Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7135

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
16/600409-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen poging zware mishandeling en bedreiging. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600409-10; 21/005011-06 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd te PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag, Zwaag

raadsman mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

feit 1 primair samen met een ander heeft geprobeerd [aangever 1] van het leven te beroven dan wel zwaar te mishandelen door onder meer tegen zijn hoofd en lichaam te schoppen en te trappen;

feit 1 subsidiair [aangever 1] heeft mishandeld;

feit 2 [aangever 2] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [aangever 1], nader te noemen [aangever 1], zwaar te mishandelen en dat verdachte [aangever 2], nader te noemen [aangever 2], heeft bedreigd. Zij baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsman de betrouwbaarheid van de aangifte van [aangever 1] en van de verklaring/aangifte van [aangever 2] in twijfel getrokken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt bij haar beoordeling van het bewijs de aangifte van [aangever 1] en de verklaring/aangifte van [aangever 2] als uitgangspunt. Op essentiële punten komen de verklaringen overeen en worden de verklaringen ondersteund door ander objectief bewijs in het dossier, zoals het geconstateerde letsel bij [aangever 1] en de verklaring van [getuige 1], nader te noemen [getuige 1].

Feiten

Op 20 april 2010 zijn [aangever 1] en [aangever 2] aanwezig in de woning aan de [adres] te Utrecht. Om 15:00 uur komen [getuige 1], verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1], nader te noemen [medeverdachte 1], spullen uit de woning ophalen. Er ontstaat een vechtpartij waarbij verdachte, [medeverdachte 1] en [aangever 1] zijn betrokken. [aangever 2] probeert het geweld te stoppen en neemt [aangever 1] uiteindelijk mee de woning in.

Overweging ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit (medeplegen van poging tot zware mishandeling) heeft begaan op grond van het navolgende.

[aangever 2] heeft in zijn verklaring bij de politie verdachte en [medeverdachte 1] aangeduid als dader 1 en dader 2, met als beschrijving dat dader 1 blond haar heeft en dader 2 donkerblond haar. Op grond van bovenstaande beschrijvingen, de signalementen van verdachte en [medeverdachte 1] bij hun aanhouding en de eigen waarneming van de rechtbank ter zitting, gaat de rechtbank er van uit dat [aangever 2] met dader 1 medeverdachte [medeverdachte 1] bedoelt en met dader 2 verdachte.

[aangever 1] heeft verklaard dat hij is geslagen en geschopt door verdachte en [medeverdachte 1]. [aangever 1] is even buiten bewustzijn geweest door het geweld en heeft erg veel pijn aan zijn hoofd.

[aangever 2] heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] kennelijk opzettelijk met kracht met zijn gebalde vuist [aangever 1] een stomp op zijn gezicht heeft gegeven, waardoor hij op de grond is gevallen.

[getuige 1] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] met [aangever 1] in gevecht raakten, waarbij [medeverdachte 1][aangever 1] heeft geslagen. [getuige 1] zag [aangever 1] op de grond vallen.

[aangever 2] heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 1] meermalen met zijn geschoeide voet tegen het lichaam van [aangever 1] heeft geschopt. Hij trapte hem in zijn maag, rug en gezicht. Vervolgens haalde verdachte uit het voertuig een disselslot en is hiermee naar [aangever 1] gelopen. Verdachte keek heel boos uit zijn ogen. [aangever 1] lag op dat moment op de grond in de foetus houding. Verdachte schopte opzettelijk en met kracht tegen het lichaam van [aangever 1], tegen zijn maag, gezicht en rug. [aangever 2] hoorde [aangever 1] pijnkreten geven.

Bij [aangever 1] is het volgende letsel geconstateerd: schaafwonden op de rechterknie, het rechteronderbeen en de linkeronderarm. Verder is een hersenschudding, een kneuzing in de nek en lage rug en een kneuzing in het gelaat geconstateerd. De geschatte duur van genezing is 6 tot 8 weken.

Ten aanzien van het disselslot heeft [aangever 2] verklaard dat verdachte deze vasthield in zijn rechterhand en dat hij een slaande beweging met het slot maakte in de richting van [aangever 1]. [aangever 2] kreeg het idee dat verdachte [aangever 1] wilde slaan.

Ook [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte het slot van de aanhangwagen in zijn hand had.

Op een gegeven moment duwde [aangever 2] verdachte weg, pakte [aangever 1] van de grond en duwde hem de woning in. Verdachte heeft daarna nog tegen de deur aangeschopt van woede.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1][aangever 1] meerdere malen tegen het hoofd en het lichaam heeft geslagen en geschopt en met een disselslot in de richting van [aangever 1] heeft gezwaaid.

De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat door voornoemde gedragingen de aanmerkelijke kans is ontstaan op het intreden van de dood van [aangever 1], dit mede gelet ook op het letsel en de geschatte duur van genezing. Wel is de rechtbank van oordeel dat door het met kracht slaan tegen het hoofd en met geschoeide voet schoppen tegen het lichaam, alsmede het zwaaien met het massieve disselslot, een aanmerkelijke kans bestaat dat dit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. Kwetsbare delen van het hoofd respectievelijk organen kunnen immers worden geraakt. De aard van deze gedragingen is naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht op de mogelijkheid van het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte en zijn mededader hebben door aldus te handelen welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 1] zou worden geraakt en daardoor zwaar verwond zou kunnen worden. Het opzet is dus in voorwaardelijke vorm aanwezig.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er sprake is van medeplegen. Verdachte heeft deelgenomen aan het geweld door zelf ook te schoppen en te slaan. Met deze gedragingen heeft verdachte zich gecommitteerd aan de gedragingen van zijn mededader en is er derhalve sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering.

Overweging ten aanzien van feit 2

Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bedreiging wettig en overtuigend bewezen.

[aangever 2] heeft verklaard dat, toen verdachte met het disselslot in zijn hand stond, hij verdachte naar hem hoorde roepen: “Als je nu niet opdondert sla ik jou met dat ding”.

[aangever 2] zag verdachte vervolgens weer met het slot op hem aflopen en hoorde hem zeggen: “Als je niet oprot ga je er ook aan”.

Verdachte ontkent dat hij iets in zijn hand heeft gehad en dat hij [aangever 2] heeft bedreigd. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk gezien de andersluidende, hierboven ter zake van feit 1 aangehaalde verklaringen van [getuige 1] en [aangever 2]. Hierbij komt dat verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij uit boosheid tegen [aangever 2] heeft gezegd dat hij moest oprotten en ook dat hij tegen de deur geschopt heeft van woede. Bij de politie heeft verdachte nog verklaard dat hij probeerde [aangever 1] te slaan, maar dat [aangever 2] hem tegenhield en dat hij telkens tegen [aangever 2] zei: “oprotte, oprotte van mij”.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. primair

op 20 april 2010 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader

-die [aangever 1] met kracht meermalen op/tegen het hoofd en/of het lichaam gestompt/geslagen waardoor die [aangever 1] ten val is gekomen en/of

- vervolgens die [aangever 1] meermalen met geschoeide voet tegen/in de maag en/of

de rug en/of het hoofd geschopt/getrapt en/of

- met een disselslot in de richting van die [aangever 1] zijn lichaam geslagen en/of gezwaaid, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 20 april 2010 te Utrecht, [aangever 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend die [aangever 2] de woorden toegevoegd: "Als je nu niet opdondert sla ik jou met dat ding" en/of "Als je niet oprot ga je er ook aan",

en door met een disselslot een zwaaiende en/of slaande beweging in de richting van die [aangever 2] te maken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1 primair medeplegen van poging tot zware mishandeling;

feit 2 bedreiging met zware mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest. Met als bijzondere voorwaarde Reclasseringstoezicht ook als dat inhoudt een COVA-training.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander een geweldsdelict gepleegd, waarbij het slachtoffer is geschopt en geslagen, ook terwijl het slachtoffer op de grond lag. Verder heeft verdachte met een disselslot – een groot stalen voorwerp – in de richting van het slachtoffer gezwaaid. Dat de gevolgen van zijn handelen niet ernstiger zijn geweest, is niet aan verdachte te danken, maar aan een derde die verdachte probeerde tegen te houden en het slachtoffer uiteindelijk heeft weggeduwd bij verdachte. Verdachte heeft het hier echter niet bij gelaten en heeft vervolgens deze derde bedreigd met woorden en met zwaaiende bewegingen met het disselslot in de richting van het slachtoffer en die derde.

De rechtbank acht de door verdachte gepleegde feiten zeer ernstig. Uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen, komt duidelijk naar voren hoe groot de impact van het door verdachte toegepaste geweld op het slachtoffer is.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van:

- een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2010, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

- het advies van Reclassering Nederland d.d. 18 juni 2010 door P. Brugman, reclasseringswerker, inhoudende een verplicht contact met de Reclassering, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA). De rechtbank neemt dit advies over.

De rechtbank acht alles afwegend een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Als bijzondere voorwaarde dient verdachte zich gedurende de proeftijd te gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA), zolang de Reclassering dat nodig acht.

De voorwaardelijke gevangenisstraf kan tevens dienen als een 'stok achter de deur' ten einde verdachte in te scherpen zich ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van 2 jaar.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 425,79 terzake materiële schade voor feit 1. De rechtbank acht de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [aangever 1] vordert voorts een schadevergoeding van € 874,00 terzake immateriële schade voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 400,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit terzake van immateriële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering - bij wijze van voorschot - tot dat bedrag hoofdelijk toewijzen vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel kan de benadeelde partij zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van

3 maanden die aan verdachte is opgelegd bij arrest van 16 oktober 2007 ten uitvoer zal worden gelegd.

De raadsman heeft verzocht om verlenging van de proeftijd met 1 jaar.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en dat hij daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 24c, 36f, 45, 47, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair medeplegen van poging tot zware mishandeling;

feit 2 bedreiging met zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland zolang de Reclassering dat nodig acht;

en dat verdachte zal deelnemen aan een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (COVA),

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest d.d. 16 oktober 2007 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/005011-06 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten:

3 maanden gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1], wonende te [woonplaats], van € 400,00 bij wijze van voorschot ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 20 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 1], wonende te [woonplaats], € 400,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. A. Wassing, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 juli 2010.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.