Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7982

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
22-09-2010
Zaaknummer
16-600013-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wezenlijke bijdrage openlijke geweldpleging. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600013-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [woonadres]

raadsvrouw mr. M. Tijseling, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 augustus 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: samen met anderen heeft geprobeerd [aangever 1] te doden dan wel zwaar te mishandelen;

Feit 1 subsidiair: deel heeft uitgemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1];

Feit 2: deel heeft uitgemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] en/of [aangever 3].

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag en het onder 2 tenlastegelegde openlijke geweld heeft gepleegd.

De officier van justitie baseert zich voor wat betreft feit 1 primair op de verklaringen van [aangever 2], [getuige 1] en [aangever 3], waaruit blijkt dat verdachte [aangever 1] met een tak tegen het hoofd heeft geslagen en op de foslo-confrontaties met [aangever 2] en [getuige 1], die verdachte herkennen als de jongen die [aangever 1] met een stok heeft geslagen toen [aangever 1] op de grond lag. Binnen de groep was sprake van een volledige en nauwe samenwerking, waardoor het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als medeplegen. Bij een trap met een geschoeide voet is de aanmerkelijke kans aanwezig dat het slachtoffer dodelijk wordt getroffen. Verdachte en zijn mededader(s) hebben de aanmerkelijke kans op het overlijden van [aangever 1] aanvaard, aldus de officier van justitie.

Wat feit 2 betreft baseert de officier van justitie zich op de aangiftes, de verklaringen van getuigen en de verklaring van verdachte dat hij tot de groep behoorde die geweld heeft gepleegd. De officier van justitie betoogt dat verdachte hiermee een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag dan wel poging tot zware mishandeling nu er gerede twijfel bestaat over een actieve deelname aan het ten laste gelegde geweld door cliënt. Verdachte ontkent [aangever 1] te hebben geslagen of geschopt. De raadsvrouw wijst er daarbij op verdachte altijd consistent heeft verklaard en dat op grond van de overige verklaringen in het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte verantwoordelijk is voor het door [aangever 1] opgelopen letsel.

Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

De verdediging is van mening dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken nu een actieve deelname door verdachte aan het geweld tegen [aangever 2] en [aangever 3] op de [adres] niet bewezen kan worden.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair:

De rechtbank maakt uit de verklaringen in het dossier en het door [aangever 1] opgelopen letsel op dat op 1 januari 2010 een vechtpartij tussen twee groepen jongens heeft plaatsgevonden, waarbij [aangever 1] met een stok op zijn hoofd is geslagen en hij vervolgens, terwijl hij op de grond lag tegen zijn hoofd is geschopt. De rechtbank is, met name gelet op de verklaring van [getuige 3] en [getuige 2] over de persoon die de schop heeft gegeven en gelet op de op de uiteenlopende verklaringen van de bij het incident betrokkenen over de specifieke rol van verdachte, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte degene is geweest die tegen het hoofd van [aangever 1] heeft geschopt en/of hem met een stok op het hoofd heeft geslagen, dan wel dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met één van de andere jongens die specifieke handelingen heeft verricht. De rechtbank zal verdachte dan ook van het medeplegen van de poging tot doodslag en het medeplegen van de poging tot zware mishandeling vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2:

Aangever [aangever 1] verklaarde bij de politie dat hij op 1 januari 2010 omstreeks 2.00 uur met een groep vrienden bestaande uit [getuige 1], [aangever 2], [aangever 3] en [betrokkene 1] in Bilthoven ging stappen. Toen zij over het spoor liepen, zagen zij een groep van dertig personen staan. Op het moment dat zij deze groep passeerden, kreeg [betrokkene 1] vuurwerk in zijn nek.

Nadat de groep van aangever vroeg waarvoor dat nodig was, kreeg [aangever 3] een klap van een persoon. [aangever 3] rende weg, maar op dat moment kreeg hij nog een klap in zijn gezicht.

Onderweg naar huis werd de groep van aangever ingehaald door een auto. Er stapten vijf personen uit de auto. De jongen die rechts achterin de auto had gezeten kwam op [aangever 1] af met iets in zijn hand. De persoon sloeg, maar [aangever 1] kon de klap ontwijken. Vervolgens ging bij [aangever 1] het licht uit.

Aangever [aangever 2] verklaarde bij de politie dat hij direct en zonder aanleiding een kopstoot kreeg, nadat hij verhaal ging halen, omdat er vlakbij hem vuurwerk werd afgestoken. [aangever 3] werd gepakt door vier jongens uit de andere groep. Zijn gezicht en handen zaten onder het bloed.

Toen de groep van [aangever 2] terugliep stopte er een auto naast hen. Vanuit de auto sprongen 3 à 4 jongens op hen af. [aangever 2] werd direct met een stok geslagen op zijn hoofd en in zijn gezicht. Het volgende moment zag [aangever 2] dat de jongen die hem had geslagen samen met twee andere jongens [aangever 1] tegen de grond sloeg. [aangever 2] zag dat [aangever 1] door twee jongens tegen zijn hoofd werd geschopt.

[aangever 2] verklaarde bij de rechter-commissaris dat [aangever 1] op de grond lag en door een jongen tegen zijn hoofd werd getrapt met de hak van zijn schoen. Een andere jongen sloeg [aangever 1] op zijn hoofd met een stok.

Aangever [aangever 3] verklaarde bij de politie dat hij een klap in zijn gezicht kreeg en dat hij daarna van zes personen uit de groep klappen heeft gehad.

Toen de groep van [aangever 3] naar huis liep stopte er een auto bij hun groep. Er stapten vijf jongens uit de auto. [aangever 2] heeft met een stuk hout een klap op zijn gezicht gehad. Er gingen twee jongens achter [aangever 1] aan. [aangever 1] lag op de grond. Toen [aangever 1] wilde opstaan kreeg hij een trap vol in zijn gezicht.

[aangever 3] verklaarde bij de rechter-commissaris dat hij heeft gezien dat [aangever 2] een kopstoot heeft gekregen.

Getuige [getuige 1] verklaarde bij de politie dat één van de jongens uit de andere groep [aangever 2] bij zijn jas vastpakte en hem een kopstoot gaf boven zijn linkeroog. Later kreeg [aangever 2] weer klappen van een gozer. Een stuk of vijf jongens pakten [aangever 3] vast en gaven hem klappen en schoppen. [aangever 3] gezicht zat helemaal onder het bloed.

Toen de groep van [getuige 1] naar huis liep stopte er een auto bij hen. Drie jongens stapten uit de auto. Twee jongens liepen naar [aangever 1] toe en de jongen met de boomtak gaf [aangever 1] een enorm harde klap met die tak tegen zijn hoofd. [aangever 1] viel op de grond. De tweede jongen gaf [aangever 1] meteen daarna een paar harde trappen tegen het lijf.

Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaarde bij de politie dat er gevochten werd toen hij uit de auto stapte. Verdachte was aan het slaan. [medeverdachte 1] zag verdachte in ieder geval twee klappen geven. De jongen werd in zijn gezicht geraakt.

De getuige [getuige 2] verklaarde bij de politie over het incident bij Roobol/het spoor dat verdachte aan het schelden was. Hij vertelde haar dat hij ruzie had met die kakkers. Over het incident na de achtervolging per auto vertelde zij dat verdachte en de andere jongens heel er opgefokt waren op het moment dat zij de kakkers weer zagen. Verdachte pakte een grote tak met allerlei zijtakken van de grond. De kakkers renden weg en verdachte en zijn vrienden renden achter de kakkers aan. Een van de haar onbekende jongens gaf de kakker met de krulletjes (de rechtbank begrijpt: [aangever 1]) een klap waardoor deze achterover viel op de grond. [medeverdachte 2] gaf de kakker vervolgens in volle vaart een schop. De kakker rolde door die trap om en bewoog daarna niet meer.

Medeverdachte [medeverdachte 2] verklaarde bij de politie eveneens dat verdachte bij het spoor direct begon te schreeuwen. Medeverdachte [medeverdachte 3] verklaarde bij de politie dat verdachte die hele avond agressief was. Hij wilde zeker meegaan om de jongens te pakken.

De getuige [getuige 3] verklaarde bij de politie over het incident bij Roobol/het spoor dat verdachte hem vertelde dat hij ruzie had met een kakker. Verdachte liep daarna wederom naar de groep jongeren en was daar weer ruzie aan het maken. [getuige 3] verklaarde voorts dat verdachte hem vroeg of hij hem op wilde halen op de [adres]. Vier jongens waaronder verdachte gingen achter in zijn auto zitten . De jongens waren agressief en opgefokt. Nadat ze het groepje zagen riepen ze allemaal dat ik moest stoppen. Nog voordat ik stilstond waren de portieren al open en stormden ze uit de auto.

[getuige 3] heeft gezien dat [aangever 1] terwijl hij op de grond lag is geschopt door een van de andere jongens dan verdachte.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de foto’s van het door het openlijk geweld door slachtoffer [aangever 1] opgelopen letsel.

Uit de medische informatie volgt dat [aangever 1] door het geweld een neusfractuur met een forse deviatie naar rechts heeft opgelopen.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op 1 januari 2010 in Bilthoven openlijk geweld is gepleegd tegen [aangever 1],

[aangever 3] en [aangever 2]. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen op 1 januari 2010 is gebeurd, gezien moet worden als één groot incident dat zich heeft afgespeeld op diverse plaatsen, telkens op de openbare weg. Verdachte heeft bekend bij dit hele incident aanwezig te zijn geweest en deel te hebben uitgemaakt van de groep die geweldshandelingen tegen [aangever 1], [aangever 3] en [aangever 2] heeft gepleegd. Verdachte ontkent zelf geweldshandelingen te hebben verricht. Echter op grond van de verklaring van [medeverdachte 1] stelt de rechtbank vast dat ook verdachte heeft geslagen, terwijl gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], kan worden aangenomen dat verdachte in ernstige mate heeft bijgedragen aan de agressieve sfeer waarin de geweldshandelingen zijn gepleegd. Uit de verklaring van [getuige 3] blijkt dat het verdachte is geweest die heeft geregeld dat er een auto kwam waarmee hij en de medeverdachten zijn vervoerd naar de groep van [aangever 1]. Verdachte heeft dit ter terechtzitting ook erkend. De rechtbank is op grond van deze verklaringen van oordeel dat verdachte samen met zijn mededaders bewust de groep, waartoe de slachtoffers behoorden, heeft opgezocht en dat verdachte zich daarmee bewust in het incident heeft begeven. Aldus kan als vaststaand worden aangenomen dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tegen [aangever 1], [aangever 2] en [aangever 3] gepleegde geweld en heeft hij zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.

Genoemde bewijsmiddelen worden, ook in hun onderdelen, slechts gebruikt tot bewijs van het feit waarop zij blijkens hun inhoud in het bijzonder betrekking hebben.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 01 januari 2010 te Bilthoven, gemeente De Bilt, met anderen, op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1], welk geweld bestond uit het meermalen, althans éénmaal:

- met geschoeide voet trappen/schoppen tegen het hoofd van die [aangever 1] en

- met een stok, althans een dergelijk voorwerp, slaan tegen het lichaam van die [aangever 1].

2.

op 01 januari 2010 te Bilthoven, gemeente De Bilt, met anderen op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] en [aangever 3], welk geweld bestond uit het geven van een kopstoot tegen het hoofd van die [aangever 2] en het met een stok, althans een dergelijk voorwerp, slaan tegen het lichaam van die [aangever 2] en het slaan en/of stompen van die [aangever 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1 subsidiair, feit 2:

Telkens:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten en met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd aan verdachte een werkstraf voor de duur van 100 uur subsidiair 50 dagen hechtenis op te leggen.

De officier van justitie heeft ten slotte gevorderd de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 1] gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 1.502,40 en de vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

De officier van justitie heeft daarbij gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit voor het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om het advies van de reclassering te volgen, waarbij een eventuele onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan de duur van de voorlopige hechtenis.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ernstige vorm van uitgaansgeweld, dat heeft plaatsgevonden in de nachtelijke uren van 1 januari 2010. Verdachte heeft deel uitgemaakt van de groep die gewelddadige handelingen tegen meerdere personen heeft verricht en heeft daaraan actief deelgenomen. Slachtoffer [aangever 1] is met geschoeide voet tegen zijn hoofd geschopt en er is met een hard voorwerp op zijn hoofd geslagen. [aangever 1] heeft hierdoor aanzienlijk letsel opgelopen en hij wordt nog regelmatig geconfronteerd met de gevolgen van het geweld. Ook [aangever 2] en [aangever 3] hebben door het geweld letsel opgelopen.

Dit soort uitgaansgeweld heeft niet alleen een enorme invloed op de slachtoffers, maar ook op de samenleving. Het gevoel van onveiligheid neemt door dit soort incidenten steeds grotere vormen aan. Dergelijk uitgaansgeweld heeft in de afgelopen jaren al veel dodelijke slachtoffers gemaakt.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat in overweging genomen dat verdachte, anders dan hij ter terechtzitting heeft verklaard, wel degelijk zelf geweldshandelingen -al dan niet tegen de in de tenlastelegging genoemde personen- heeft verricht. Verdachte neemt daardoor naar het oordeel van de rechtbank niet de volledige verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

De rechtbank heeft ook overwogen dat verdachte degene is geweest die [getuige 3] heeft gebeld met de vraag of die [getuige 3] verdachte en zijn mededaders een lift met zijn auto kon geven, waarna de auto naar de groep, waartoe de slachtoffers behoorden, is gereden, verdachte en zijn mededaders zijn uitgestapt en het geweld is gepleegd. Uit de verklaring van die [getuige 3] volgt ook dat verdachte op straat heeft lopen schreeuwen en ruzie heeft lopen maken. Verdachte heeft door zich op deze manier te gedragen de gespannen sfeer, waarin uiteindelijk ook het geweld tegen genoemde personen heeft plaatsgevonden, bevorderd. Gelet op voornoemde ziet de rechtbank verdachte als een initiator van de openlijke geweldpleging.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 9 augustus 2010 blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

Uit het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d.d. 30 maart 2010, opgemaakt door M. Ramdhani, reclasseringswerker, volgt dat verdachte een redelijk positieve sociaal-maatschappelijke ontwikkeling leek door te maken. Verdachte beschikt over voldoende zelfinzicht, probleembesef en vaardigheden wat betreft probleemhantering. Op de verschillende leefgebieden zijn geen criminogene factoren vast te stellen.

De reclassering schat de kans op recidive laag in. Gelet hierop en op het feit dat verdachte geen antecedenten heeft acht de reclassering hulpverlening niet geïndiceerd.

De reclassering adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf op te leggen.

Gelet op de ernst van het feit, het blanco strafblad van verdachte en de bevindingen van de reclassering acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf als na te melden passend en geboden. Daarbij wordt aansluiting gezocht bij de straf die is opgelegd aan medeverdachte [medeverdachte 3] voor hetzelfde feitencomplex.

Ondanks dat de rechtbank verdachte -anders dan de officier van justitie heeft gevorderd- vrijspreekt van feit 1 primair zal de rechtbank, gelet op de ernstige gevolgen van het gepleegde geweld voor slachtoffer [aangever 1] en de actieve bijdrage van verdachte aan het geweld, een hogere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

7. De benadeelde partij

[aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 2.502,40 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 1.502,40 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 502,40 ter zake van materiële schade en € 1000,00 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het letsel van [aangever 1] bestaat uit meerdere ernstige verwondingen in zijn gezicht.

Bij de begroting van de materiële schade heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende materiële schadeposten:

- Eigen risico ziektekosten zorgverzekeraar € 165,00;

- Eigen bijdrage advocaat € 100,00;

- Kleding € 179,00;

- Foto’s letsel € 8,40;

- Reiskosten bezoeken advocaat € 50,00.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de bedragen zoals die gewoonlijk worden toegewezen voor slachtoffers van openlijk geweld waarbij met geschoeide voet tegen het hoofd is getrapt.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen.

Voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, is verdachte niet gehouden dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Vorige het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, met de bepaling dat dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57 en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 subsidiair, feit 2:

Telkens:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 80 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf en voor het overige bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 1.502,40, waarvan € 502,40 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 1], € 1.502,40 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip dat het vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Beek, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 augustus 2010.

Mr. Bakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.