Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN8035

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
16/604151-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. De rechtbank bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast. Telkens: schennis van de eerbaarheid, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604151-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1947] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 15 april 2010 en 4 augustus 2010, waarbij de officier van justitie en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich in de periode van 10 juni 2006 tot en met 31 augustus 2009 meermalen schuldig heeft gemaakt aan schennis van de eerbaarheid.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en bezigt daartoe de volgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1. tenlastegelegde:

Op 31 augustus 2009 deed [aangever 1], wonende te Amersfoort aan de [adres] aangifte van schennis van de eerbaarheid. Zij verklaarde dat zij op die dag in de woonkamer van haar woning stond. Zij hoorde dat haar moeder tegen haar zei: "O, hij staat er weer". Zij leidde hieruit af dat hun buurman [verdachte], wonende [woonadres] te Amersfoort, weer bezig was om zichzelf te bevredigen. Zij is direct naar de slaapkamer gelopen die uitzicht geeft op de tuin van de buurman. Zij zei tegen haar vader die op dat moment boven was: Ik ga hem filmen. Zij zag dat [verdachte] op zijn knieën zat in de geopende deur van de aanbouw van zijn woning. Zij had haar telefoon gepakt en had haar buurman gefilmd. Zij zag dat de buurman zijn geslachtsdeel uit zijn gulp had hangen en dat hij zichzelf met zijn hand aan het bevredigen was. Zij voelde zich in haar eerbaarheid aangetast. Zij had het gevoel dat zij geen privacy meer had.

Op 31 augustus 2009 legde [aangever 2], wonende te Amersfoort aan de [adres] een verklaring af. Hij verklaarde dat hij zich op die dag bevond op de eerste verdieping van zijn woning. Hij hoorde dat zijn dochter naar boven kwam en zei: Hij staat er weer. Hij begreep dat zijn dochter het had over de buurman die buiten stond om oneerbare dingen te doen. Zij hadden al eerder aangifte gedaan tegen hun buurman in verband met schennis. Hij zag dat zijn dochter vanuit het raam filmde in de achtertuin van de buurman.

Hij keek door het raam. Hij zag dat zijn buurman [verdachte], wonende [woonadres] te Amersfoort, op zijn knieën zat met zijn geslachtsdeel uit zijn gulp en zichzelf zat te bevredigen in de deuropening van zijn aanbouw.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting op 15 april 2010 dat hij zichzelf op het filmpje had gezien toen het op het politiebureau aan hem werd getoond. Hetgeen op het filmpje te zien was zou kunnen kloppen.

Ten aanzien van het onder 2. tenlastegelegde:

Op 4 april 2007 deed [aangever 3], wonende te Amersfoort aan de [adres] aangifte van schennis van de eerbaarheid op 28 maart 2007. Zij verklaarde dat dit plaatsvond in de woning van [verdachte]. Zij had vanuit haar woning zicht op de woning van [verdachte] en had alles kunnen zien.

Vanuit haar slaapkamer kon zij de achtergevel van de woning van de woning [woonadres] zien. De buurman heet [verdachte] en woont op de [woonadres] te Amersfoort. Zij zag dat hij achter het raam van zijn slaapkamer stond. Zij zag een penis. Zij zag dat een hand een beweging maakte die zij herkende als de beweging die iemand maakt als hij zich masturbeert.

Zij was geshockeerd door wat zij had gezien. Zij voelde zich niet veilig in haar eigen woonomgeving. Het was kwetsend voor haar schaamtegevoel.

Op 11 juni 2007 legde [aangever 2], wonende te Amersfoort, [adres], een verklaring af. Zij verklaarde dat zij op 28 maart 2007 in haar achtertuin was. Zij hoorde de

achterbuurvrouw naar haar roepen: "Hij is weer bezig". Dit werd geroepen door [aangever 3] die aan de [adres] woonde. Zij keek naar de slaapkamer van [verdachte]. Zij zag dat hij voor het slaapkamerraam stond. Zij zag dat hij bezig was met masturberen.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting op 15 april 2010 met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde dat het zou kunnen dat hij masturberende bewegingen heeft gemaakt.

Ten aanzien van het onder 3. tenlastegelegde:

Op 25 september 2006 deed [aangever 3], wonende te [woonplaats] aan de [adres] aangifte van schennis van de eerbaarheid. Zij verklaarde dat zij op 6 juli 2006 in haar slaapkamer was. Zij zag de buurman, wonende aan de [woonadres], in zijn woning staan. Hij heet [verdachte]. Hij stond achter het raam van zijn woning. Zij zag dat de buurman met zijn rechter hand onder zijn t-shirt een beweging maakte. Zij zag dat hij zijn rechter hand bij zijn kruis hield. Zij zag dat hij een beweging maakte alsof hij zichzelf stond af te trekken. Zij was hevig geshockeerd van wat zij zag. Zij voelde zich onveilig en bang.

Ten aanzien van het onder 4. tenlastegelegde:

Op 13 september 2006 deed [aangever 4], wonende te Amersfoort aan de [adres] te Amersfoort aangifte van schennis van de eerbaarheid tussen 10 juni 2006 en 10 september 2006. Hij verklaarde dat zijn vrouw en hij woonachtig zijn aan de [adres] te Amersfoort. De persoon waar zij aangifte tegen deden woont op nummer 140. Zij hebben twee kinderen. Rond eerstgenoemde datum stond zijn vrouw in hun achtertuin. Zij zag de buurman in de deuropening van zijn achterdeur staan. Zij zag dat hij zich stond af te trekken. Ze zag dat hij met zijn rechter hand aan zijn geslachtsdeel zat en dat deze hand heen en weer ging. Na deze keer is het meerdere keren gebeurd, van dezelfde aard. Zijn vrouw heeft een keer gezien dat de buurman op zijn hurken zich zat te bevredigen zodat het te zien was. Eigenlijk gebeurde het iedere keer als het mooi weer was en zij in de tuin waren. Iedere keer was hij zichzelf openlijk aan het bevredigen. Hun kinderen hadden ook een aantal keren gezien dat de buurman zich openlijk bevredigde.

Zij gingen niet meer met plezier naar buiten. Zij konden niet meer genieten van het in de tuin zijn. Zij voelden zich niet meer prettig in hun eigen woning. Ook de kinderen voelden zich niet prettig en veilig. Hun buurman heet [verdachte].

Ten aanzien van het onder 3. en onder 4. tenlastegelegde:

Verdachte verklaarde bij de politie op 2 november 2006 dat het misschien één keer is gebeurd toen hem door de politie werd voorgehouden dat zijn buren met de twee kinderen diverse malen hebben gezien dat hij zich in de deuropening van zijn

achterdeur en/of achter het raam van zijn woning heeft staan aftrekken/masturberen.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting op 15 april 2010 dat als het ’s zomers erg warm is, hij naakt slaapt. Dat hij dan wel eens naar buiten kijkt en dat de buren hem misschien op dat moment hebben gezien. Hij kon zich voorstellen dat anderen dat niet leuk vonden.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft ten laste gelegde heeft begaan met dien verstande dat

1.

hij op 31 augustus 2009 te Amersfoort zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten in (de tuin van) zijn woning op/aan de [woonadres], met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en daarbij masturberende bewegingen heeft gemaakt, terwijl daarbij [aangever 1] en [aangever 2] huns ondanks tegenwoordig waren;

2.

hij op of omstreeks 28 maart 2007 te Amersfoort zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten achter een (slaapkamer)raam in zijn, verdachtes, woning, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en daarbij masturberende bewegingen heeft gemaakt, terwijl daarbij [aangever 3] en [aangever 2] vanuit hun woning en/of tuin huns ondanks tegenwoordig waren;

3.

hij op 6 juli 2006 te Amersfoort, zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten in zijn, verdachtes, woning, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en daarbij masturberende bewegingen heeft gemaakt, terwijl daarbij [aangever 3] vanuit haar woning haars ondanks tegenwoordig was;

4.

hij in of omstreeks de periode van 10 juni 2006 tot en met 10 september 2006 te Amersfoort, meermalen zich opzettelijk oneerbaar op een niet openbare plaats, te weten in (een deuropening van) zijn, verdachtes, woning en in zijn, verdachtes, tuin met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden en daarbij masturberende bewegingen heeft gemaakt, terwijl daarbij [aangever 2] en/of [aangever 2] vanuit hun tuin huns ondanks tegenwoordig waren.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Telkens: schennis van de eerbaarheid, terwijl een ander daarbij zijns ondanks tegenwoordig is.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 80 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht en behandeling bij De Waag en voorts toewijzing van de vorderingen van de vier benadeelde partijen [aangever 2], [aangever 3], [aangever 1] en [aangever 4], elk tot een bedrag van € 160,--.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het bewezenverklaarde heeft de rechtbank met name acht geslagen op de ernst van de bewezenverklaarde gedragingen. Verdachte heeft gedurende een lange periode binnen en buiten zijn woning frequent en zichtbaar voor zijn buren met (jonge) kinderen terwijl hij (gedeeltelijk) ontkleed was, masturberende bewegingen gemaakt. Dit heeft bij zijn buren gevoelens van angst en van onveiligheid veroorzaakt. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de privacy en op het woongenot van zijn buren.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op

een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 8 juni 2010, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden één maal eerder wegens een zedendelict is veroordeeld.

Daarnaast heeft de rechtbank het reclasseringsadvies van 29 juli 2010 in aanmerking genomen. Uit het advies komt verdachte naar voren als een eenzame man met nauwelijks sociale contacten die weinig inzicht heeft in zijn eigen gedrag. De reclassering acht contact met de reclassering en een behandeling bij De Waag wenselijk. De rechtbank sluit zich aan bij deze conclusies. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij hulp nodig heeft en dat hij bereid is een behandeling bij De Waag te volgen en hulp te accepteren van de reclassering.

7. De benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 300,-- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 100,--.

De vordering is voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 300,-- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 100,--.

De vordering is voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 160,-- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 1 bewezenverklaarde feit.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 100,--.

De vordering is voor het overige niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten, te weten een bedrag van € 300,-- wegens immateriële schade.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door de ten aanzien van verdachte onder 1 en 4 bewezenverklaarde feiten.

De immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 100,--.

De vordering voor het overige is niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De verdachte zal worden verwezen in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 239 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5.1 vermelde strafbare feiten oplevert:

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ÉÉN MAAND.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van TWEE jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft, te weten dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens de Reclassering Nederland te geven aanwijzingen, zolang die reclasseringsinstelling dat nodig acht, en hij zich zal melden bij Reclassering Nederland zodra hij hiertoe wordt opgeroepen;

dat de veroordeelde zich laat behandelen bij De Waag, Centrum voor Ambulante Forensische Psychiatrie te Utrecht, zo lang en zo vaak als zulks in overleg met voormelde reclasseringsinstantie nodig wordt geacht

met opdracht ex artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht aan voornoemde instelling.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van TACHTIG uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van VEERTIG dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht..

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 2], wonende te Amersfoort, ten dele toe tot een bedrag van € 100,-- (zegge één honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 100,-- (zegge één honderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de verdachte dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 3], wonende te Amersfoort, ten dele toe tot een bedrag van € 100,-- (zegge één honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 100,-- (zegge één honderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de verdachte dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 1], wonende te Amersfoort, ten dele toe tot een bedrag van € 100,-- (zegge één honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 100,-- (zegge één honderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de verdachte dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4], wonende te [woonplaats], ten dele toe tot een bedrag van € 100,-- (zegge één honderd euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 100,-- (zegge één honderd euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van twee dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de verdachte dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van de verdachte om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de verdachte voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door Mr. J.M. Bruins, voorzitter, N.E.M. Kranenbroek en

H.A. Brouwer, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 augustus 2010.