoudende 11 ponypacks met cocaïne, dat is aangetroffen langs de vluchtroute die verdachte direct voorafgaande aan zijn aanhouding heeft afgelegd, van hem was terwijl [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] dit portemonneetje hebben herkend als het portemonneetje waar verdachte de cocaïne in bewaarde.

Daarnaast heeft verdachte volgens de officier van justitie geen aannemelijke verklaring gegeven voor de geldbedragen die in zijn woning, bij zijn fouillering en op zijn Rabobankrekening zijn aangetroffen.

Bij de doorzoeking is onder een vastgeschroefd paneel van een tuimelraam een notitieboekje post-its gevonden met hierop vermeld enkele afkortingen en bedragen. Verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hij dit gebruikte om in te loggen op bepaalde sites op het internet. Hij liet echter niet toe dat de politie deze gebruikersnamen controleerde. Ter terechtzitting gaf verdachte toestemming om de gegevens te checken, maar dat is volgens de officier van justitie te laat.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft niet aannemelijk gemaakt dat de geldbedragen die op zijn Rabobankrekening, in zijn slaapkamer en bij hemzelf tijdens zijn fouillering zijn aangetroffen, legale inkomsten waren. Dat geldt eveneens ten aanzien van de personenauto van het merk Rover die verdachte voor € 1.400,- heeft gekocht. In eerste instantie heeft verdachte verklaard dat het bedrag van € 1.400.- afkomstig was uit zijn scooterhandel. Vervolgens heeft hij verklaard dat dit geldbedrag spaargeld was. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij dit bedrag van zijn vader had ontvangen. Het geldbedrag dat bij zijn aanhouding is aangetroffen zou deels spaargeld en deels geld van de verkoop van cocaïne zijn, volgens verdachte.

Verdachte had ten tijde van de ten laste gelegde periode geen werk en ook geen uitkering. Hij heeft voorafgaand aan de ten laste gelegde periode studiefinanciering ontvangen. De bedragen die verdachte aan studiefinanciering heeft ontvangen kunnen de hoogte van de bedragen die op zijn Rabobank rekening zijn gestort niet verklaren.

Nu verdachte niet de legale herkomst van in de tenlastelegging genoemde geldbedragen heeft kunnen aantonen moet dit geldbedrag uit criminele activiteiten afkomstig zijn zodat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte dit geldbedrag heeft witgewassen. De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 16.260,88, gelet op de ten laste gelegde periode, dient te worden verminderd tot een bedrag van € 6.276,35.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

De verdediging is van mening dat het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden waarbij de ten laste gelegde periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 dient te worden verkort naar 1 december 2009 tot en met 14 april 2010.

Ten aanzien van feit 2

Voorts dient verdachte van feit 2 te worden vrijgesproken met uitzondering van het witwassen van een bedrag van € 150,- à € 200,- dat verdachte bij zich had op het moment van zijn aanhouding, aangezien dit bedrag afkomstig was uit de verkoop van cocaïne. Volgens de verdediging is het verklaarbaar dat verdachte over de overige ten laste gelegde contante bedragen heeft beschikt.

Vanaf 24 september 2009 is in zes keer een totaalbedrag van € 2.241,95 aan studiefinanciering gestort op de bankrekening met nummer [rekeningnummer]. Verdachte heeft deze bedragen steeds op de dag van de stortingen of de dag erna gepind en dus contant in zijn bezit gehad. Daarnaast heeft verdachte spaargeld opgebouwd met geld dat hij heeft verdiend met de handel in scooters. Verder heeft verdachte in totaal een geldbedrag van

€ 2.500,- van zijn vader gekregen, te weten € 1.000,- als lening en € 1.500,- als schenking.

Ten slotte valt volgens de raadsvrouw niet te bewijzen dat de ten laste gelegde geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 150,- à € 200,-, uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Ten aanzien van feit 3

Ten slotte heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte van het onder 3 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken omdat het stroomstootwapen niet werkte en derhalve niet geschikt was om er pijn mee toe te dienen of personen weerloos te maken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. De bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 14 april 2010 in het arrondissement Utrecht cocaïne vanuit een auto heeft verkocht aan [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 1], [betrokkene 2], [getuige 2] en [getuige 1]. De verkoopprijs was € 25,- per halve gram cocaïne. Verdachte bewaarde de cocaïne die hij verkocht in een zwart etuitje. Sinds december 2009 was zijn telefoonnummer

[telefoonnummer].

[betrokkene 3] heeft zijn dealer € 25,- betaald voor een halve gram cocaïne. Hij heeft cocaïne in Woerden gekocht. Zijn dealer bewaarde de drugs altijd in een zwart etuitje. [betrokkene 3] bestelde de cocaïne telefonisch. Zijn dealer bepaalde vervolgens een locatie voor de drugstransactie. Er werd telefonisch niet over verdovende middelen gesproken. [betrokkene 3] heeft op 14 april 2010 een gram cocaïne voor € 50,- bij zijn dealer gekocht. Normaliter kocht hij een halve gram bij hem . [betrokkene 3] heeft twee tot drie keer per week een halve gram cocaïne gekocht bij zijn dealer . [betrokkene 3] heeft op 15 april 2010 verklaard dat hij sinds een half jaar drugs bij zijn dealer heeft gekocht .

Op 14 april 2010 heeft de politie een ponypack met cocaïne bij [betrokkene 4] aangetroffen. [betrokkene 4] heeft deze cocaïne op voornoemde datum in Woerden bij zijn dealer gekocht. [betrokkene 4] heeft ongeveer een jaar ervoor het telefoonnummer van zijn dealer gekregen. Het telefoonnummer van zijn dealer begint met [telefoonnummer]. Als [betrokkene 4] zijn dealer belde vertelde de dealer hem waar hij heen moest komen. Op die locatie kocht [betrokkene 4] de cocaïne. [betrokkene 4] heeft € 25,- betaald voor de ponypack die bij hem is aangetroffen. [betrokkene 4] koopt al ongeveer een jaar cocaïne bij dezelfde dealer .

[betrokkene 1] heeft op 14 april 2010 een gram cocaïne in Woerden gekocht. Zij heeft hiertoe haar dealer gebeld. De dealer stelde een locatie voor waar de drugstransactie zou plaatsvinden. Ze hebben telefonisch niet over verdovende middelen gesproken Op de afgesproken locatie heeft [betrokkene 1] twee halve grammen cocaïne voor € 50,- gekocht . [betrokkene 1] heeft in totaal vier keer cocaïne bij deze dealer gekocht. De dealer haalde de drugs uit een zwart etuitje .

[betrokkene 2] heeft op 14 april 2010 een halve gram cocaïne in een ponypack gekocht van zijn dealer. [betrokkene 2] heeft de cocaïne telefonisch besteld. Hij sprak dan een locatie af met zijn dealer. Er werd telefonisch niet over drugs gepraat. [betrokkene 2] heeft € 25,- voor de halve gram cocaïne betaald. [betrokkene 2] gebruikte sinds 1 januari 2010 cocaïne en heeft sindsdien cocaïne bij deze dealer gekocht. De dealer pakte de cocaïne uit een zwart/bruin portemonneetje .

Verdachte heeft gezien dat [betrokkene 2] op 14 april 2010 door de politie werd aangehouden. Verdachte is toen direct met zijn auto gevlucht waarna de politie hem heeft achtervolgd en in Woerden heeft aangehouden . De laatste koper (de rechtbank begrijpt: [betrokkene 2]) is eveneens in Woerden aangehouden .

Verbalisant [verbalisant] heeft gerelateerd dat hij op 14 april 2010 een aantal kopers van verdovende middelen heeft gehoord die verklaarden dat verdachte de ponypacks met drugs uit een zwart portemonneetje haalde. Na de aanhouding van verdachte op 14 april 2010 werd geen zwart portemonneetje bij hem noch in zijn auto aangetroffen. Verdachte heeft voor zijn aanhouding een vluchtroute met zijn auto afgelegd. Op 16 april 2010 heeft verbalisant [verbalisant] de vluchtweg van verdachte afgezocht en langs deze route een zwart portemonneetje aangetroffen. In het portemonneetje zaten ponypacks. Op het politiebureau heeft verbalisant [verbalisant] twee foto’s van het portemonneetje gemaakt en vervolgens verpakt voor forensisch onderzoek aangeboden .

In het zwarte portemonneetje zaten 11 wikkels met wit poeder . Het betrof in totaal 4,10 gram netto wit poeder dat bij het afnemen van een cocaïne indicatietest een positieve reactie op cocaïne gaf. Vervolgens is de bemonstering genummerd AACJ5234NL naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna te noemen: NFI) verzonden ten behoeve van nader onderzoek . De bij de afnemers [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangetroffen middelen gaven bij afname van een cocaïne indicatietest eveneens een positieve reactie op cocaïne. De bemonsteringen met nummer AACJ5232NL, AACJ5231NL, AACJ5230NL en AACJ5229NL naar het NFI verzonden ten behoeve van nader onderzoek . Blijkens twee rapporten van het NFI bevatten de monsters met de kenmerken AACJ5234NL, AACJ5232NL, AACJ5231NL, AACJ5230NL en AACJ5229NL cocaïne .

De politie heeft [betrokkene 1] en [betrokkene 2] twee foto’s getoond van het zwarte portemonneetje dat de politie langs eerdergenoemde vluchtroute heeft gevonden. [betrokkene 1] heeft het etuitje op de foto’s herkend als het etuitje waaruit zijn dealer op 14 april 2010 de ponypacks cocaïne heeft gehaald . [betrokkene 2] heeft verklaard dat het etuitje op de foto’s sterke gelijkenis toont met het etuitje waaruit zijn dealer op 14 april 2010 een ponypack met cocaïne haalde .

[getuige 2] heeft op 11 mei 2010 verklaard dat hij gedurende een jaar cocaïne bij een dealer heeft gekocht. Hij belde zijn dealer als hij drugs wilde kopen om een plek voor de drugstransactie af te spreken. Op de afgesproken plek kocht [getuige 2] de cocaïne. [getuige 2] kocht al een jaar bij deze dealer en heeft altijd op hetzelfde telefoonnummer gebeld. Hij kocht altijd halve grammen cocaïne. De drugs waren verpakt in witte papiertjes .

[getuige 1] heeft op 11 mei 2010 verklaard dat hij meestal in Woerden cocaïne bij zijn dealer heeft gekocht. Hij belde zijn dealer op nummer [telefoonnummer] en dan spraken ze een locatie af. [getuige 1] kocht altijd halve grammen cocaïne bij hem. [getuige 1] heeft sinds oktober/november 2009 cocaïne bij verdachte gekocht. De cocaïne was verpakt in ponypacks. De ponypacks zaten in een zwart portemonneetje van de dealer .

In de periode van 26 maart 2010 tot en met 15 april 2010 is het telecomverkeer vastgelegd van het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer]. Gedurende deze periode was in totaal sprake van 2590 inkomende en uitgaande gesprekken en sms-berichten. Veel voorkomende locaties waar tijdens de telefoongesprekken en sms-berichten werd afgesproken bevonden zich in Woerden en Kamerik .

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft een bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] . Op deze bankrekening zijn in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 de volgende contante bedragen gestort:

Datum Bedrag

09-10-2009 1.100,00

09-10-2009 267,25

15-10-2009 578,90

19-10-2009 230,00

03-12-2009 1.295,00

03-12-2009 495,00

14-12-2009 600,00

02-03-2010 960,00

03-03-2010 45,00

16-03-2010 320,00

25-03-2010 385,20

Totaal € 6.276,35

Na de aanhouding van verdachte op 14 april 2010 is bij zijn fouillering een geldbedrag van € 786,20 aangetroffen . Vervolgens is de woning van verdachte doorzocht waarbij in de slaapkamer van verdachte geldbedragen van € 140,- en € 805,- werden aangetroffen . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de dag voor zijn aanhouding een personenauto van het merk Rover met het kenteken [kenteken] heeft gekocht voor een bedrag van € 1.400,-.

Verdachte heeft in 2009 maandelijks bedragen van € 57,- of € 56,- van de Belastingdienst aan zorgtoeslag ontvangen. In 2010 bedroeg dit € 61,- per maand . Verdachte heeft

€ 1.050,- aan schadevergoeding ontvangen van een verzekeringsmaatschappij voor een personenauto . Er hebben regelmatig bijschrijvingen en opnames van de Rabo spaarrekening met nummer [rekeningnummer] plaatsgevonden . Verdachte heeft van [naam] ter zake retour borg € 250,- bijgeschreven gekregen . Hij heeft van [naam] € 100,- en van incassobureau [naam] € 100,- bijgeschreven gekregen . Verdachte heeft van [naam] € 850,- en € 200,- ontvangen voor werk . Hij heeft van [naam] in totaal € 200,- bijgeschreven gekregen op zijn bankrekening . Op 16 april 2010 bedroeg het positieve saldo € 76,06 op zijn bankrekening met nummer [rekeningnummer] en op zijn spaarrekening € 0,- . Verdachte heeft tevens een bankrekening bij de ABN-Amro bank met nummer [rekeningnummer] waarop hij ongeveer € 800,- rood staat. Hij heeft daarvoor een betalingsregeling van € 75,- per maand .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende de periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 niet heeft gewerkt en ook geen uitkering heeft ontvangen. Hij heeft tot en met september 2009 een bedrag van € 375,- per maand aan studiefinanciering ontvangen.

Volgens de gegevens van de Belastingdienst heeft verdachte over het jaar 2009 geen aangifte voor de inkomstenbelasting gedaan. Over 2008 heeft verdachte in totaal bruto

€ 589,- verdiend bij drie werkgevers/uitkeringsinstanties. Over 2009 is geen inkomen uit dienstbetrekking bekend. Verdachte heeft over 2009 een bedrag van € 735,- en over 2010 een bedrag van € 305,- aan zorgtoeslag ontvangen, welke bedragen zijn overgemaakt naar Rabo-bank rekeningnummer [rekeningnummer] .

Ten aanzien van feit 3

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 14 april 2010 te Linschoten een stroomstootwapen in de vorm van een mobiele telefoon voorhanden heeft gehad.

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 14 april 2010 is in de slaapkamer van verdachte een stroomstootwapen aangetroffen . Het aangetroffen wapen betrof volgens [betrokkene 5], technisch rechercheur bij politie Utrecht en expert vuurwapens, een stroomstootapparaat in de vorm van een mobiele telefoon. Het ging om een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht. Er was geen sprake van een medisch hulpmiddel. Voornoemd stroomstootwapen is een wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1, categorie II, onder 5, van de Wet wapens en munitie .

4.3.2. De bewijsoverwegingen en de te bespreken verweren.

Ten aanzien van feit 1

De periode

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van december 2009 tot en met 14 april 2010 cocaïne heeft verkocht en niet gedurende de periode van 1 oktober 2009 tot december 2009. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat het enige mobiele telefoonnummer

[telefoonnummer] dat verdachte heeft gebruikt om bereikbaar te zijn voor zijn afnemers van cocaïne pas sinds december 2009 actief is.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op een printlijst met betrekking tot het telefoonnummer [telefoonnummer] van verdachte staat het telefoonnummer [telefoonnummer] van [getuige 2] vermeld . [getuige 2] heeft op 11 mei 2010 verklaard dat hij sinds een jaar cocaïne bij verdachte kocht en dat hij verdachte altijd op hetzelfde nummer bereikte op het telefoonnummer dat de politie heeft . [getuige 1] telefonisch cocaïne bestelde, belde hij het nummer [telefoonnummer], aldus [getuige 1] op 11 mei 2010 tegenover de politie. Ongeveer tweeënhalve maand daarvoor had verdachte zijn telefoonnummer veranderd. [getuige 1] heeft sinds oktober/november 2009 cocaïne bij verdachte gekocht . Bij de doorzoeking van de woning van verdachte is in zijn slaapkamer onder een vastgeschroefd paneel van een tuimelraam een geel Nokiadoosje met daarin drie mobiele telefoons, twee simkaarten en zeven simkaarthouders met puk codes aangetroffen .

Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte gebruik heeft gemaakt van meerdere mobiele telefoonnummers waarop de kopers van de cocaïne hem konden bereiken. De rechtbank ziet zich hierin gesterkt door de omstandigheid dat het gele Nokiadoosje met inhoud verstopt was onder een paneel in de slaapkamer van verdachte. De rechtbank is op grond van voormelde verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich gedurende de periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 heeft bezig gehouden met de verkoop van cocaïne.

Opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de cocaïne die hij verkocht bewaarde in een zwart etuitje. Hij heeft echter ontkend dat het zwarte portemonneetje met 11 ponypacks cocaïne dat is aangetroffen langs zijn vluchtroute dit zwarte etuitje betreft.

De rechtbank overweegt als volgt.

[betrokkene 2] heeft op 14 april 2010 een halve gram cocaïne bij verdachte gekocht waarna hij is aangehouden door de politie. [betrokkene 2] heeft bij het kopen van de cocaïne gezien dat verdachte de cocaïne uit een zwart portemonneetje haalde. Nadat verdachte zag dat [betrokkene 2] werd aangehouden is hij direct met zijn auto gevlucht. De politie heeft hem achtervolgd en heeft hem vervolgens aangehouden. De politie heeft verdachte hierop gefouilleerd en heeft zijn auto doorzocht. Daarbij is geen zwart portemonneetje aangetroffen. Op 16 april 2010 heeft de politie een zwart portemonneetje met daarin 11 ponypacks cocaïne langs de vluchtroute van verdachte gevonden. Volgens [betrokkene 2] toont dit etuitje sterke gelijkenis met het etuitje waaruit verdachte op 14 april 2010 cocaïne heeft gepakt. [betrokkene 1] heeft het etuitje herkend als het etuitje waaruit haar dealer op 14 april 2010 twee ponypacks cocaïne heeft gehaald.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het portemonneetje dat de politie langs de vluchtroute van verdachte heeft aangetroffen hetzelfde etuitje is waarin verdachte cocaïne bewaarde om deze aan zijn afnemers te verkopen. Zeer kort voor zijn vlucht voor de politie heeft [betrokkene 2] het portemonneetje nog bij verdachte gezien. Na het afleggen van een vluchtroute is verdachte aangehouden waarbij het etuitje niet werd aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat verdachte zich gedurende zijn vluchtroute heeft ontdaan van het bewuste zwarte portemonneetje dat later door de politie is aangetroffen.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft in de ten laste gelegde periode kunnen beschikken over een totaal geldbedrag van € 8.007,55. Volgens de bewijsmiddelen heeft verdachte gedurende de ten laste gelegde periode geen legale inkomsten uit dienstbetrekking ontvangen. Verdachte heeft ook geen uitkering genoten. De hoogte van voormeld geldbedrag werpt dan ook de vraag op hoe verdachte hieraan is gekomen.

De omstandigheden dat verdachte tot en met september 2009 elke maand een bedrag van ongeveer € 375,- aan studiefinanciering heeft ontvangen en dat hij op 1 april 2010 een totaalbedrag van € 2.500,- van zijn vader heeft ontvangen, verklaren niet dat verdachte in de ten laste gelegde periode heeft kunnen beschikken over een totaal geldbedrag van

€ 8.007,55. Bovendien heeft verdachte voormelde bedragen aan studiefinanciering ontvangen voorafgaande aan de ten laste gelegde periode. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat verdachte vanaf 24 september 2009 in zes keer een totaalbedrag van

€ 2.241,95 aan studiefinanciering heeft ontvangen op zijn bankrekening bij de ABN-Amrobank met nummer [rekeningnummer], zoals door de raadsvrouw gesteld.

De rechtbank heeft het bedrag van € 2.500,- dat verdachte op 1 april 2010 van zijn vader zou hebben gekregen niet meegeteld als één van de bedragen die op de bankrekening van verdachte met nummer [rekeningnummer] zijn gestort. De laatste storting die de rechtbank als bewijsmiddel heeft gebezigd vond immers plaats op 25 maart 2010.

De rechtbank acht de stelling van de verdediging dat verdachte geld heeft verdiend met de handel in scooters niet aannemelijk geworden omdat verdachte hierover wisselende verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij het bedrag van € 1.400,- voor de aankoop van een personenauto van het merk Rover heeft gespaard met geld uit de handel in scooters , terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij voormeld geldbedrag van zijn vader heeft gekregen omdat hij een auto nodig had om een handel in scooters te beginnen. Daarnaast heeft de verdediging niet met stukken aangetoond dat verdachte daadwerkelijk een legale handel in scooters dreef. Het enkel overleggen van een aantal fotoprints van een gele scooter acht de rechtbank hiervoor onvoldoende.

Nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van de bij hem aangetroffen geldbedragen en het geld voor de aankoop van een personenauto van het merk Rover, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat deze voorwerpen van enig misdrijf afkomstig zijn. Gelet op de wisselende verklaringen die verdachte heeft afgelegd is de rechtbank van oordeel dat verdachte dit ook heeft geweten. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van de in de bewijsmiddelen vermelde geldbedragen en personenauto.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw dat het stroomstootwapen niet werkte en dat het dus niet geschikt was om pijn toe te dienen of personen weerloos te maken om de volgende redenen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het stroomstootwapen in de vorm van een mobiele telefoon dat bij de doorzoeking in zijn woning in zijn slaapkamer is aangetroffen, werkte nadat hij de binnenkant ervan had droog geföhnd . Volgens het in de bewijsmiddelen opgenomen proces-verbaal van bevindingen was het stroomstootwapen een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht .

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 in het arrondissement Utrecht telkens opzettelijk heeft verkocht en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

2.

in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 14 april 2010 in het arrondissement Utrecht van voorwerpen, te weten

* geldbedragen, te weten:

- € 6.276,35 en

- € 805.- en

- € 140,- en

- € 786,20

en

* een personenauto (merk Rover),

heeft verworven en voorhanden gehad terwijl hij wist dat die voorwerpen

- onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

op 14 april 2010 te Linschoten een wapen van categorie II onder 5° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp in de vorm van een mobiele telefoon waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, niet zijnde een medisch hulpmiddel, voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2:

Witwassen, meermalen gepleegd.

Feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest. De officier van justitie acht oplegging van een voorwaardelijke straf niet gepast aangezien een eerdere veroordeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf heeft geleid tot tenuitvoerlegging hiervan.

Voorts heeft de officier van justitie ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen gevorderd dat de zwarte portemonnee wordt vernietigd, de geldbedragen van € 786,20,

€ 140,- en € 805,- verbeurd worden verklaard en het geldbedrag van € 2.090,- aan [naam] wordt geretourneerd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting betoogd dat de straf die de officier van justitie heeft gevorderd te fors is nu slechts het dealen van cocaïne gedurende 18 weken en het witwassen van een geldbedrag van € 150,- à € 200,- bewezen kan worden verklaard. Verdachte dient tot een deels voorwaardelijke straf te worden veroordeeld, aldus de raadsvrouw.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 28 weken intensief bezig gehouden met het verkopen van cocaïne. Gemiddeld heeft verdachte 201 afspraken per week gehad waarbij hij telkens op zijn minst een halve gram cocaïne heeft verkocht. Ten behoeve van zijn handel in cocaïne heeft verdachte een zwart portemonneetje met daarin 11 ponypacks cocaïne voorhanden gehad. Door aldus te handelen heeft verdachte de gezondheid van de afnemers van deze verdovende middelen in ernstige mate in gevaar gebracht.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een totaalbedrag van € 8.007,55 en een personenauto van het merk Rover ter waarde van € 1.400,-, hetgeen een ontwrichtende werking heeft gehad op het economische verkeer.

Ten slotte heeft verdachte een stroomstootwapen voorhanden gehad, waarvan het ongecontroleerde bezit een ernstige aantasting van de maatschappelijke veiligheid oplevert.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 mei 2010, waaruit blijkt dat de verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld doch niet wegens soortgelijke feiten;

- een reclasseringsadvies betreffende de verdachte van de Reclassering Nederland van 18 juni 2010, opgemaakt door H. van Benthem, reclasseringswerker, onder meer inhoudende het advies om bij eventuele schorsing van de voorlopige hechtenis aan verdachte op te leggen een meldingsgebod, een verplichting tot deelname aan een gedragsinterventie en een verplichting tot het ondergaan van een behandeling bij het Centrum Maliebaan.

De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, een meldingsgebod, verplichte deelname aan een gedragsinterventie en verplichte deelname aan een behandeling passend en geboden.

Anders dan de officier van justitie heeft de rechtbank bij de straftoemeting rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte, de inhoud van voornoemd reclasseringsadvies en de omstandigheid dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld wegens soortgelijke feiten.

7. Het beslag

Verbeurdverklaring:

De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen die aan verdachte toebehoren, te weten:

- 1 zwarte portemonnee;

- een geldbedrag van € 786,20;

- een geldbedrag van € 140,00;

- een geldbedrag van € 805,00

zullen worden verbeurd verklaard, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is begaan.

Teruggave in beslag genomen goederen:

Met betrekking tot het in beslag genomen voorwerp, te weten een geldbedrag van € 2.090,- acht de rechtbank [naam] ([woonadres], [woonplaats]) degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. De rechtbank zal gelasten dat dit voorwerp aan genoemde persoon wordt teruggegeven.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

feit 2: Witwassen, meermalen gepleegd.

feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich moet houden aan een meldingsgebod bij de Reclassering Nederland;

* dat verdachte dient deel te nemen aan een gedragsinterventietraining;

* dat verdachte zich dient te laten behandelen bij Centrum Maliebaan;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- 1 zwarte portemonnee;

- een geldbedrag van € 786,20;

- een geldbedrag van € 140,00;

- een geldbedrag van € 805,00;

- gelast de teruggave aan [naam] van het in beslag genomen voorwerp, te weten:

- een geldbedrag van € 2.090,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. M.P. Gerrits-Janssens en mr. J.M. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 augustus 2010.