Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7237

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
16-09-2010
Zaaknummer
16/601233-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier en twintig maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/601233-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1970] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

te Nieuwegein, De Liesbosch 100.

raadsman mr. H.M. Dunsbergen, advocaat te Goes.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

Ter terechtzitting van 28 juni 2010 is de tenlastelegging twee keer gewijzigd, en luidt thans zoals in de bijlage van dit vonnis is weergegeven.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 22 december 2009 meermalen zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting dan wel poging daartoe en voorts aan valsheid in geschrift dan wel gebruik maken van een vals/vervalst geschrift.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem is ten laste gelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot het bewijs als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:

Op 26 maart 2009 deed [aangever 1] namens het Okura Hotel te Amsterdam aangifte van oplichting. Op 16 juni 2008 werd door [verdachte] telefonisch contact opgenomen. Deze reserveerde een diner dat zou moeten plaatsvinden op 28 juni 2008. Hij verzocht de kosten van dit diner te factureren aan zijn werkgever. Ter bevestiging hiervan verzond [verdachte] een faxbericht aan Okura. De fax was voorzien van een handtekening van [verdachte] en een handtekening van [betrokkene 1], zijnde de werkgever van [verdachte] en hield het verzoek in om de factuur te zenden aan het e-mail-adres [e-mailadres] of per adres aan [adres] te Amsterdam. Nadat het diner had plaatsgevonden werd aan dit laatste adres door Okura op 30 juni 2008 de factuur gezonden ter grootte van Euro 1.040,-. Dit bedrag betreft blijkens de in het dossier gevoegde bon een bedrag van Euro 1.009,50 aan eten en drinken en daarbij kennelijk een bedrag aan een fooi van Euro 31,50. De factuur werd niet voldaan. De eigenaar van het bedrijf, [betrokkene 1] deelde [aangever 1] mede dat hij [verdachte] geen toestemming had gegeven voor het diner.

Er kon geen betaling van het bedrijf voor het diner worden verkregen. Okura is in verband hiermede voor een bedrag van Euro 1.009,50 benadeeld.

[betrokkene 1] heeft verklaard dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor het diner en dat hij ook nooit een geschrift had opgemaakt waaruit dit zou moeten/kunnen blijken.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij te Amsterdam bij het Okura Hotel een diner heeft besproken dat op 28 juni 2008 zou plaatsvinden. Hij heeft verzocht de kosten van dit diner te factureren aan zijn werkgever, [betrokkene 1], eigenaar van [bedrijf]. Ter bevestiging daarvan heeft hij een faxbericht gezonden aan het Okura Hotel. Dit bericht was voorzien van zijn handtekening en hield in het verzoek om de factuur te zenden aan het email-adres [e-mailadres] of per adres aan [adres] te Amsterdam.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

Op 4 november 2008 deed [aangever 2] aangifte van oplichting. [aangever 2] en zijn vrouw zijn uit elkaar gegaan in januari 2008. De hypotheek van hun huis aan de [adres] te Zeewolde bedroeg 196.000 euro. Daarnaast was er een overwaarde van 10.000,- vastgesteld. De ex-vrouw van [aangever 2] kreeg 5.000 euro in verband met die overwaarde. De heer [verdachte], werkzaam bij [bedrijf 1], is in de arm genomen om de hypotheek om te zetten en ervoor te zorgen dat [aangever 2] zijn ex-vrouw het genoemde bedrag kon betalen. Aan [verdachte] zijn diverse schriftelijke bescheiden geleverd. Het duurde daarna erg lang voordat het geld beschikbaar kwam. Via de mail berichtte [verdachte] toen dat hij de bank had verzocht een bedrag van 12.500 euro beschikbaar te stellen. Op 12 september 2008 kreeg [aangever 2] van [benadeelde 1] een bedrag van 7.500 euro overgemaakt en op 19 september 2008 een bedrag van 5.000 euro. Aan [verdachte] heeft hij een bedrag van 7.500 euro op 12 september 2008 en een bedrag van 4.000 euro op 22 september 2008 overhandigd. Hij heeft dit gedaan omdat [verdachte] alle financiele zaken met betrekking tot de hypotheekaanvraag en het uitkopen van de ex-vrouw van [aangever 2] voor hem zou regelen. Sindsdien was er geen contact meer mogelijk met [verdachte]. Ook bleek dat zijn ex-vrouw geen 5.000 euro had ontvangen. Op enig moment werd van er van de rekening van [aangever 2] een termijnbedrag afgeschreven. Uit de aan [aangever 2] door [benadeelde 1] toegezonden stukken bleek dat er op naam van [aangever 2] een contract was afgesloten met een lening ter grootte van 7.500 euro en een tweede krediet van 12.500 euro waarmee het eerste krediet werd afgelost. [aangever 2] verklaart dat de handtekening die onder beide contracten stond niet zijn handtekening was. De toegezegde hypotheek bleek niet geregeld en zijn ex-vrouw was niet uitgekocht.

[betrokkene 2] verklaart op 1 april 2009 dat in januari 2008 [aangever 2] en zij uit elkaar zijn gegaan. [aangever 2] wilde de woning behouden. Zij was van plan de woning te verlaten. Zij zijn rondom januari 2008 in contact gekomen met de heer [verdachte] van [bedrijf]. Er is een gesprek geweest met onder andere [verdachte] over de mogelijkheden van overnemen van de hypotheek door [aangever 2]. Desgevraagd verklaart [betrokkene 2] dat zij zeker weet dat er niet over persoonlijke leningen is gesproken en dat het gesprek ging over hypotheken, over hoe hoog de hypotheek kon danwel moest worden. [verdachte] zou een taxatie regelen en offertes sturen. Er is door de taxateur een overwaarde van 10.000,- vastgesteld. Zij had dus recht op 5.000. Het duurde heel lang voordat zij haar geld kreeg. Zij is bij [aangever 2] gaan vragen naar het geld. Uiteindelijk heeft zij haar 5.000,- van de vader van [aangever 2] gekregen.

Op 4 september 2009 deed [aangever 3] namens [benadeelde 1] aangifte van oplichting. De vermelde leningen van 7.500 en later nog van 12.500 waar bij de eerdere was ingelost, waren afgesloten en de genoemde bedragen zijn overgemaakt op rekeningnummer [rekeningnummer]. De handtekeningen op de contracten en de betalingsopdracht zijn door [aangever 3] vergeleken met die op het paspoort van [aangever 2]. Zij wijken af.

Blijkens een zich in het dossier bevindende bankafschrift blijkt dat het rekeningnummer van [aangever 2] is [rekeningnummer].

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat [aangever 2] uit Zeewolde hem in januari 2008 benaderde. [aangever 2] ging scheiden van zijn vrouw. In dat kader zou hij voor [aangever 2] een hypotheek regelen.

Verdachte heeft ter zitting gesteld dat zijn werkzaamheden een periode van 9 maanden beliepen. Voor die werkzaamheden moest door [aangever 2] provisie worden betaald, in totaal € 11.500. Dit bedrag heeft verdachte als provisie verkregen. De rechtbank acht evenwel ongeloofwaardig dat dit bedrag aan verdachte is betaald als provisie. Zoals verdachte ook ter terechtzitting heeft verklaard, is de hypotheek van [aangever 2] uiteindelijk niet voor hem afgesloten. [aangever 2] heeft verklaard dat dit bedrag bestemd was voor de uitkoop van zijn ex-vrouw en ten behoeve van diverse kosten voor het afsluiten van de hypotheek. Uit een e-mail tussen verdachte en [aangever 2] van 29 oktober 2008 blijkt dat verdachte [aangever 2] – nadat de familie [aangever 2] aandrong op duidelijkheid over de bestemming van het geld – voorwendde dat het bedrag was gestort op een beleggingsrekening.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:

Op 17 februari 2009 deed [aangever 4] aangifte van oplichting. Begin 2008 hadden hij en zijn vrouw voor hun huis een nieuwe hypotheek laten afsluiten. [verdachte] van [bedrijf] had hen hierbij geholpen. Rond die tijd hadden zij regelmatig contact met [verdachte]. De relatie werd meer dan zakelijk, hij werd een goede kennis van hen. Hij vertelde dat hij geld nodig had en vroeg hen een krediet af te mogen sluiten op hun naam. Dat vonden zij niet goed. Ze hebben hem echter 25.000 euro geleend van hun spaargeld en later nog eens 5.000 euro. Vervolgens vertelde [verdachte] hen dat hij een nieuwe werkgever had gevonden die hem wilde helpen bij de schulden en dat hij daarvoor een bankrekening nodig had. Hij had zelf geen bankrekening omdat hij een BKR registratie had en hij vroeg hun bankrekening te mogen gebruiken. Hij gaf aan de gegevens van hun bankrekening aan deze werkgever te hebben doorgegeven. De dag daarna werd 30.000 euro op hun rekening gestort via [benadeelde 1]. Het geld werd samen met [verdachte] bij meerdere postkantoren opgenomen en aan [verdachte] gegeven. Een paar dagen later werd nog eens een bedrag van 20.000 euro gestort. Ook dit is weer op dezelfde wijze opgenomen en aan [verdachte] overhandigd. Half november 2008 werd er een bedrag van 24.546,40 op hun rekening gestort. Nadat [aangever 4] aangaf het zat te zijn dat hun bankrekening werd gebruikt, vroeg [verdachte] of [aangever 4] het geld wilde overmaken naar rekening [rekeningnummer] van zijn schoonzus [aangever 5] te Utrecht. Half december 2008 kregen [aangever 4] en [betrokkene 3] post van de [benadeelde 1] waarop stond dat zij een krediet van zeker 75.000 euro hadden openstaan op hun naam. Zij hadden nooit geld geleend bij [benadeelde 1] en kenden de bank ook niet. [verdachte] zou dit oplossen en zorgen dat het krediet van hun naam afgehaald zou worden. Later kregen zij een bericht van een incassobureau dat zij 1.100 euro achterstand hadden bij [benadeelde 1]. Zij kregen geen contact meer met [verdachte]. [aangever 4] heeft toen zelf contact gehad met [benadeelde 1]. Daar kreeg hij te horen leerde dat zijn vrouw en hij een kredietovereenkomst op hun naam hadden afgesloten waarop hun handtekeningen waren vermeld. [aangever 4] verklaart dat zij nooit eerder contact hadden gehad met [benadeelde 1] en zij nooit handtekeningen op een kredietovereenkomst hadden gezet. [verdachte] had de beschikking over hun dossier voor het afsluiten van een hypotheek.

Op 24 februari 2009 werd [betrokkene 3], echtgenote van aangever gehoord. Zij verklaarde dat zij nooit een handtekening had gezet en dat zij ook nooit toestemming had gegeven om haar handtekening na te doen dan wel te vervalsen.

Op 13 juli 2009 werd [betrokkene 4] gehoord, werkzaam als salarisadministrateur is bij Amerpoort te Baarn. Hem werden diverse stukken getoond betreffende [betrokkene 3] voornoemd. [betrokkene 4] verklaarde naar aanleiding van het hem getoonde onregelmatigheidstoeslagoverzicht dat dit stuk was gedagtekend op 10 november 2008 en dat dit niet mogelijk is omdat mevrouw [aangever 4] toen reeds weg was bij deze werkgever. Met betrekking tot de verklaring waarin hij als salarisadministrateur verklaart dat mevrouw [aangever 4] haar werkzaamheden volledig zou hervatten verklaarde [betrokkene 4] dat hij dit stuk nog nooit heeft gezien en dat hij dit stuk nooit heeft getekend.

Op 4 september 2009 deed [aangever 3] namens [benadeelde 1] aangifte van oplichting. Er waren op naam van [aangever 4] drie aanvragen voor een lening binnengekomen respectievelijk voor een bedrag van Euro 30.000, Euro 50.000 en Euro 75000,--. Met dit laatste krediet is het krediet van Euro 50.000 afgelost. Het saldo stond op 3 september 2009 op Euro 80.264,74. [verdachte] kon voor het aanvragen van kredieten over diverse stukken beschikken omdat hij bemiddeld heeft in een hypotheekaanvraag voor [aangever 4].

In een e-mailbericht van 25 september 2008 schrijft verdachte aan [aangever 4] dat hij uit een samenwerkingsovereenkomst met een nieuw bedrijf een bedrag als renteloze lening ter beschikking krijgt dat na een jaar zal worden verrekend met zijn provisieinkomsten. Verdachte vraagt of dit bedrag op de rekening van [aangever 4] kan worden gestort.

In een e-mailbericht van 28 september 2008 schrijft verdachte aan [aangever 4] dat hij in verband met zijn bedrijfsuitoefening de beschikking kreeg over € 30.000,- en hij, toen hij gebeld werd met de vraag op welk rekeningnummer het bedrag kon worden gestort, het rekeningnummer van de familie [aangever 4] heeft opgegeven omdat hij met een mond vol tanden stond.

Uit een e-mailwisseling tussen verdachte en [aangever 4] blijkt dat verdachte tegenover [aangever 4] erkent dat het krediet ten onrechte op de naam van [aangever 4] is afgesloten.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij voor [aangever 4] als tussenpersoon had bemiddeld bij het afsluiten van een hypotheek. In dat kader had hij van [aangever 4] de beschikking over het hypotheekdossier gekregen. Door zijn contacten kreeg hij een goede band met [aangever 4] en werden de contacten met hem meer dan zakelijk. Ze hadden ook een persoonlijke klik op geloofsgebied.

Verdachte heeft tijdens de terechtzitting gesteld dat de familie [aangever 4] het krediet zelf afgesloten heeft. De rechtbank acht die voorstelling van zaken ongeloofwaardig, gelet op de verklaringen van [aangever 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en de hiervoor beschreven e-mails. Uit de e-mails wordt duidelijk dat verdachte tegenover de familie [aangever 4] de herkomst van de geldbedragen juist steeds heeft verhuld.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

Op 1 juli 2009 deed [aangever 5] aangifte van oplichting. Haar zwager [verdachte] vertelde haar begin november 2008 dat hij failliet was gegaan en dat hij hierdoor zijn provisie niet kon ontvangen op zijn eigen rekening. Hij vroeg of hij haar rekening eenmalig mocht gebruiken. Hij zou het bedrag van de provisie van haar rekening afboeken/pinnen waarna zij haar pas weer zou terugkrijgen. Eind november 2008 zag zij dat er 20.000 euro op haar rekening was bijgeschreven. Zij dacht dat dit bedrag aan provisie bestemd was voor [verdachte]. In de maand december 2008 zag zij dat er meerdere bedragen waren afgeboekt van haar rekening. Eind december 2008 vroeg hij of hij nog langer gebruik kon maken van haar giropas/bankrekening omdat hij nog een provisie verwachtte. Zij ging akkoord. Eind januari 2009 wilde zij inloggen op haar account voor internet bankieren hetgeen niet lukte. Begin februari 2009 wilde zij een nieuwe girorekening openen. Dat lukte niet omdat zij 5.000 rood stond. In april 2009 ontving zij een brief van [bedrijf 7] met het verzooek, onder verwijzing naar de [benadeelde 1], een bedrag van 635 euro te betalen. [aangever 5] verklaarde nooit geld te hebben geleend van [benadeelde 1]. Op 6 juni 2009 ontving zij een tweede brief van [bedrijf 7], waarin stond dat zij een bedrag van 23.823,92 euro moest voldoen. Zij nam contact op met [bedrijf 7]. [verdachte] zou die lening zijn aangegaan en zou zich hebben voor gedaan als haar vriend. Toen zij contact opnam met [benadeelde 1] werd haar door [aangever 3] verteld dat het op haar rekening gestorte bedrag niet van provisie afkomstig was maar van fraude. Zij heeft haar handtekening die op papieren stond er niet zelf opgezet.

Op 4 september 2009 deed [aangever 3] namens [benadeelde 1] aangifte van oplichting. Er was op 17 december 2008 een aanvraag voor een lening binnengekomen via [naam] te Almere voor [verdachte] voor een krediet van Euro 22.775,-- op naam van [aangever 5]. Zij hebben het dossier onderzocht. Hieruit is gebleken dat deze aanvraag is gedaan met een bankbijschrijving internet, een postbankafschrift en een salarsisspecificatie. Dit laatste document is een vervalste kopie van de salarisspecificatie van [betrokkene 5]. Mevrouw [aangever 5] heeft verklaard dat zij deze stukken nog nooit had gezien en niet bij de op de stukken vermelde werkgever (Mimaki Europe) werkzaam is, noch werkzaam, is geweest.

Op 8 oktober 2009 verklaarde [betrokkene 6], werkzaam bij [bedrijf 2], nadat haar een tweetal ssalarisspecificaties werden getoond dat het origineel op naam stond van de heer [betrokkene 5] die bij haar bedrijf in dienst is. Zij verklaarde dat zij de [aangever 5], de tenaamgestelde van de andere strook, niet kende zij niet. Die naam kwam niet voor binnen haar personeelsbestand. Voorts viel haar op dat de NAW-gegevens waren veranderd, het lettertype anders was, het sofinummer was aangepast, het rekeningnummer en het uit te

betalen salarisbedrag was bewerkt, dan wel een ander bedrag daar overheen geplakt en dat er het een en ander aan gerommeld was. Zij concludeerde dat de loonstrook op naam van [aangever 5] een (ver)vals(t) exemplaar was.

Bij de doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] in De Meern is een laptop in beslaggenomen. In die laptop zijn gegevens aangetroffen zoals die gebruikt zijn in de vervalste Mimaki werkgeversverklaring en bankafschriften welke zijn aangeboden bij [benadeelde 1] ten behoeve van het afsluiten van het krediet .

Verdachte verklaarde ter terechtzitting dat hij in de periode van 1 november 2008 tot en met 1 juli 2009 enige tijd van de pinpas van zijn schoonzuster [aangever 5] gebruik heeft gemaakt. Zij had hem die pinpas gegeven. Hij heeft met die pinpas opnamen van de rekening van zijn schoonzuster gedaan.

Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat zijn schoonzuster toegang had tot voormelde laptop en dat zij mogelijk zelf op deze laptop voormelde valse stukken heeft vervaardigd. De rechtbank acht deze stelling van verdachte ongeloofwaardig. Dat [aangever 5] de stukken heeft opgesteld is, gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden hoogst onwaarschijnlijk. De stelling van verdachte wordt op geen enkele wijze door feiten of omstandigheden gesteund.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

Op 1 september 2009 deed [aangever 6] aangifte van oplichting. Zij kocht in 2002 samen met haar echtgenoot, [betrokkene 7], een woning. Zij sloten voor deze woning een hypotheek af die rond het voorjaar van 2008 afliep. Via een collega werd zij gewezen op het bedrijf [bedrijf]. Zij heeft telefonisch een afspraak gemaakt. Op een avond kwam een man bij hen langs die zich voorstelde als [verdachte]. [verdachte] regelde voor hen een hypotheek. Zij moesten voor het afsluiten en aanvragen van de hypotheek een aantal documenten overhandigen, waaronder loonstroken, bankafschriften en een werkgeversverklaring. Omdat zij met vakantie gingen, hebben zij op advies van [verdachte] een machtiging getekend bij de notaris. Na de vakantie vonden zij de stukken van de hypotheek thuis. In september/oktober 2008 vroeg [verdachte] aan hen om nieuwe stukken, waaronder nieuwe bankafschriften. Zij hebben dat geweigerd. In januari/februari 2009 bleek dat er voor ons een risicoverzekering was afgesloten via [naam] bij Fortis/ASR. Zij hadden nooit iets van Fortis ondertekend en ook geen zaken gedaan met [naam]. Blijkens informatie van [naam] bleek dat dit door tussenkomst van [verdachte] was gebeurd. Tevens bleek dat er al een aanvraag voor een persoonlijk krediet bij [naam] lag. Deze aanvraag was echter nog niet ondertekend. [aangever 6] en [betrokkene 7] weten niets af van een kredietaanvraag.

Op 4 september 2009 deed [aangever 3] namens [benadeelde 1] aangifte van oplichting. Hij verklaart dat op 22 juli 2009 Ribank Direct, een label van [benadeelde 1], een kredietaanvraag ontving ten name van [betrokkene 7]. Het ging om een bedrag van Euro 50.000. Aangezien het rekeningnummer waar het kredietgeld op overgemaakt moest worden afweek van de twee rekeningen waarop het salaris binnenkwam werd een nader onderzoek ingesteld. Het betrof een rekening bij Triodos Bank. Het adres behorende bij dit rekeningnummer is [adres] te Amsterdam, het adres van [verdachte]. Een kopie van dossier [betrokkene 7] stelden zij aan de politie ter beschikking. Bij deze stukken bevinden zich de volgende – voor zover hier van belang zijnde – documenten:

- contract Ribank persoonlijke lening € 50.000,- dd 22-07-2009 op naam van [betrokkene 7] en/of [aangever 6], datum 22 juli 2009, rekeningnummer [rekeningnummer];

- betalingsopdracht lening Ribank, betaling naar rekeningnummer [rekeningnummer];

- salarisspecificatie [bedrijf 3] betreffende [betrokkene 7] van juni 2009,

- bankafschrift Rabobank (ivm fictieve storting salaris door [bedrijf 3]) op naam van dhr [betrokkene 7] betreffende salarisbijschrijving [bedrijf 3];

- salarisstrook NS reizigers op naam van mw [aangever 6] betreffende juni 2009;

- arbeidsovereenkomst NS Verkeersleiding op naam van [aangever 6] d.d. 3 juli 2000;

- bankafschrift SNS bankrekening nr [rekeningnummer] op naam van [betrokkene 7] (salarisstorting NS reizigers) ten behoeve van de aanvraag, periode 16 juni 2009-22 juni 2009.

Op 7 september 2009 legde [naam], H[bedrijf] een verklaring af. Zij is verantwoordelijk voor de uitgifte van werkgeversverlaringen en heeft zicht op de salarisadministratie. Haar werd de salarisspecificatie van de Silvo getoond. Zij verklaarde dat op de salarisspecificatie van de Silvo, de NAW-gegevens zijn veranderd. Het sofinummer alsmede de geboortedatum zijn aangepast. De rest, de salarisspecifieke gegevens zijn exact hetzelfde als het origineel dat toebehoort aan [naam]. De vervalsing geldt ook voor de tweede salarisstrook. Beide stukken zijn niet afkomstig uit haar bedrijf. Zij kennen [betrokkene 7] niet.

Op 7 september 2009 legde [naam], procesmanager bij de afdeling P en O van NS-reizigers een verklaring af . Hem werd de salarisstrook van NS-reizigers getoond. Hij verklaarde dat het lettertype van de NAW-gegevens niet overeenkomt met het door hen gebruikte lettertype. Hij zag tevens ‘NS-reizigers’ boven de strook staan, dit is er echter overheen geplakt. De layout is namelijk van ProRail. Hij zag een personeelsnummer staan van de heer [naam], wonende op het adres [adres] te [woonplaats]. Deze werknemer is sinds 1 augustus 2008 met ontslag. De dagtekening van de salarisstrook is na deze ontslagdatum.

Op 4 maart 2010 legde [betrokkene 7] een verklaring af. Hij is nooit bij Silvo in loondienst geweest. Zijn vrouw heeft nooit gewerkt voor NS. Hem wordt een bankafschrift van de SNS-bank getoond waaruit zou blijken dat zijn vrouw haar NS-salaris zou ontvangen van de NS.

Uit de in beslaggenomen stukken blijkt dat verdachte de beschikking had over documenten [naam]. Ook beschikte verdachte over stukken van [naam]. [naam] heeft verklaard dat hij via Internet in aanraking kwam met verdachte en dat hij verdachte een kopie legitimatie, een loonstrook en een bankafschrift heeft toegezonden .

Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat hij, nadat hij de benodigde stukken van de aangeefster [aangever 6] en haar echtgenoot [betrokkene 7] had ontvangen, zijn dossier met die stukken bij een bezoek aan de tussenpersoon van [naam] per abuis aldaar had laten liggen. Door de vertegenwoordiger van [naam] zou zelfstandig en zonder overleg met verdachte daarna een aanvraag voor een persoonlijk krediet voor aangeefster zijn gedaan. Verdachte heeft ten bewijze van zijn stelling een email overgelegd van ene [naam] waarin deze zijn “excuses voor de oplichting”aanbiedt.

De rechtbank acht, gezien het feit dat het geld moest worden uitbetaald op een rekening die op het adres van [verdachte] stond, alsmede gezien het feit dat de originele stukken die voor het vervalsen zijn gebruikt in het bezit zijn geweest van [verdachte], voldoende wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] als pleger betrokken is geweest bij de poging tot oplichting. Dat een bij of namens [naam] werkzame persoon wellicht ook bij deze oplichting betrokken is geweest doet daaraan niet af.

Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde:

Op 1 december 2009 deed [aangever 7] aangifte van oplichting. [verdachte] heeft van 3 augustus 2009 tot 4 september 2009 verbleven in de vestiging van [bedrijf 4], gelegen aan [adres] te A´dam. [bedrijf 4] nl biedt serviced apartments aan. Dit zijn appartementen met hoteldiensten. Zij bieden deze service alleen aan zakelijke gasten aan. De minimale verblijfsduur is één week. Op 3 augustus 2009 nam een man telefonisch contact op met het bedrijf met de vraag of er een appartement beschikbaar was. Een uurtje daarna kwam een meneer aan de balie op het kantoor te Amsterdam, die zich voorstelde als [verdachte] van [verdachte] Financiële Diensten. Hij verklaarde dat hij woonruimte nodig had, en dat hij niet in het bezit was van een creditcard omdat hij zojuist uit Spanje was gekomen. ijdens zijn eerste telefoongesprek gaf hij al aan voor een week een kamer te willen en deze alvast vast te willen laten leggen.Toen hij aan de balie kwam vertelde hij dat hij geen creditcard had en aan het einde van de week zou gaan betalen. Er is vervolgens een check-in formulier getekend door de verdachte. Verdachte heeft het appartement vervolgens zonder te betalen verlengd. Elke twee weken of week werd er verlengd tot hij uiteindelijk op 4 september 2009 uit het pand is gezet. Elke keer als hij verlengde had hij weer een andere uitleg over de onmogelijkheid om te betalen. Kort gezegd verklaarde hij in zijn mailtjes dat het bedrijf de rekening zou gaan betalen. Op 1 september stuurde een collega van de frontoffice een mail met het verzoek om een contactpersoon van het bedrijf die de rekening voor hem zou betalen alsmede om een bankbetaling/overzicht van die betaling. Verdachte gaf aan dat hij het geld vanaf zijn Spaanse rekening zou overmaken. Hij had een betalingsopdracht gegeven aan zijn Spaanse Bank genaamd ‘Banca March’. Donderdag 3 september 2009 stuurde [verdachte] ons een email met bijlage. Hierin stond een overzicht met de tekst ‘Online Payment Service’ en een referentienummer en het bedrag. Er is gesproken met de vestiging van de bank in Marbella, met de heer Olivier Dominicos. Gevraagd werd naar het overzicht wat [verdachte] had toegezonden, het zogeheten Online Payment Service Overzicht. Men vertelde dat dit helemaal geen betaling betrof. Dit was een overzicht van de gemeentebelasting / OZB-belasting.

Op 17 juni 2010 werd namens [bedrijf 4] een nadere verklaring afgelegd door E.M.F. Wildeman. Zij verklaarde dat bij de kamertarieven de navolgende goederen en diensten zijn inbegrepen:

Schoonmaakservice (eens per week);

Internet, bekabeld en wireless;

Elektra, water, verwarming;

Gebruikmaking van compleet gemeubileerd appartement (apparatuur + meubels);

Handdoeken, lakens;

Inboedel van de keuken, bestek,

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij van 3 augustus 2009 tot 4 september 2009 heeft verbleven in een appartement van [bedrijf 4] en van de daarbij behorende diensten gebruik heeft gemaakt.

Verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat hij het zogenoemde Online Payment Overzicht van de Spaanse bank Banca March heeft geproduceerd op verzoek van de medewerker [naam] van [bedrijf 4], met welke medewerker hij een verschil van mening had over de huurprijs van het door hem gehuurde appartement. Deze medewerker heeft deze mail – nog voordat verdachte kon ingrijpen - zelf verzonden van de laptop van verdachte en dat is gebeurd om tegenover de leidinggevende van de medewerker tijd te winnen, aldus de verdachte.

De rechtbank hecht geen geloof aan die verklaring van verdachte. Verdachte heeft immers een e-mailwisseling gehad met de betreffende medewerker [naam]. Op 2 september 2009 mailt verdachte aan [naam] dat hij een betalingsopdracht heeft gedaan bij Banca March voor een bedrag van € 10.519,16. Nog geen uur later verzoekt [naam] verdachte om een afschrift van deze betalingsopdracht. Daarop reageert verdachte dat hij dezelfde avond zal proberen een leesbaar e-mail document te maken en hem toe te zenden. Op 3 september 2009 zend verdachte hem de betreffende schermprint waarop [naam] antwoordt dat dit slechts het bewijs van de eerste fase van een transactie betreft en hij bewijs nodig heeft dat de transactie voltooid is. Gelet op deze gang van zaken is hoogst onwaarschijnlijk dat [naam] de schermprint heeft gemaakt en deze – nog voordat verdachte kon ingrijpen – heeft verzonden vanaf de laptop van verdachte.

Ten aanzien van het onder 7 primair tenlastegelegde:

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zelf de vervalsingshandelingen aan het in de tenlastelegging vermelde emailbericht heeft verricht of de vervalsing heeft laten opmaken, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair tenlastegelegde:

Op 6 mei 2010 deed [aangever 8], advocaat te Amsterdam, aangifte van valsheid in geschrift. Hij verklaarde in contact te zijn gekomen met [verdachte] naar aanleiding van de gevolgen van de uithuiszetting van [verdachte] uit de [adres] te Amsterdam. Ten behoeve van zijn werkzaamheden voor [verdachte], als cliënt van hem, heeft hij veelvuldig e-mail contact gehad met [verdachte]. Hij verzond zijn E-mail vanaf zijn zakelijke e-mail account, zijnde het E-mailadres [e-mailadres]. Cliënt [verdachte] maakte gebruik van e-mailadres [e-mailadres]. Tijdens het verhoor is [aangever 8] een uitgeprinte e-mail getoond welke zou zijn verzonden door hem aan cliënt [verdachte] op maandag 10 augustus 2009 om 17.55 uur. In deze e-mail staat - kort samengevat - dat hij aan [verdachte] verklaart dat zijn advocatenkantoor een vordering heeft gedaan bij een Rotterdamse tegenpartij aangaande het niet, dan wel deels betalen van provisie-inkomsten. Deze vordering zou € 49.089,17 bedragen en deze zou zijn erkend door de tegenpartij. Naar aanleiding van gesprekken gevoerd met de tegenpartij zou een betalingsvoorstel in de maak zijn. De betalingsregeling zou tussen de 3 en 7 maanden liggen.

[aangever 8] heeft verklaard dat de de kop en de onderzijde van de getoonde e-mail overeenkomstig zijn met de mails die zij zo verzenden. [aangever 8] herkent de inhoud van de mail in het geheel niet

Op 23 maart 2010 verklaarde [aangever 9] dat hij directeur is van het bedrijf KVO te Amstelveen. In de zomer van 2009 kwam hij in contact met [verdachte]. [verdachte] wilde een afspraak maken aangaande zogeheten productie die hij bij KVO wilde onderbrengen. Hij maakte een begroting aangaande geld wat hij nodig zou hebben, dit betrof totaal Euro 25.000. Hij leverde een uitgeprinte e-mail aan om aan te tonen dat er daadwerkelijk geld naar hem onderweg zou zijn. Dit betrof een e-mail van augustus 2009 afkomstig van zijn advocaat Fruytier te Amsterdam. In dit document stond: De totale vordering bedraagt Euro 49.089,17, exclusief wettelijke rente en is erkend door uw tegenpartij. Er zou ook een betalingsregeling zijn opgemaakt en de vordering zou worden uitbetaald.

In het dossier bevindt zich een door [aangever 8] aan de politie overgelegde originele email. De kop van deze email vermeldt als datum en tijdstip van verzending maandag 10 augustus 2009 om 17.55 uur, terwijl de vervalste email als datum en tijdstip van verzending vermeldt maandag 10 augustus 2009 te 17 uur 55 minuten en 26 seconden.

Ten aanzien van het onder 8 tenlastegelegde:

De rechtbank acht dit tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, nu zij van oordeel is dat de in de tenlastelegging omschreven feitelijke handelingen niet opleveren het tenlastegelegde aannemen van een valse naam en / of van een valse hoedanigheid en / of een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of een samenweefsel van verdichtsels.

Ook is niet bewezen dat de advertenties op internet zoals vermeld in de tenlastelegging opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid waren.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepleegd hetgeen hem onder 1 tot en met 6 en 7 subsidiair is ten laste gelegd, met dien dien verstande dat

1.

hij in de periode van 16 juni 2008 tot en met 30 juni 2008 te Amsterdam, althans in het arrondissement Amsterdam, in elk geval Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, Okura Hotel heeft bewogen tot de afgifte van een maaltijd/diner en andere consumpties, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een bona fide klant door

- (telefonisch) bij Okura Hotel een diner te reserveren voor 28 juni en (daarbij) mee te delen dat de kosten aangaande de reservering op rekening van zijn, verdachte's werkgever te laten factureren en/of (vervolgens)

- hierop een faxbericht te versturen waarin werd verzocht de factuur te verzenden naar het E-mail adres [e-mailadres] dan wel te verzenden naar het adres [adres] te Amsterdam, welk faxbericht was voorzien van een handtekening van hem, verdachte en een

valse handtekening welke door moest gaan voor de handtekening van [betrokkene 1], zijn, verdachte's werkgever en directeur van [bedrijf] advies, waardoor die Okura Hotel werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2008 tot en met 4 november 2008 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 2] en [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van resp 11.500,00 euro en/of 20.000,00 euro hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid, (als tussenpersoon) bemiddeld bij het (over)sluiten van een hypotheek en

- tegen die [aangever 2] gezegd dat de bank (ongeveer) 12.500,- euro zou storten als een vorm van voorschot op zijn hypotheekaanvraag en vervolgens

- nadat het genoemde bedrag gestort was op rekening van die [aangever 2] van die [aangever 2] (in totaal) 11.500,00 euro contant heeft ontvangen teneinde de provisie van de bank en verdachte's eigen provisie en het uitkopen van zijn, [aangever 2]'s, ex-vrouw af te handelen en

- zonder toestemming van die [aangever 2] op naam van die [aangever 2] kredietovereenkomsten/persoonlijke leningen heeft afgesloten bij [benadeelde 1] van 20.000,00 euro en

- voornoemde kredietovereenkomsten/persoonlijke leningen heeft voorzien van een handtekening welke door moest gaan voor de handtekening van die [aangever 2],

waardoor die [aangever 2] en [benadeelde 1] werden bewogen tot bovenomschreven

afgifte;

3.

hij in de periode van 01 juli 2008 tot en met 17 februari 2009 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door of meer) listige kunstgre(e)p(en) en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 4] en [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van (ongeveer) 75.000,- euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon bemiddeld bij het afsluiten van een hypotheek en vervolgens

toen de relatie meer dan zakelijk werd

- tegen die [aangever 4] gezegd dat hij, verdachte, niet over een bankrekening kon beschikken in verband met BKR-registratie en daarom heeft verzocht om gebruik te mogen maken van de rekening van die [aangever 4] waar het geld dat hij, verdachte van zijn werkgever zou ontvangen op gestort zou worden en vervolgens

- meer bedragen (in totaal ongeveer 75.000,- euro) op rekening van die [aangever 4] laten storten en (vervolgens)

- die [aangever 4] op verzoek van hem, verdachte een deel van het gestorte bedrag contant aan hem, verdachte heeft gegeven en een deel van dit bedrag op girorekening (5874595) ten name van [aangever 5], zijn, verdachte's schoonzus, heeft overgemaakt en

- zonder toestemming van die [aangever 4] en zijn echtgenote voor/namens die [aangever 4] en zijn echtgenote een of meer kredietovereenkomst(en)/persoonlijke lening(en) heeft afgesloten bij [benadeelde 1] (van ongeveer 75.000,- euro) en

- voornoemd(e) kredietovereenkomst(en)/persoonlijke lening(en) heeft voorzien van een handtekening welke door moest gaan voor de handtekening van die [aangever 4] en zijn echtgenote, waardoor die [aangever 4] en [benadeelde 1] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

4.

hij in de periode van 01 november 2008 tot en met 01 juli 2009 te Utrecht, althans in het arrondissement Utrecht en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 5] en/of [benadeelde 1] heeft bewogen tot de afgifte van (ongeveer)

22.775,50 euro, in elk geval een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- tegen die [aangever 5] gezegd dat hij, verdachte, in verband met faillissement geen provisie meer kon ontvangen op zijn, verdachte's eigen rekening en heeft daarom verzocht om gebruik te mogen maken van de rekening van die [aangever 5] teneinde de te ontvangen provisie af te kunnen pinnen en (vervolgens)

- een bedrag van (ongeveer) 20.000,- euro laten storten op rekening van die [aangever 5] en

- zonder toestemming van die [aangever 5], op naam van die [aangever 5] een krediet overeenkomst/persoonlijke lening heeft afgesloten bij [benadeelde 1] (van ongeveer

22.775,50 euro) middels (een) valse/vervalste salarisstro(o)k(en) (afkomstig van [bedrijf 6] [origineel is afgegeven op naam van [betrokkene 5]]) en (een) giroafschrift(en) (met hierop de salarisbijschrijving(en) afkomstig van [bedrijf 6]) en

- voornoemde kredietovereenkomst/persoonlijke lening heeft ondertekend dan wel voorzien van een handtekening welke door moest gaan voor de handtekening van die [aangever 5], waardoor die [aangever 5] en/of [benadeelde 1] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.

hij in of omstreeks de periode van 02 maart 2008 tot en met 22 juli 2009 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 7] en [aangever 6] en [benadeelde 1] te bewegen tot de afgifte van (ongeveer) 50.000,- euro, in elk geval een geldbedrag, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon heeft bemiddeld bij het afsluiten van een hypotheek en

- zonder toestemming van die [betrokkene 7] en [aangever 6] voor/namens die [betrokkene 7] en [aangever 6] een kredietovereenkomst heeft afgesloten bij Ribank/[benadeelde 1] (van ongeveer 50.000,- euro) en

- een of meer vals(e)/vervalste stuk(ken), te weten:

een kredietovereenkomst op naam van [betrokkene 7] en [aangever 6] met

contractdatum 22-07-2009 en/of met vermelding van rekeningnummer [rekeningnummer]

en een betalingsopdracht behorende bij genoemde kredietovereenkomst en

een salarisspecificatie op naam van [betrokkene 7] afkomstig van Silvo Bv van de maand juni 2009 (origineel is afgegeven aan [naam]) en

een Rabobankafschrift op naam van [betrokkene 7] met hierop de salarisbijschrijving van Silvo Bv en

een salarisspecificatie op naam van [aangever 6] afkomstig van NS Reizigers BV van de maand juni 2009 (origineel is afgegeven aan de heer [naam] uit Amersfoort) en

een arbeidsovereenkomst NS Verkeersleiding op naam van [aangever 6] d.d. 03-07-2000 en

een SNS bankafschrift betreffende de periode 16-06-2009 - 22-06-2009 op naam

van [betrokkene 7] met hierop de salarisbijschrijving van NS Reizigers BV en

heeft ondertekend dan wel voorzien van een handtekening welke door moest gaan voor de handtekening van die [betrokkene 7] en/of [aangever 6], zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

6.

hij in de periode van 03 augustus 2009 tot en met 4 september 2009 te Amsterdam, althans in het arrondissement Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en door een samenweefsel van verdichtsels, [bedrijf 4] heeft bewogen tot de afgifte van een of meer goed(eren), te weten:

- een (huis)sleutel en/of water en/of gas en/of licht en/of electriciteit en/of linnen en/of keukengerei en/of

- gebruik van internet- en/of telefoon- en/of parkeer faciliteit(en),

in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk –

zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / ofbedrieglijk en / of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een bona fide huurder van een appartement (voor een week) en (vervolgens)

- bij het inchecken heeft gezegd dat hij, verdachte, zojuist uit Spanje kwam en/of geen creditcard bij zich had en/of aan het einde van de week te zullen betalen en

- zijn, verdachte's verblijf telkens na een week heeft verlengd en daarbij meerdere smoezen heeft gebruikt om niet (op tijd) te betalen en

- dat hij, verdachte, (nadat hem, verdachte, meermalen werd verzocht te betalen) een overboekingsformulier heeft overhandigd per mail, welke zou dienen als bewijs voor betaling door zijn, verdachte's (Spaanse) bank (Banca March), hetgeen in werkelijkheid een overboekingsoverzicht betrof ten behoeve van de plaatselijke Spaanse gemeentebelastingen,

waardoor die [bedrijf 5] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

7.

Subsidiair

hij in de periode van 31 juli 2009 tot en met 4 september 2009 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst E-mailbericht, afkomstig van [aangever 8] (advocaat bij Fruytier Lawyers in Business), gericht/bestemd voor hem, verdachte, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemde E-mailbericht heeft verstrekt/aangeboden aan T. van der [aangever 9] (directeur van KVO Financiële Diensten), welk stuk als onderpand zou moeten dienen bij zijn, verdachte's, verzoek om (ongeveer) 25.000,- van die Van der [aangever 9] te lenen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder 1 tot en met 6 en onder 7 susbsidiair meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 en onder 6 tenlastegelegde:

oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

Poging tot oplichting.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair tenlastegelegde:

Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van de preventieve hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht aan verdachte, bij veroordeling, een voorwaardelijke gevangenisstraf en eventueel een werkstraf op te leggen.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de ernst van de feiten heeft de rechtbank met name acht geslagen op de ernst van het bewezenverklaarde. Verdachte heeft gedurende een lange periode

systematisch een aantal slachtoffers grote bedragen aan geld afhandig gemaakt door zich voor te doen als financieel adviseur en tussenpersoon en zodoende hun vertrouwen heeft gewonnen en vervolgens door stukken, die door deze slachtoffers aan hem in het kader van zijn verrichtingen toegezonden stukken te vervalsen dan wel stukken valselijk op te maken

waardoor op naam van deze slachtoffers zonder hun toestemming leningen werden afgesloten, waarbij de leensommen op bedrieglijke wijze door verdachte werden verkregen.

In een geval was de lening nog niet geheel afgesloten zodat het bij een poging tot oplichting is gebleven.

Voorts heeft verdachte gebruik gemaakt van een vervalst email-bericht waarbij het origineel van zijn advocaat afkomstig was, om aan een ander een bedrieglijk verhaal voor te spiegelen.

Verdachte heeft, handelende als hij deed, op doortrapte wijze van het aan hem (bij sommige slachtoffers in familieverband of in de kennissenkring) geschonken vertrouwen misbruik gemaakt en heeft voorts grote schade toegebracht aan het vertrouwen in het financieel verkeer en de financiële dienstverlening in Nederland.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank met name acht geslagen op:

- een uittreksel uit de justitiele documentatie d.d. 1 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten tot een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende verdachte d.d. 26 februari 2010, opgemaakt door M. Dozeman, reclasseringswerker van Reclassering Nederland, RN Adviesunit Alkmaar;

- een rapport betreffende de geestestoestand van verdachte d.d. 17 maart 2010, opgemaakt door drs. T.E.G.A. Oosterhof, gezondheidszorg psycholoog te Utrecht. Dit rapport houdt – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – onder meer in:

Betrokkene is niet lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, ook ten tijde van het ten laste gelegd, indien bewezen. Betrokkene is voor het hem ten laste gelegde, indien bewezen, te beschouwen als toerekeningsvatbaar.

De rechtbank neemt deze conclusie van deze deskundige over en maakt die tot de hare.

7. De benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [aangever 4]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 3 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 75.000,00 wegens materiële schade.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij rechtstreeks schade is toegebracht door het ten aanzien van verdachte onder 3. bewezenverklaarde feit.

De vordering zal daarom worden toegewezen, met verwijzing van verdachte in de tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten, die worden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Na te noemen maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.

De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 97.775,50 wegens materiële schade, exclusief rente en kosten.

De vordering van de benadeelde partij is, gelet op de vorderingen van [benadeelde 1] op de kredietnemers, niet van zo eenvoudige aard dat de vordering zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard met bepaling dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

8. Het beslag

Aan dit vonnis is als bijlage II een lijst van in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen gehecht.

Met betrekking tot de onder de nummers 1, 4, 5, 9, 11, 12, 13 en 14 op deze lijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen zal de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Met betrekking tot het onder nummer 15 op deze lijst vermelde inbeslaggenomen voorwerp zal de rechtbank de teruggave gelasten aan de rechthebbende [aangever 5].

Met betrekking tot de onder de nummers 2, 3, 6, 7, 8, en 10 op deze lijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen zal de rechtbank de teruggave gelasten aan verdachte.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 7 primair en onder 8 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

- verklaart het onder 1 tot en met 6 en onder 7 subsidiair tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert;

Ten aanzien van het onder 1 tot en met 4 en onder 6 tenlastegelegde:

oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde:

Poging tot oplichting.

Ten aanzien van het onder 7 subsidiair tenlastegelegde:

Opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

- verklaart verdachte strafbaar;

Veroordeelt verdachte tot een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIER EN TWINTIG MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever 4], wonende te [woonplaats], toe tot een bedrag van € 75.000,00 (zegge vijf en zeventig duizend euro).

Veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen kwijting aan deze benadeelde partij te betalen.

Verwijst de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij tot op heden gemaakt, vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Legt aan de veroordeelde de verplichting op om aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 75.000,00 (zegge vijf en zeventig duizend euro) bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Indien en voor zover door de veroordeelde dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daarmee de verplichting van veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde voormeld bedrag aan de benadeelde partij is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] te Amsterdam niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, die onder de nummers 1, 4, 5, 9, 11, 12, 13 en 14 zijn vermeld op de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

Gelast de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp, hetwelk onder nummer 15 is vermeld op de aan dit vonnis gehechte bijlage II, aan de rechthebbende [aangever 5].

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, die onder de nummers 2, 3, 6, 7, 8, en 10 zijn vermeld op de aan dit vonnis gehechte bijlage II, aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door S. Wijna, voorzitter, R.P. den Otter en M.S. Koppert-van Beek, rechters, in tegenwoordigheid van F.P.L. van der Lee, als griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2010.

Mr. Wijna voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.