Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7786

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-07-2010
Datum publicatie
21-09-2010
Zaaknummer
16/028588-01 // 21/000153-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering verlenging terbeschikkingstelling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/028588-01 // 21/000153-03

Beslissing afwijzing verlenging terbeschikkingstelling

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats], op [1982],

wonende te [woonplaats], [adres],

heeft de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1 De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- een afschrift van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 27 juni 2003, waarbij [verdachte] onder meer ter beschikking is gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege, welke terbeschikkingstelling is ingegaan op 7 juli 2004;

- de beslissing van deze rechtbank van 24 juli 2009, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling laatstelijk is verlengd voor de duur van één jaar, waarbij de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is aangehouden tot de terechtzitting van 25 september 2009 vanwege het ontbreken van een maatregelrapport van de reclassering;

- de beslissing van deze rechtbank d.d. 23 november 2009, waarbij de verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd;

- de vordering van de officier van justitie d.d. 2 juni 2010, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [verdachte] met één jaar;

- het advies d.d. 27 april 2010 van mevrouw A.C.M. Kleinsman, psychiater, om de terbeschikkingstelling niet te verlengen;

- het advies d.d. 11 mei 2010 van drs. P.E. Geurkink, forensisch psycholoog, om de terbeschikkingstelling niet te verlengen;

- het advies d.d. 21 april 2010 van drs. L.P. Heinsman, psychiater aangesteld door Reclassering Nederland, om de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar;

- het advies d.d. 4 mei 2010 van Reclassering Nederland om de terbeschikkingstelling te verlengen met één jaar.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 16 juli 2010 is de officier van justitie gehoord.

Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door haar raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam.

Voorts is de getuige-deskundige mevrouw I.F.J. Nibbelink, verbonden aan Reclassering Nederland als reclasseringsmedewerker, gehoord.

2 Het standpunt van psychiater Kleinsman

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van het rapport ex artikel 509o lid 4 van het Wetboek van Strafvordering van psychiater Kleinsman d.d. 27 april 2010.

Kleinsman rapporteert dat de terbeschikkingstelling (hierna: TBS) destijds deels is opgelegd op basis van speculatieve overwegingen met een delictanalyse die inmiddels geheel achterhaald is. Door Kleinsman worden onvoldoende argumenten gevonden die de diagnose van een persoonlijkheidsstoornis rechtvaardigen. Nu geconstateerd kan worden dat de TBS waarschijnlijk een te zwaar middel is geweest moet de vraag gesteld worden of de TBS op dit moment nog wel proportioneel is.

De behandeling is zeer voorspoedig verlopen en deze bevindt zich inmiddels in de eindfase. Het is duidelijk dat een andere vorm van begeleiding voor betrokkene van belang is. Betrokkene functioneert goed, maar heeft jarenlang intensieve zorg om zich heen gehad. Het abrupt verbreken daarvan houdt toch een risico in. Betrokkene geeft zelf aan contact te willen blijven houden met haar behandelaar bij De Tender. Kleinsman schat in dat deze begeleiding voldoende zal zijn om een stabiele toestand bij betrokkene te behouden en adequaat in te kunnen grijpen als het niet goed gaat. Betrokkene geeft zelf aan de behandeling te continueren en Kleinsman heeft de indruk dat dit een betrouwbaar gegeven is.

De psychiater adviseert om de TBS niet te verlengen.

3 Het standpunt van psycholoog Geurkink

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het rapport ex artikel 509o lid 4 van het Wetboek van Strafvordering van psycholoog Geurkink d.d. 11 mei 2010.

Geurkink rapporteert dat in vergelijking met het vorige onderzoek in 2002 opvalt dat betrokkene veel beter in staat is zichzelf te verwoorden en meer zicht heeft op haar valkuilen, al betreft dit wel een vooral rationeel en cognitief inzicht. Verder is betrokkene veel minder angstig. In die zin kan worden gesteld dat er in de loop van de jaren door betrokkene met behulp van de behandeling in de TBS veel is bereikt, waardoor zij minder kwetsbaar is dan voor haar behandeling. Zowel sociaal als maatschappelijk heeft betrokkene haar leven redelijk goed op orde. Ten opzichte van de gediagnosticeerde persoonlijkheidsproblematiek in 2002, waarbij Geurkink toen ook geen persoonlijkheidsstoornis heeft vastgesteld, kan gezegd worden dat die nog milder is geworden. Van de door het PBC gediagnosticeerde ernstige psychopathologie is zeker geen sprake meer. Door betrokkene is in de loop van de behandeling veel bereikt. Hierdoor is de kans op recidive op grond van de nu zeer milde pathologie aanzienlijk verminderd. Klinisch lijkt de kans op herhaling op grond van de nu zeer milde pathologie klein. Deze situatie en met name de afwezigheid nu van ernstige psychopathologie rechtvaardigen naar de mening van Geurkink niet langer de TBS.

De psycholoog adviseert de TBS onvoorwaardelijk te beëindigen.

4 Het standpunt van de reclassering

De rechtbank heeft ook kennis genomen van de rapportage van Reclassering Nederland

d.d. 4 mei 2010, alsmede het standpunt ter zitting van de getuige-deskundige Nibbelink.

Uit de rapportage komt naar voren dat psychiater L.P. Heinsman op verzoek van de reclassering betrokkene heeft onderzocht. Heinsman heeft zijn bevindingen in het rapport van 21 april 2010 neergelegd. Dit rapport is in het dossier opgenomen.

De reclassering concludeert -mede op basis van de bevindingen van psychiater Heinsman- dat de TBS met één jaar moet worden verlengd. De reclassering is van mening dat een beëindiging van de voorwaardelijk beëindigde TBS te prematuur is gelet op de korte periode sinds de voorwaardelijke beëindiging die betrokkene door de reclassering wordt begeleid. Het zicht houden op ontwikkelingen binnen de werkssituatie van betrokkene en relationele ontwikkelingen zijn onderwerpen waar de reclassering zich in de begeleiding het komende jaar op zou willen richten, opdat betrokkene evenwichtiger en krachtiger in staat is haar leven vorm te geven, waardoor het recidiverisico op de langere termijn afneemt.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat zij persisteert bij haar vordering om de TBS met één jaar te verlengen. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de gruwelijkheid van het feit, alsmede het feit dat de periode van begeleiding van de terbeschikkinggestelde sinds de voorwaardelijke beëindiging van de TBS te kort is om nu tot een beëindiging van de TBS over te gaan.

6 Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en haar raadsman

De terbeschikkinggestelde is het niet eens met het advies van de reclassering. De terbeschikkinggestelde heeft aangegeven dat zij maar één uur in de week contact heeft met de reclassering en dat zij zo goed als alles alleen doet. Verdere begeleiding door de reclassering heeft daarom volgens haar geen toegevoegde waarde. Daarnaast heeft de terbeschikkinggestelde aangegeven dat zij na beëindiging van de TBS contact zal blijven houden met de psycholoog van De Tender, de heer [psycholoog].

De raadsman heeft daarbij nog aangegeven dat het advies van de onafhankelijke gedragsdeskundigen gevolgd moet worden, inhoudende dat de TBS niet moet worden verlengd.

7 De beoordeling

De rechtbank overweegt dat uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling voorspoedig is verlopen en dat de terbeschikkinggestelde heel hard aan zichzelf heeft gewerkt. Door hetgeen er thans is bereikt wordt de kans op recidive door psychiater Kleinsman en psycholoog Geurkink laag ingeschat. De rechtbank overweegt daarbij dat gedurende de uitvoering van de TBS zich geen enkel incident meer heeft voorgedaan, ook niet in de periode dat de TBS voorwaardelijk is beëindigd. De reclassering voert als reden om de TBS te verlengen aan dat de periode waarin zij de terbeschikkinggestelde tot nu toe heeft begeleid erg kort is. De rechtbank overweegt dat de reclassering dit standpunt niet nader onderbouwt met feiten, waaruit zou blijken dat de terbeschikkinggestelde kan terugvallen in haar oude delictgedrag, ter voorkoming waarvan de TBS noodzakelijk is.

De rechtbank overweegt dat de periode van zes maanden, gedurende welke de terbeschikkinggestelde in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de TBS door de reclassering wordt begeleid, een relatief korte periode is. De rechtbank is echter van oordeel dat de situatie thans geheel anders is dan de situatie ten tijde van en kort na het indexdelict. De terbeschikkinggestelde heeft aangegeven dat zij na een beëindiging van de TBS contact zal blijven houden met de psycholoog bij De Tender, de heer [psycholoog]. De rechtbank heeft op grond van de houding van de terbeschikkinggestelde ter zitting en de inhoud van de gedragsdeskundige rapportages geen reden om daaraan te twijfelen.

De rechtbank is van oordeel dat betrokkene met de heer [psycholoog] iemand heeft waarop zij in geval van problemen kan terugvallen. De rechtbank is van oordeel dat dit contact in een vrijwillig kader kan worden onderhouden.

Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling niet meer eist en dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.

8 De beslissing.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [verdachte] d.d. 2 juni 2010 af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.G. van Doorn, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en

mr. J.D.E. Brouwer-Poederbach, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.F. van Dam en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 juli 2010.

Mr. Brouwer-Poederbach is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.