Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6439

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
10-09-2010
Zaaknummer
638742 AC EXPL 09-4591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering (onder meer) uit kennelijk onredelijk ontslag. Bedrijfseconomische reden voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Gelet op het langdurig dienstverband, de leeftijd van de werknemer ten tijde van het ontslag (bijna 59 jaar), zijn eenzijdige arbeidsverleden en de omstandigheid dat de werkgever hem niet “employable” heeft gehouden, is het ontslag zonder dat voor werknemer enige financiële voorziening is getroffen kennelijk onredelijk. Bepaling van de hoogte van de schadevergoeding. Strenge toets bij beoordeling van het “habe nichts”-verweer. Stel- en schadebeperkingsplicht van werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0713

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 638742 AC EXPL 09-4591 LH 464

vonnis d.d. 25 augustus 2010

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. J.M.A. Smits,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

gemachtigde: mr. R. de Rijk.

Het verloop van de procedure

In conventie

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

[gedaagde] heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en [gedaagde] heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

In reconventie

[gedaagde] heeft een tegeneis ingediend.

[eiser] heeft geantwoord op de tegeneis.

[gedaagde] heeft voor repliek en [eiser] heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. [eiser], geboren op [1950], is - met onderbrekingen - van 1 maart 1980 tot 1 januari 2009 in dienst geweest van [gedaagde], een vennootschap die zich bezig houdt met het internationale transport van plezierjachten. Nadat de arbeidsverhouding geruime tijd (in elk geval vanaf 1992 tot 1 juni 1993) onderbroken was geweest, heeft [eiser] van 1 juni 1993 tot 1 januari 2009 ononderbroken voor [gedaagde] gewerkt, aanvankelijk mede als chauffeur en laatstelijk als administratief medewerker/planner.

1.2. In 2008 heeft [eiser], die gewoon was vijf dagen (40 uren) per week te werken, vier dagen per week (32 uren) arbeid verricht. Waar het loon eind 2007 bij het fulltime dienstverband € 2.876,75 bruto per maand had bedragen, heeft [gedaagde] hem in 2008 aanvankelijk maandelijks € 2.301,40 bruto aan 'salaris' en € 575,35 bruto aan 'nabetaling (niet opgenomen) vrije dagen' betaald. Nadat het loon periodiek was verhoogd, heeft [eiser] (in elk geval vanaf 1 mei 2008) maandelijks

€ 2.919,90 bruto ontvangen, onderverdeeld in € 2.335,92 aan 'salaris' en € 583,98 aan genoemde 'nabetaling'. Bij de salarisbetaling in mei 2008 heeft [gedaagde] aan [eiser] € 2.242,48 bruto aan vakantiebijslag over het kalenderjaar 2008 betaald.

1.3. Bij brief van 28 november 2008, door [eiser] op of omstreeks 13 december 2008 ontvangen, heeft [gedaagde], '(g)ezien de afname van werk binnen ons bedrijf', de arbeidsovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 1 januari 2009. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] [eiser] aangeboden voor 12 uren per week voor haar te blijven werken. Op

16 december 2008 heeft [eiser] schriftelijk tegen het ontslag geprotesteerd en zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten.

1.4. Daarop heeft [gedaagde] op 29 december 2008 het toenmalige CWI te Amersfoort verzocht om toestemming de arbeidsverhouding met [eiser] wegens bedrijfseconomische redenen, bestaande in 'een structurele vermindering van het werk' ten gevolge van de economische recessie, te beëindigen. Bij brief van zijn gemachtigde van 31 december 2008 heeft [eiser] vervolgens aan [gedaagde] te kennen gegeven niet langer bereid te zijn om voor haar te werken en zich bij de beëindiging van het dienstverband per 1 januari 2009 neer te leggen. [gedaagde] heeft daarna haar verzoek om een ontslagvergunning ingetrokken. Tot

1 januari 2009 heeft [gedaagde] aan [eiser] het loon voldaan. Zij heeft hem geen ontslagvergoeding willen betalen.

1.5. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst. Op zijn vordering heeft de kantonrechter te Amersfoort bij kort geding vonnis van 25 juni 2009 [gedaagde] (onder meer) veroordeeld om aan [eiser] een voorschot op een schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 12.613,97 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 januari 2009. Daartoe werd overwogen dat de wettelijke opzegtermijn vier maanden heeft bedragen, dat de op 28 november 2008 gedateerde opzegging [eiser] eerst in de loop van december 2008 heeft bereikt, zodat de arbeidsovereenkomst eerst tegen 1 mei 2009 regelmatig kon worden opgezegd, en dat het loon geacht moest worden laatstelijk € 2.919,90 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) te hebben bedragen. De kantonrechter oordeelde het voorshands aannemelijk dat [eiser] in 2008 wekelijks een dag minder heeft gewerkt om zijn 'stuwmeer' van opgebouwde verlofdagen op te nemen.

De vorderingen en de standpunten van partijen

In conventie

2.1. [eiser] vordert, na vermindering van de eis, dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na het vonnis aan hem te voldoen € 71.089,37, bestaande uit € 68.062,87 aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst, € 2.559,32 aan onbetaald gebleven reiskostenvergoeding en bonus over 2007 en 2008 en

€ 467,18 bruto aan onbetaald gelaten vakantiebijslag over 2008, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 71.089,37 vanaf 1 januari 2009, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

2.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk heeft opgezegd, omdat het dienstverband onverhoeds en zonder inachtneming van de geldende opzegtermijn is beëindigd. Voorts heeft een geldige reden voor opzegging ontbroken. De meegedeelde bedrijfseconomische ontslagreden was voorgewend of vals. Er was zoveel werk dat [eiser] regelmatig moest overwerken om het af te krijgen. Tenslotte beroept [eiser] zich op het zogenoemde gevolgencriterium: de gevolgen van de opzegging waren voor hem vanwege zijn zwakke arbeidsmarktpositie zodanig ernstig in vergelijking met het belang van [gedaagde] bij opzegging dat voor hem een financiële voorziening had moeten worden getroffen. [eiser] was ten tijde van het ontslag 58 jaar oud en is gedurende het dienstverband met [gedaagde] nooit bijgeschoold. Hij is werkloos geworden en lijdt pensioenschade, terwijl [gedaagde] onderdeel uitmaakt van een welvarend familie-concern. Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding dient aansluiting te worden gezocht bij de kantonrechtersformule, waarbij gezien de verschillen met de ontbindings-procedure een forfaitaire aftrek kan worden toegepast.

[eiser] vordert bovendien een bedrag aan onbetaald gebleven maandelijkse reiskosten-vergoeding en jaarlijkse winstuitkering over 2007 en 2008, waarmee hij heeft verrekend hetgeen hij aan [gedaagde] nog verschuldigd was, onder meer aan stallingkosten voor zijn boot. Tenslotte vordert [eiser] het onbetaald gebleven restant van de hem toekomende vakantiebijslag over 2008. Ten onrechte heeft [gedaagde] deze vakantiebijslag berekend over een bruto maandloon van

€ 2.335,92 in plaats van € 2.919,90. In de berekening van [eiser] bedraagt de onbetaald gebleven vakantiebijslag € 467,18 bruto.

3. [gedaagde] betwist de vordering. De arbeidsovereenkomst met [eiser] is niet kennelijk onredelijk opgezegd. Vanwege de economische recessie is de omzet in het najaar van 2008 sterk afgenomen. Omdat ook de prognose voor 2009 somber was, was het noodzakelijk om de personeelskosten te verminderen. Doordat er veel minder administratief werk was, kon de functie van [eiser] grotendeels door de directeur-grootaandeelhouder worden vervuld. Het aanbod om gedeeltelijk in dienst te blijven, heeft [eiser] niet aanvaard. Ander passend werk was voor [eiser], die als enige administratief medewerker werkzaam was en al jaren eerder had aangegeven niet meer als chauffeur te willen werken, niet beschikbaar. [gedaagde] keert zich - subsidiair - ook tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. Bij de berekening daarvan kan geen gebruik worden gemaakt van de kantonrechtersformule, zoals [eiser] doet. Door haar verslechterde financiële positie is [gedaagde] niet in staat ten behoeve van [eiser] enige financiële voorziening te treffen. Dat zou haar faillissement betekenen.

De reiskostenvergoeding en de winstuitkering over 2007 (respectievelijk € 2.100,-- en € 850,--) zijn aan [eiser] voldaan. De door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde stallingkosten zijn zo'n twee maal zo hoog als [eiser] stelt. Over 2008 heeft [eiser] geen recht op een winstuitkering, omdat in dat jaar geen winst is gemaakt, maar verlies is geleden.

Aan vakantiebijslag over 2008 heeft [eiser] niet te weinig ontvangen. Hij werkte in dat jaar 32 uren per week, waarmee een loon van aanvankelijk € 2.301,40 en nadien € 2.335,92 bruto per maand correspondeerde. In mei 2008 is hem over het kalenderjaar 2008 terecht niet meer dan € 2.242,48 bruto aan vakantiebijslag betaald.

In reconventie

4.1. [gedaagde] vordert de veroordeling van [eiser] om aan haar te voldoen € 1.840,68 netto.

4.2. [gedaagde] legt aan haar vordering ten grondslag dat [eiser] aan haar over 2007 nog € 650,-- aan stallingkosten en

€ 650,-- aan geleverde brandstof verschuldigd is. De reiskostenvergoeding en de winstuitkering over 2007 zijn reeds aan [eiser] voldaan. Over 2008 heeft [eiser] nog wel recht op € 2.100,-- aan reiskostenvergoeding, maar een winstuitkering komt hem over dat jaar, waarin door de economische recessie geen winst is gemaakt, niet toe. De stallingkosten hebben in 2008 € 675,-- bedragen. Over 2008 komt [gedaagde] daarom nog € 540,68 netto toe.

5. [eiser] betwist de vordering. Hij doet daartoe onder meer een beroep op de door hem in de jaren 2001 tot en met 2006 gemaakte overzichten van het in die jaren over en weer verschuldigde, op basis waarvan partijen tot 2007 steeds met elkaar hebben afgerekend.

De beoordeling van het geschil

In conventie

6.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] onregelmatig, zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen, tegen 1 januari 2009 heeft opgezegd. In het kort geding vonnis van 25 juni 2009 is voorshands geoordeeld dat [gedaagde] op z'n vroegst tegen 1 mei 2009 - regelmatig - had kunnen opzeggen, reden waarom zij bij dat vonnis tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding, gelijk aan vier maandsalarissen (inclusief vakantiebijslag) werd veroordeeld. Uit de stellingen van [gedaagde] in de huidige bodemprocedure maakt de kantonrechter op dat zij zich bij dat voorlopige rechterlijke oordeel heeft neergelegd. Zijnerzijds heeft [eiser] zijn vordering in deze bodemprocedure verminderd met het bedrag van de aan hem in kort geding toegewezen schadevergoeding wegens de onregelmatige opzegging. Op het geschil over de hoogte van het overeengekomen loon, dat partijen nog wèl verdeeld houdt, zal hierna, bij de beoordeling van de vordering tot betaling van vakantiebijslag, worden ingegaan.

6.2. Partijen twisten allereerst over de vraag of [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] kennelijk onredelijk heeft opgezegd. De beantwoording van deze vraag dient te geschieden aan de hand van een beoordeling van de omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, zoals deze zich voorafgaand aan en ten tijde van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst hebben voorgedaan. Zoals de Hoge Raad recentelijk heeft overwogen, komt het daarbij, naar de kern genomen, aan op de vraag of het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap

(HR 27 november 2009 JAR 2009,305). [eiser] heeft zich in dat verband beroepen op de wijze en de termijn waarop het dienstverband aan hem is opgezegd, op het ontbreken van een geldige ontslagreden en op de wanverhouding tussen de over en weer bij het ontslag betrokken belangen. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.

6.3. Ofschoon - anders dan [gedaagde] heeft betoogd - ook een onregelmatig ontslag van een werknemer die in de ontijdige beëindiging van zijn dienstverband heeft berust en aanspraak heeft gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:680 BW kennelijk onredelijk kan zijn, wordt [eiser] niet gevolgd in zijn standpunt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst (enkel of mede) vanwege de onregelmatigheid ervan kennelijk onredelijk is. Die onvolkomenheid in de opzegging wordt met de betaling van de gefixeerde schadevergoeding weggenomen en kan daarom niet bijdragen aan het oordeel over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag. Ook het ontbreken van een vroegtijdige waarschuwing dat het dienstverband zou eindigen, vormt geen aanwijzing voor kennelijke onredelijkheid van de opzegging, nu [eiser] heeft erkend dat met hem is besproken dat hij een beroep op de Werkloosheidswet zou moeten doen en dat hem het aanbod is gedaan voor 12 uren per week in dienst te blijven. [eiser] heeft niet gesteld dat (en waarom) redelijkerwijs van [gedaagde] mocht worden verlangd dat zij hem eerder van haar bedrijfseconomische moeilijkheden op de hoogte had gebracht. Dat [gedaagde] zich eerst tot het CWI heeft gewend nadat [eiser] medio december 2008 bezwaar tegen de opzegging had gemaakt, kan haar niet worden verweten, omdat zij erop vertrouwde dat hij in een (partieel) ontslag zou berusten. [eiser] heeft dit, enkele dagen nadat [gedaagde] alsnog een ontslagvergunning had gevraagd, ook gedaan. Dat zijn 'switch' was ingegeven door een verstoring van de arbeidsrelatie, heeft [gedaagde] betwist en is door [eiser] niet nader onderbouwd.

6.4. [eiser] heeft betoogd dat [gedaagde] voor het ontslag een geldige reden ontbeerde en dat de opgegeven reden, kort gezegd: vermindering van werkaanbod, voorgewend of vals was. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd weersproken. Gezien de aard van het bedrijf - transport van plezierjachten - is aannemelijk dat [gedaagde] direct de gevolgen van de neergaande conjunctuur is gaan ondervinden. Zij heeft de omzetcijfers van 2008 en, ter vergelijking die van 2007, overgelegd. Daaruit volgt dat de omzet, die over 2007 nog bijna 3,5 miljoen Euro had bedragen, in 2008 is uitgekomen op minder dan 2,5 miljoen Euro. Dat daarmee de omzet nog net boven die in 2006 uitkwam, brengt - anders dan [eiser] betoogt - niet mee dat er voor hem voldoende werk beschikbaar bleef. Dat met de vermindering van het aantal transporten ook de daarmee verband houdende administratieve werkzaamheden afnamen heeft [eiser] niet voldoende gemotiveerd weersproken. Dat hij ook eind 2008 nog heeft overgewerkt, heeft [gedaagde] betwist. [gedaagde] heeft daarom kunnen besluiten om het personeels-bestand in te krimpen en daarbij de keuze op [eiser] te laten vallen. Hieraan doet de vermogendheid van de vennootschap of haar directeur-grootaandeelhouder niet af, omdat van [gedaagde] gezien de voorziene duur van de recessie niet gevergd mocht worden met een noodzakelijke aanpassing van haar personeelsbestand te wachten. Van een niet bestaande ('valse') ontslagreden was dan ook geen sprake. Dat [eiser] is ontslagen om een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond vormde, is niet gebleken, nu [eiser] niet heeft gesteld welke andere reden [gedaagde] zou hebben gehad om hem te ontslaan.

6.5. [eiser] heeft zijn vordering voorts gebaseerd op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW, inhoudende dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk geacht kan worden wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Vooropgesteld wordt dat het enkele feit dat de werkgever geen voorziening voor de werknemer heeft getroffen in het algemeen onvoldoende is om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Zoals de Hoge Raad in het arrest van 12 februari 2010 (JAR 2010,72) heeft uitgemaakt, kan dit evenwel anders zijn indien er bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat de nadelige gevolgen van het ontslag geheel of ten dele voor rekening van de werkgever moeten komen. De kantonrechter acht in dit geval zodanige bijzondere omstandigheden aanwezig dat een ontslagverlening zonder enigerlei financiële voorziening in strijd komt met het goed werkgeverschap, en daarmee kennelijk onredelijk is. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

6.6. De kantonrechter neemt in aanmerking dat [gedaagde] op weliswaar in haar risicosfeer gelegen, maar deugdelijke bedrijfseconomische gronden tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft besloten. Is het ontslag derhalve op zichzelf terecht gegeven, het was voor [eiser] wel zodanig bezwaarlijk dat hem een zekere mate van genoegdoening had moeten worden verschaft. Hierbij komt in de eerste plaats betekenis toe aan zijn precaire arbeidsmarktpositie. Op grond van de leeftijd die [eiser] ten tijde van de beëindiging van het dienstverband had bereikt (hij was bijna 59 jaar) en gezien zijn eenzijdige werkervaring, moet worden aangenomen dat voorzienbaar was dat zijn mogelijkheden om elders passend ander werk te vinden, zeker bij economische neergang, beperkt zouden zijn. [eiser] heeft [gedaagde] ook verweten hem niet voor bijscholing in aanmerking te hebben gebracht. Weliswaar hij heeft niet toegelicht wat, gezien zijn vooropleiding en vaardigheden, op het gebied van scholing van [gedaagde] precies verwacht had mogen worden, maar [gedaagde] heeft niet weersproken dat zij zich er niet voor heeft ingespannen [eiser] 'employable' te houden. De kantonrechter acht het aannemelijk dat zich in de loop der jaren ook in het werk van [eiser] ontwikkelingen hebben voorgedaan die tot bijscholing noopten. Dat scholing achterwege is gebleven, zal zijn kansen op de arbeidsmarkt geen goed hebben gedaan. Voorts is van belang dat [eiser] zeer lang voor [gedaagde] heeft gewerkt. Daarbij houdt de kantonrechter mede rekening met de dienstverbanden die al vóór 1 juni 1993 tussen partijen hebben bestaan. Dat de arbeidsrelatie van partijen in die periode niet ononderbroken is geweest, doet aan de duur van [eiser]'s langdurige inzet voor de onderneming van [gedaagde] niet af. Niet weersproken is dat zijn staat van dienst goed was.

6.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [gedaagde] de arbeidsovereenkomst met [eiser] kennelijk onredelijk heeft opgezegd door voor hem niet enigerlei voorziening te treffen in de sfeer van aanvulling van een werkloosheidsuitkering en ter beperking van de pensioenschade. Door betaling van een ontslagvergoeding had [gedaagde] kunnen - en, als goed werkgeefster, behoren te - voorkomen dat [eiser] in de te verwachten periode van werkloosheid na zijn ontslag werd geconfronteerd met een ernstige inkomensterugval. De kantonrechtersformule kan niet dienen als algemeen uitgangspunt bij de bepaling van de vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Bij de bepaling van de schadevergoeding neemt de kantonrechter, naast hetgeen hierboven (met name onder 6.6.) is overwogen, enerzijds in aanmerking dat [gedaagde] niet heeft onderbouwd dat zij tot betaling van enigerlei schadevergoeding niet in staat is. Dit argument dient te worden beoordeeld aan de hand van een strengere maatstaf dan de toets die wordt aangelegd bij de beantwoording van de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk is vanwege onevenredigheid (in de zin van artikel 7:681 lid 2 onder b BW). De kantonrechter is er in dit licht door [gedaagde] niet van overtuigd dat de toekenning van schadevergoeding het voortbestaan van het bedrijf in gevaar zou brengen. De cijfers over 2008 wijzen niet uit dat er geen ruimte was voor enige vergoeding. Door [gedaagde] zijn verder geen cijfers over 2009 overgelegd, zodat niet kan worden nagegaan of er begin januari 2009 geen enkele ruimte was om een schadevergoeding te betalen. Nu ervan moet worden uitgegaan dat haar bedrijfsactiviteiten wèl winstgevend zijn geweest in de jaren dat [eiser], voordat in 2008 de recessie zich aandiende, voor haar heeft gewerkt, had [gedaagde] als goed werkgeefster dienen te reserveren voor eventuele magere jaren.

6.8. Anderzijds wordt er, in mitigerende zin, rekening mee gehouden dat [eiser] om hem moverende redenen niet is ingegaan op het aanbod om parttime (voor 12 uren per week) bij [gedaagde] in dienst te blijven. Dat bij zijn beslissing een reële verstoring van de arbeidsrelatie een rol heeft gespeeld, zoals [eiser] stelt, is niet komen vast te staan. Daarvoor geeft de kleine schaal van de werkomgeving op zichzelf onvoldoende aanleiding. Voorts neemt de kantonrechter in aanmerking dat [eiser] zich slechts in algemene termen over zijn arbeidsmarktpositie heeft uitgelaten, terwijl van hem - gezien de op hem rustende stel- en schadebeperkingsplicht - verlangd mocht worden dat hij inzicht gaf in de inspanningen die hij zich inmiddels heeft getroost om ander werk te vinden. Mede omdat daarom niet geheel kan worden uitgesloten dat hij op enig moment, in of buiten de transportwereld, toch weer als administratief medewerker aan de slag kan, is de schade die [eiser] lijdt en waarvan vergoeding billijk is, niet nauwkeurig vast te stellen. De schade wordt daarom geschat, en wel op

€ 25.000,--. De gevorderde schadevergoeding is tot dat bedrag toewijsbaar. Dat geldt ook voor de wettelijke rente, die niet afzonderlijk is betwist.

6.9. [eiser] vordert bovendien de overeengekomen reiskostenvergoeding en winstuitkering over 2007. [gedaagde] betwist dit deel van de vordering, stellende dat de betreffende bedragen van respectievelijk € 2.100,-- en € 850,-- reeds zijn uitbetaald. [gedaagde] heeft zich er echter niet over uitgelaten wanneer en hoe die betalingen zijn geschied. Van de betalingen heeft zij geen schriftelijk bewijs in het geding gebracht. Zij heeft weliswaar een algemeen bewijsaanbod gedaan, maar dit wordt - als te weinig gespecificeerd - gepasseerd.

6.10. Partijen verschillen van mening over de hoogte van de overeengekomen stallingkosten voor de boot van [eiser]. Volgens [gedaagde] bedroegen deze in 2007 € 650,-- en in 2008 € 675,--. Volgens [eiser] ging het om € 350,-- respectievelijk € 375,-- per jaar. De kantonrechter verwerpt het verweer van [gedaagde]. Niet alleen strookt het standpunt van [eiser] met het in de door hem overgelegde overzichten over de jaren vóór 2007 jarenlang opgenomen bedrag van € 340,-- aan stallingkosten, ook heeft [gedaagde] bij dupliek in conventie (onder 12.) erkend dat zij [eiser] 'nimmer de zomer heeft gerekend omdat het terrein dan toch nagenoeg leeg is'. Hieruit volgt dat [eiser] voor de stalling van zijn boot ongeveer de helft van de reguliere prijs verschuldigd was en alleen voor het winterseizoen betaalde, waarin hij de plek van een andere boot innam.

6.11. [eiser] maakt aanspraak op een winstuitkering over 2008, die [gedaagde] betwist. [eiser] heeft zich er niet over uitgelaten waarop hij dit deel van zijn vordering baseert. Niet gebleken is of er een regeling aan ten grondslag ligt, die hem recht geeft of een vast bedrag aan winstuitkering, ongeacht de vraag of (en hoeveel) winst is gemaakt. Stellende dat er in 2008 door de omzetterugval geen winst is gemaakt, heeft [gedaagde] het recht op een winstuitkering in 2008 voldoende gemotiveerd weersproken.

6.12. Uit hetgeen hierboven, onder 6.8. tot en met 6.10., is overwogen, volgt dat [eiser] over 2007 van [gedaagde] nog

€ 1.950,-- netto te goed heeft en dat hij over 2008 aan haar nog € 240,68 verschuldigd is. Partijen hebben zich over en weer op verrekening beroepen, zodat [gedaagde] wordt veroordeeld aan [eiser] € 1.709,32 netto te voldoen. De gevorderde rente hierover is niet afzonderlijk betwist en daarom eveneens toewijsbaar.

6.13. Bij de beoordeling van het geschil over de verschuldigdheid van vakantiebijslag 2008 draait het om de vraag over welk loon die vakantiebijslag moet worden berekend. Volgens [eiser] zijn partijen overeengekomen dat hij zijn in de loop der tijd opgebouwde tegoed aan vakantie- of compensatieuren in 2008 zou opnemen door wekelijks op vrijdag vrij te nemen. Dit heeft, anders dan de uitsplitsing van het loon in 'salaris' en 'nabetaling (niet opgenomen) vrije dagen' op de salarisspecificaties doet vermoeden, in de omvang van de arbeidstijd en - daarmee - in de hoogte van het overeengekomen loon geen wijziging gebracht. Dit loon heeft in 2008 onverminderd € 2.876,75 respectievelijk € 2.919,90 bruto per maand (exclusief vakantiebijslag) bedragen. Volgens [gedaagde] daarentegen is [eiser] in 2008 op eigen verzoek een dag per week minder gaan werken en is hem maandelijks een vergoeding voor eerder gemaakte overuren uitbetaald. De kantonrechter verwerpt het standpunt van [gedaagde]. Tegenover de betwisting door [eiser], heeft zij haar stelling dat de bedongen arbeidstijd begin 2008 in onderling overleg is verminderd onvoldoende onderbouwd. Dat [eiser] indertijd duidelijk en ondubbelzinnig heeft geopteerd voor een wijziging van de wekelijkse arbeidstijd is niet komen vast te staan en kan uit de enkele uitsplitsing op de salarisspecificaties, en uit (het uitblijven van) een reactie daarop door [eiser], niet worden afgeleid. Dat, zoals [gedaagde] bij dupliek (onder 6.) heeft gesteld, haar boekhouder, toen die in oktober 2008 dacht 'dat het wel gebeurd zou zijn met de op te nemen overuren', de omschrijving van het bedrag van € 583,98 achterwege had gelaten, zonder overigens iets aan het bruto of netto salaris te veranderen, wijst er veeleer op dat, zoals [eiser] heeft betoogd, hij in 2008 slechts minder heeft gewerkt om zijn opgebouwde verlof op te nemen. Hieruit volgt dat de vakantiebijslag over 2008 dient te worden berekend over het (onveranderde) loon en dat het gevorderde restant van € 467,18 bruto aan vakantiebijslag toewijsbaar is. De gevorderde rente hierover wordt, als niet afzonderlijk betwist, eveneens toegewezen.

6.14. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

In reconventie

7.1. Uit hetgeen in reconventie is overwogen en beslist, vloeit voort dat de vordering van [gedaagde] niet toewijsbaar is.

7.2. [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na dit vonnis aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 25.000,-- aan schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, € 1.709,32 netto aan restant reiskostenvergoeding en winstuitkering over 2007 en 2008, en € 467,18 bruto aan restant vakantiebijslag over 2008, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 1 januari 2009 tot de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op

€ 1.093,98, waarin begrepen € 800,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op

€ 300,-- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.