Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN7099

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-08-2010
Datum publicatie
15-09-2010
Zaaknummer
16-513709-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor straatroof, mishandeling, bedreiging, openlijk in vereniging geweld plegen tot een werkstraf van 140 uren subsidiair 70 dagen vervangende jeugddetentie en 4 maanden voorwaardelijke jeugddetentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/513709-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende aan de [woonadres], [woonplaats].

Raadsman mr. F.A. Geevers, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander [aangever 1] op straat heeft afgeperst en/of samen met een ander [aangever 1] op straat heeft beroofd;

feit 2: [aangever 2] heeft mishandeld;

feit 3: [aangever 3] heeft bedreigd; en

feit 4: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4].

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging en de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 3 ten laste gelegde feit en heeft hiervoor een vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht het tweede onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en de aangifte van [aangever 1] .

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en de aangifte van

[aangever 2] .

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte van [aangever 3] en de verklaring van verdachte dat het goed zou kunnen dat hij gezegd heeft “mongool, ik maak je kapot” en dat als hij kwaad is, hij dan achteraf niet meer goed weet wat hij gezegd heeft.

Ten aanzien van feit 4

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever [aangever 4] heeft verklaard dat hij op 20 februari 2010 met een aantal vrienden bij de [bedrijf 1] aan de [adres] te Zeist was. Toen hij buiten kwam werd hij door een Marokkaanse jongen en een Nederlandse jongen meermalen in zijn gezicht geslagen. Ook is hij door de Marokkaanse jongen geschopt tegen zijn benen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij en [verdachte] aangever buiten bij de [bedrijf 1] hebben opgewacht. Tevens heeft hij verklaard dat hij aangever meermalen op zijn gezicht heeft geslagen, dat aangever hierdoor op de grond is gevallen en dat hij vervolgens bovenop aangever is gedoken en helemaal door het lint ging.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat hij zag dat aangever door een Nederlandse jongen twee keer met kracht in zijn gezicht werd geslagen.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat [medeverdachte 1] en aangever met elkaar lagen te vechten op de grond, dat hij er naar toe is gelopen en dat hij aangever heeft getrapt ter hoogte van zijn benen.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 12 februari 2010 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een tas, met daarin onder meer portemonnees en geldbedragen, in totaal ten bedrage van ongeveer EUR 600,-, en een bankpas (ING) en een rijbewijs en een identititeitskaart,

ten dele toebehorende aan [aangever 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, en/of zijn mededader terwijl zij een bivakmuts droegen:

- tegen die [aangever 1] hebben geroepen de woorden: "Overval, geef je tas, geef je tas" en

- het achterrekje/de bagagedrager van de fiets van die [aangever 1] heeft vastgepakt terwijl die [aangever 1] op die fiets zat en probeerde weg te fietsen en waardoor die [aangever 1] niet weg kon fietsen en

- daarbij een mes heeft getoond aan die [aangever 1] en

- voornoemde tas welke lag in een fietsmand welke was bevestigd aan voornoemde fiets heeft vastgepakt en

- daarbij die [aangever 1] heeft getrapt en

- tegen die [aangever 1] heeft geroepen: "kuthoer, kankerwijf" en

- vervolgens voornoemde tas uit de handen van die [aangever 1] heeft gerukt;

2.

op 22 december 2009 te Wijk bij Duurstede opzettelijk mishandelend [aangever 2] heeft

gestompt, waardoor voornoemde [aangever 2] pijn heeft ondervonden;

3.

op 23 december 2009 te Wijk bij Duurstede [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak je kapot vuile Mongool";

4.

op 20 februari 2010 te Zeist met een ander op de openbare weg, de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 4], welk geweld bestond uit het meermalen

- slaan of stompen in het gezicht en

- trappen of schoppen tegen de benen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 2: mishandeling;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; en

feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Over de geestvermogens van verdachte is door C. Snijder, GZ-psycholoog, op 24 juni 2010 een rapport uitgebracht. Deze gedragsdeskundige heeft geconcludeerd dat er bij verdachte sprake lijkt te zijn van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. Volgens de deskundige heeft verdachte een vermijdende copingstijl ontwikkeld waarbij negatieve gevoelens ten aanzien van het zelf en eigen kunnen sterk worden afgeweerd. Er is sprake van een disharmonisch intelligentieprofiel waarbij de verbale vaardigheden ontoereikend zijn. Verdachte lijkt gevoelig voor spanningen en kan deze moeilijk reguleren, hetgeen met name in agressieproblematiek resulteert. Hiervan was eveneens sprake ten tijde van het plegen van het onder 1 ten laste gelegde feit. Op grond van deze conclusies wordt verdachte door de deskundige ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit licht verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige over en maakt deze tot de hare.

Gelet op de problematiek waarvan bij verdachte sprake is merkt de rechtbank verdachte ook ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten aan als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank constateert evenwel dat uit de rapportage of anderszins niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun, ook als de maatregel inhoudt het volgen van een behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 140 uren subsidiair 70 dagen jeugddetentie.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de door hem bepleite vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit en met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich in amper twee maanden schuldig gemaakt aan meerdere gewelddadige strafbare feiten.

Verdachte heeft, samen met een ander, op de late avond een vrouw beroofd van haar tas met inhoud. Verdachte en zijn mededader hebben hierbij een bivakmuts, respectievelijk een pantykous, gedragen en de bagagedrager van de fiets van de vrouw vastgepakt om haar te beletten weg te kunnen fietsen. Zij hebben voor de overval een stil en aardedonker gedeelte van de Oude Arnhemse Bovenweg uitgezocht en daar anderhalf uur gewacht tot een geschikt slachtoffer langs kwam. De rechtbank acht het berekenende karakter van hun handelen schokkend. Een dergelijk strafbaar feit is zeer ernstig nu verdachte en zijn mededader zich louter hebben laten leiden door hun eigen behoeften zonder enig mededogen met het slachtoffer. Verbijsterend acht de rechtbank het feit dat verdachte van de opbrengst van deze overval twee gouden ringen heeft gekocht en dat hij die heeft gedragen tot aan zijn aanhouding.

Voor het slachtoffer, dat na een late dienst van haar werk naar huis fietste, is de overval een zeer beangstigende ervaring geweest. Deze traumatische ervaring en het gevoel nergens meer veilig te zijn zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. Uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij blijkt dat het slachtoffer na de beroving een aantal maanden niet meer ’s avonds langs de route, waar zij is beroofd, heeft durven fietsen.

Juist dergelijke overvallen op donkere plekken langs een openbare weg zorgen voor grote gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving, met name voor vrouwen. Daarnaast brengt een straatroof financiële schade toe aan het slachtoffer en/of haar verzekeraar.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een mishandeling, een bedreiging en een openlijke geweldpleging.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank ten voordele van verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte aan mevrouw [aangever 1] een excuusbrief heeft geschreven, dat hij heeft getoond in te zien dat zijn handelen buitengewoon ernstig en fout is geweest en dat hij begrepen lijkt hebben dat hij hulp nodig heeft.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 1 juni 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten;

- hetgeen hiervoor onder 5.2 is genoemd, kort samengevat dat verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd;

- een de verdachte betreffend rapport van Bureau Jeugdzorg Utrecht van 13 juli 2010;

- een de verdachte betreffend rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van

16 juli 2010.

Door de GZ-psycholoog, de reclasseringswerker alsmede de raadsonderzoeker wordt geadviseerd aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen, zodat hieraan de maatregel Hulp en Steun kan worden gekoppeld, ook als de maatregel inhoudt het volgen van een behandeling bij de Waag.

De bewezenverklaarde feiten, met name de straatroof, zijn ernstig en rechtvaardigen zonder meer een onvoorwaardelijke jeugddetentie van aanzienlijke duur. De rechtbank zal hiertoe echter niet besluiten gelet op het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten en het gegeven dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Met deze voorwaardelijke straf wordt mede beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De voorwaardelijke jeugddetentie is hoger dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft overwogen om een voorwaardelijke jeugddetentie van zes maanden op te leggen. Gelet op de licht verminderde toerekeningsvatbaarheid zal zij deze straf beperken tot vier maanden voorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank ziet op grond van het bovengenoemde aanleiding om aan het voorwaardelijke strafdeel als bijzondere voorwaarde de maatregel Hulp en Steun te verbinden, ook als de maatregel inhoudt het meewerken aan een behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

[aangever 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 355,- voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. Het beslag

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de teruggave aan verdachte gevorderd van de computer. Ten aanzien van de twee gouden ringen heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen geen standpunt ingenomen.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de in beslag genomen en niet reeds teruggegeven computer.

De in beslag genomen gouden ringen zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. De rechtbank verklaart deze ringen verbeurd nu is gebleken dat verdachte deze goederen heeft verkregen uit de opbrengst van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 33, 33a, 36f, 77a, 77g, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 285, 300, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

feit 2: mishandeling;

feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht; en

feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering, ook als de maatregel inhoudt het volgen van een behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 140 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 70 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 355,- ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 1] € 355,- te betalen, bij niet-betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen computer;

- verklaart de in beslag genomen gouden ringen verbeurd;

Voorlopige hechtenis

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Kruijff-Bronsing, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M.J. Veldhuijzen en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Landen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 augustus 2010.