Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN8012

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
16/600510-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Dit voor brandstichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600510-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht, Wolvenplein 27,

raadsvrouwe mr. L.M. Bongers, advocaat te Wijk bij Duurstede.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 18 augustus 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 mei 2010 te Zeist in de hal van een flatgebouw brand heeft gesticht.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem is ten laste gelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem is ten laste gelegd.

Zij bezigt daartoe als bewijsmiddelen:

-de aangifte van brandstichting op 16 mei 2010 in de zogenoemde L-flat aan de [adres] te Zeist, gedaan door [aangever 1], huismeester namens de benadeelde [bedrijf 1] te Zeist, met bijlagen;

-de getuigenverklaring van [getuige 1], bevelvoerder/ploegchef bij de brandweer van Zeist met betrekking tot de onderhavige brandstichting en haar mogelijke gevolgen, met bijlage;

-de verklaring van verdachte ter terechtzitting - zakelijk weergegeven – inhoudende dat hij zich op 15 mei 2010 heeft bevonden in een gemeenschappelijke hal, toegang gevende tot de kelderboxen van een flatgebouw te Zeist, en dat hij aldaar toen brand heeft gesticht door met een brandende aansteker een kartonnen doos en een t-shirt, welke zich bevonden bij zich in die hal bevindende stukken grofvuil/meubels, in de brand te steken,waardoor dat grofvuil/die meubels in brand vlogen en geheel of deels zijn verbrand.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op 15 mei 2010 te Zeist, opzettelijk brand heeft gesticht in een gemeenschappelijke hal

toegang gevende tot de kelderboxen van een flatgebouw, immers heeft

verdachte toen aldaar opzettelijk een of meer zich in die hal bevindende

stukken grofvuil (meubels) in brand gestoken, in elk geval heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur (brandende aansteker) in aanraking gebracht met een kartonnen doos en een T-shirt en vervolgens die brandende kartonnen doos, ten gevolge waarvan die stukken grofvuil (meubels) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een of meer bewoners van die in die flat aanwezige woningen, te duchten was.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de preventieve hechtenis, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouwe van verdachte heeft verzocht aan verdachte een zodanige straf op te leggen dat verdachte heden in vrijheid zou kunnen worden gesteld.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft een zeer ernstig strafbaar feit gepleegd. Hij heeft in de hal van de flat, waarin hij overigens zelf ook woonde, een hoeveelheid grof vuil in de brand gestoken. Deze brand heeft een forse omvang aangenomen. Dit doende heeft verdachte aan de goederen die zich in die hal bevonden schade toegebracht en heeft hij bewoners van die flat aan grote en onverantwoorde risico’s blootgesteld. Dit soort feiten veroorzaken gevoelens van angst en van onveiligheid in de maatschappij.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op:

-een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 30 juni 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens feiten als ten laste gelegd in aanraking met politie en/of justitie is geweest;

-een voorlichtingsrapport betreffende verdachte d.d. 13 juli 2010, opgemaakt door mw. K. Lakeman, reclasseringswerker van Reclassering Nederland te Utrecht;

-een rapport betreffende de geestestoestand van verdachte d.d. 24 juni 2010, opgemaakt door drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater, welk rapport – zakelijk weergegeven – onder meer inhoudt als schriftelijke verklaring van deze deskundige:

Bij onderzochte is geen sprake van een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. In het bijzonder is er geen sprake van pyromanie noch van verslavingsproblematiek. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was onderzochte onder invloed van alcohol. Aangezien er geen sprake is van psychopathologie kan er niet gesproken worden van een relatie tussen het ten laste gelegde, indien bewezen, en de psychopathologie. Onderzochte adviseert betrokkene als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van deze deskundige over en maakt die tot de hare.

De rechtbank acht na te melden straffen passend en geboden. Op grond van de jeugdige leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld acht de rechtbank een vrijheidsstraf, die langer zou duren dan de tijd die verdachte tot heden in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, niet aangewezen. Zij zal verdachte echter wel voorts een werkstraf van na te melden duur opleggen.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 22c, 22d, en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het hiervoor onder 5.1 vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt de verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van ZES MAANDEN.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot DRIE MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van TWEE jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van ÉÉN HONDERD uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van VIJFTIG dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mrs. P.M.E. Bernini en G. Perrick, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 augustus 2010.

Mr. Perrick en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.