Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6377

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
09-09-2010
Zaaknummer
16/995002-05 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ten laste gelegd dat hij al dan niet samen met een ander als feitelijk leidinggever van een BV opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, waardoor te weinig belasting werd geheven; dat hij facturen, CMR-documenten, vervoersdocumenten en/of bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken met het oogmerk deze stukken als echt te gebruiken;

dat hij in al dan niet samen met een ander opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan, waardoor te weinig belasting werd geheven en dat hij één of meerdere busjes traangas voorhanden heeft gehad. De rechtbank acht alleen het derde feit bewezen: Door vermogen op een Duitse bankrekening ten onrechte niet op te nemen in de aangifte inkomstenbelasting is er te weinig inkomstenbelasting afgedragen door verdachte. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van 5.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/995002-05 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [woonplaats]

wonende [adres], [woonplaats]

raadsman mr. D.J.P. van Omme en raadsvrouwe mr. M. Kamp, advocaten te Amsterdam

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaak van medeverdachte

[medeverdachte] (hierna: [medeverdachte]). Verdachte zal hierna als [verdachte] worden aangeduid.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: in de periode van 1 november 2000 tot en met 26 oktober 2004 al dan niet samen met een ander als feitelijk leidinggever van [verdachte] opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, waardoor te weinig belasting werd geheven;

feit 2: in de periode van 1 augustus 2000 tot en met 31 december 2004 al dan niet samen met een ander als feitelijk leidinggever van [verdachte] facturen, CMR-documenten, vervoersdocumenten en/of bedrijfsadministratie valselijk heeft opgemaakt of doen opmaken met het oogmerk deze stukken als echt te gebruiken;

feit 3: in de periode van 22 maart 2002 tot en met 29 juni 2005 al dan niet samen met een ander opzettelijk onjuiste aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan, waardoor te weinig belasting werd geheven;

feit 4: op 20 januari 2005 één of meerdere busjes traangas voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit onvoldoende feitelijk omschreven is, omdat in de tenlastelegging wordt verwezen naar een aan de dagvaarding gehechte lijst met vervalste documenten en zowel de rechtbank als de verdediging niet over deze lijst beschikken.

De rechtbank zal derhalve de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit nietig verklaren.

Gelet op deze beslissing zal de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de door hem noodzakelijk geachte wijziging van het onder 2 ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voor het overige geldig is.

3.2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat er sprake is van een grove overschrijding van de redelijke termijn. Met de doorzoekingen op het kantoor- en het huisadres van verdachte alsmede zijn verhoor, allen op 20 januari 2005, is de redelijke termijn aangevangen. De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 juni 2010. Er is derhalve bijna vijfenhalf jaar verstreken. Hoewel overschrijding van de redelijke termijn gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad in beginsel niet langer tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt, kan uit de jurisprudentie tevens worden afgeleid dat (langdurig) tijdsverloop in combinatie met andere factoren ertoe kan leiden dat beginselen van goede procesorde geschonden zijn, hetgeen de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg heeft.

In casu heeft het Openbaar Ministerie geweigerd verschillende onderzoeken tegen verdachte te voegen, ondanks de samenhang tussen die onderzoeken. Voorts heeft het openbaar ministerie het antwoord op het rechtshulpverzoek aan Zwitserland meer dan tweeënhalf jaar aan de verdediging onthouden. Voorgaande klemt temeer daar verdachte een half jaar voordat de verdediging met dit rechtshulpverzoek bekend werd opnieuw in verzekering gesteld werd vanwege de Zwitserse bankrekening. Er is derhalve tevens sprake van het herhaaldelijk toepassen van dwangmiddelen voor dezelfde feiten.

Gezien deze omstandigheden zijn de rechten van verdachte in ernstige mate geschaad. Dit rechtvaardigt het verzoek om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren, aldus de raadsvrouwe.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Conform het standaardarrest van de Hoge Raad zal hij met deze termijnoverschrijding rekening houden bij de formulering van zijn eis.

De officier van justitie heeft gemotiveerd betwist dat andere rechten van de verdediging zijn geschaad. Het verzoek tot voeging van verschillende onderzoeken had geen betrekking op het onderhavige onderzoek, maar op de onderzoeken Rood Korenveld en [naam]. Er is evenmin sprake van bewuste onthouding van processtukken. Het feit dat verdachte een tweede keer in verzekering gesteld werd, had te maken met een witwasverdenking onder de onderzoeksnaam [naam]. Dit had derhalve niets te maken met de verdenking voor de onderhavige feiten, zodat er geen sprake is van het voor de tweede keer toepassen van een dwangmiddel voor hetzelfde feit.

Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat er sprake van een overschrijding van de redelijke termijn is. De termijn is naar het oordeel van de rechtbank begonnen op 30 september 2005. Op die dag is verdachte in verzekering gesteld. De termijn van twee jaar waarbinnen verdachte had moeten worden berecht is geschonden, nu sinds 30 september 2005 bijna vijf jaar zijn verstreken.

Van schending van andere rechten van de verdachte in het voorbereidend onderzoek naar de in deze zaak ten laste gelegde feiten, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd ten aanzien van de (herhaalde) toepassing van dwangmiddelen in een ander onderzoek, kan niet worden betrokken bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verdachte voor de thans ten laste gelegde feiten. De Hoge Raad heeft meermalen tot uitdrukking gebracht dat artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend betrekking heeft op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem ten laste gelegde feit waarover de rechter heeft te oordelen. Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek.

De rechtbank zal, in geval van bewezenverklaring van een of meerdere feiten, bij een eventuele strafoplegging rekening houden met de hiervoor geconstateerde schending van de redelijke termijn.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Met betrekking tot feit 1 baseert de officier van justitie zich op de aangiften omzetbelasting van [verdachte] voor het vierde kwartaal van 2000, het derde en vierde kwartaal van 2001, het eerste, tweede en vierde kwartaal van 2002, het derde en vierde kwartaal 2003 en het eerste kwartaal 2004 alsmede de maanden mei en juni 2004. De onjuistheid van de aangiften is erin gelegen dat in de aangiften vermeld staat dat er leveringen zijn geweest naar andere EU-landen, waardoor er geen over die leveringen geen BTW verschuldigd is. Deze leveringen hebben echter nooit plaatsgevonden en de facturen die dit zouden moeten aantonen, zijn vals. Tegelijkertijd vinden er verkopen van vuurwerk plaats binnen Nederland die niet verantwoord zijn in de boekhouding. De valsheid van de facturen blijkt onder meer uit de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], die – zakelijk weergegeven – hebben verklaard dat er geen vuurwerk is afgenomen van [verdachte] een rechtshulpverzoek aan Duitsland is gebleken dat [verdachte] vanaf 2001 geen zaken heeft kunnen doen met H&W, omdat dit bedrijf al op 15 mei 2000 ontbonden is. [A.] heeft voorts verklaard dat hij gegevens van zijn afnemers aan [B.] heeft verstrekt, die op zijn beurt deze gegevens aan [verdachte] heeft verkocht, terwijl [B.] wist dat de gegevens gebruikt zouden worden voor het opmaken van valse facturen.

Nu niet aannemelijk gemaakt is dat er geleverd is aan andere afnemers binnen de EU danwel dat er in Duitsland BTW is afgedragen en verdachte gelet op zijn functie van directeur van [verdachte] als feitelijk leidinggever moet worden aangemerkt, is het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De officier acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat er geen sprake is van medeplegen. [medeverdachte] is immers niet verantwoordelijk voor de aangifte inkomstenbelasting van verdachte. Verdachte heeft zijn buitenlandse vermogen niet aangegeven bij de fiscus, waardoor nadeel is ontstaan. Hij heeft een bankrekening bij de Deutsche Bank waarop tenminste € 275.000,00 heeft gestaan. Voorts zijn er twee rekeningen bij de bank Adler & Co te Zurich (Zwitserland). De officier van justitie acht de verklaring van verdachte –zakelijk weergegeven – inhoudende dat hij deze rekeningen voor een Chinese zakenpartner beheert, ongeloofwaardig, omdat verdachte deze verklaring pas op de zitting van 14 september 2006 heeft afgelegd en verdachte bij de verhoren door de FIOD-ECD zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht. Bovendien bevatten de kwitanties op de documenten D-253 en D-255 de initialen van de zoon van verdachte. Op D-255 zijn de initialen doorgestreept en vervangen door de naam “[C.]”. De naam “[C.]” komt ook terug op een kwitantie van Adler & Co, die de naam tussen haakjes hebben gezet.

De officier van justitie acht ook het onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachte de busjes traangas in zijn bezit had. De busjes zijn namelijk in een kast in de woonkamer van een woning die door verdachte werd gehuurd aangetroffen. De verklaring van verdachte inhoudende dat hij niet wist dat de busjes traangas in de kast lagen, is ongeloofwaardig dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten kan komen.

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit aangegeven dat er geen sprake is van een onjuiste aangifte omzetbelasting. Het vuurwerk lag opgeslagen in een loods in Duitsland en werd daarvandaan afgeleverd aan de klanten. Over leveringen vanuit de opslag in Duitsland is geen BTW verschuldigd in Nederland, zodat vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van het doen van een onjuiste aangifte inkomstenbelasting, zoals onder 3 ten laste gelegd, heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Tijdens de doorzoeking op 20 januari 2005 zijn er rekeningafschriften gevonden van rekeningen in Duitsland en Zwitserland. Hoewel de rekening in Duitsland op naam van verdachte stond, betrof dit in werkelijkheid een rekening van [verdachte] inkomsten noch de uitgaven op deze rekening hielden verband met privédoeleinden van verdachte, zodat verdachte hierover niets in zijn aangifte inkomstenbelasting hoefde op te nemen.

Met betrekking tot de Zwitserse bankrekeningen heeft de verdediging gesteld dat uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat deze rekeningen op naam van verdachte stonden. Er is evenmin gebleken dat de rekeningen betrekking hebben op privévermogen van verdachte.

Voor zover verdachte wordt verweten dat hij een bedrag van $ 30.000, dat in een op naam van verdachte gehuurde kluis bij de SNS Bank in Rhenen is aangetroffen, niet heeft opgenomen in de aangifte inkomstenbelasting heeft de verdediging primair gesteld dat dit niet bewezen verklaard kan worden, nu in de tenlastelegging vermeld is dat verdachte een onjuist bedrag aan buitenlandse tegoeden heeft opgegeven.

Subsidiair heeft de verdediging aangegeven dat zowel verdachte als [medeverdachte] toegang had tot de kluis. Uit de stukken blijkt dat [medeverdachte] vaker bij de kluis kwam dan verdachte. Zonder nadere informatie kan niet worden vastgesteld dat het bedrag van $ 30.000,00 van verdachte was, zodat vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit, omdat op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte twee busjes traangas voorhanden heeft gehad. De busjes zijn tijdens een doorzoeking aangetroffen in een kast van de woning waar verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] feitelijk en tijdelijk verbleef. Verdachte heeft op de zitting van 28 juni 2010 verklaard dat hij sinds vier maanden in die woning woonde en dat de woning gedeeltelijk gemeubileerd was op het moment dat hij deze woning betrok. In de kast waar de busjes traangas zijn aangetroffen, bevond zich onder andere schrijfgerei. Het is derhalve mogelijk dat de busjes van [medeverdachte] dan wel de voormalige eigenaar zijn.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Onder 1 is ten laste gelegd dat [verdachte] - kort gezegd - opzettelijk onjuiste aangifte omzetbelasting heeft gedaan terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting werd geheven. De rechtbank stelt voorop dat - in een geval als het onderhavige - uit het bewijs ten minste zal moeten volgen dat er omzet is verzwegen én dat die gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven.

Uit het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op de omzetbelasting, gelezen in samenhang met artikel 5, aanhef en onder a en b, van de Wet op de omzetbelasting volgt dat voor een levering vanuit een opslagplaats in Duitsland, er in Nederland geen omzetbelasting wordt geheven. Dit betekent dat voor het strafrechtelijke verwijt dat verdachte wordt gemaakt op grond van het bewijs moet komen vast te staan dat de levering in Nederland heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft verklaard dat het vuurwerk opgeslagen is in [woonplaats] en in meerdere opslagruimten in Duitsland. Het professionele vuurwerk ligt opgeslagen in Duitsland.

De rechtbank is op grond van de dossierstukken en het verhandelde ter zitting niet tot de vaststelling kunnen komen dat de leveringen van vuurwerk, waarop de facturen aan [getuige 1], H&W GmbH, [getuige 3] en Afrika Link Ltd betrekking hebben, in Nederland hebben plaatsgevonden. Zelfs indien zou komen vast te staan dat het vuurwerk niet aan deze (rechts)personen is geleverd volgt daaruit niet zonder meer dat dit vuurwerk in Nederland is geleverd en daarvoor in Nederland omzetbelasting verschuldigd is.

Ten aanzien van de leveringen aan [D.], [E.], [F.], [G.] en [H.] heeft de rechtbank evenmin met voldoende mate van zekerheid kunnen vaststellen dat deze vanuit Nederland hebben plaatsgevonden. De verdachten en getuigen hebben geen verklaringen afgelegd over de plaats van waaruit de goederen zijn vervoerd. Dat op paklijsten en sommige facturen wel BTW is vermeld, is voor de vaststelling dat de levering vanuit Nederland heeft plaatsgevonden onvoldoende. Hetzelfde geldt voor de vermelding van het adres in [woonplaats] op vervoersbewijzen als adres van de leverancier. [verdachte] heeft verklaard dat hij, als vanuit een opslagruimte in Duitsland werd geleverd, regelmatig als adres van de leverancier het adres in [woonplaats] vermeldde.

Aangezien er geen bewijs voorhanden is dat [verdachte] in de aangifte omzetbelasting omzet heeft verzwegen die verband houdt met leveringen vanuit Nederland, kan niet worden bewezen dat [verdachte] onjuiste belastingaangifte heeft gedaan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 3:

De Belastingdienst/Utrecht-Gooi/kantoor Amersfoort heeft een viertal aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2000 tot en met 2003 ontvangen van [verdachte], [adres] te [woonplaats]. De eerste aangifte is ontvangen op 22 maart 2002 en de laatste op 29 juni 2005. Alle aangiften zijn in Amersfoort in ontvangst genomen. De aangiften zijn door verdachte ondertekend.

Onder de door de FIOD-ECD in beslaggenomen stukken, zijn documenten aangetroffen die betrekking hebben op bankrekeningen en effectendepots in Duitsland en Zwitserland. In een op naam van verdachte gehuurde bankkluis in Rhenen is een geldbedrag van $ 30.000,00 aangetroffen.

Middels een rechtshulpverzoek is inzicht verschaft in de hoogte en het verloop van de Duitse bankrekening op naam van verdachte. In het jaar 2000 zijn er bedragen gestort ter hoogte van € 278.377,41. Op 31 december 2000 bedroeg het saldo op deze rekening ten minste € 278.377,41. Op 31 december 2001 bedroeg het saldo ten minste € 282.106,71. In de jaren 2002 en 2003 werd er niet opgenomen of gestort. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging – zakelijk weergegeven – inhoudende dat deze bedragen niet opgenomen hoefden te worden in de aangifte inkomstenbelasting nu deze rekening in feite een zakelijke rekening was van [verdachte], waarop onder meer de betalingen van de buitenlandse afnemers werden gestort en deze rekening in 2005 is opgenomen in de boekhouding.

De rechtbank stelt vast dat de rekening op naam van verdachte staat, zodat er van moet worden uitgegaan dat het saldo op die rekening tot het vermogen van verdachte behoort. Enig concreet aanknopingspunt dat het saldo toebehoorde aan [verdachte] ontbreekt. De tegoeden op de bankrekening zijn eerst na de ontdekking ervan door de FIOD in de administratie van [verdachte] opgenomen. De enkele omstandigheid dat verdachte op deze bankrekening geldbedragen heeft gestort die hij van buitenlandse afnemers heeft ontvangen, zoals door de verdediging is gesteld, maakt niet dat deze stortingen daarmee tot het vermogen van [verdachte] behoren. Door dit vermogen ten onrechte niet op te nemen in de aangifte inkomstenbelasting is er te weinig inkomstenbelasting afgedragen door verdachte.

Met betrekking tot de bankrekeningen bij de bank Adler & Co te Zurich (Zwitserland) overweegt de rechtbank dat tijdens de doorzoeking bij verdachte documenten zijn aangetroffen die kennelijk betrekking hebben op twee Zwitserse bankrekeningen bij voornoemde bank. Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat deze rekeningen op naam van verdachte stonden, noch dat de saldi van deze rekeningen tot het vermogen van verdachte behoorden. De officier van justitie heeft middels een rechtshulpverzoek aan Zwitserland getracht de tenaamstelling van de beide bankrekeningen te achterhalen, hetgeen niet gelukt is. Voor zover de tenlastelegging betrekking heeft op het niet vermelden van de saldi van de Zwitserse rekeningen in de aangifte inkomstenbelasting zal verdachte worden vrijgesproken.

Het bedrag van $ 30.000,00 dat op 20 januari 2005 in een op naam van verdachte gehuurde kluis bij de SNS-bank te Rhenen is aangetroffen is geen buitenlands tegoed of een bedrag aan rente, zoals ten laste is gelegd. Aangezien de rechtbank wel bewezen verklaart dat verdachte een onjuist buitenlands tegoed – het tegoed op de Duitse rekening – heeft opgegeven, kan de rechtbank niet toekomen aan de beoordeling van het impliciet subsidiair ten laste gelegde “althans een onjuist belastbaar inkomen”.

Aangezien het Duitse tegoed enkel op naam van verdachte stond en [medeverdachte] niet verantwoordelijk is voor de aangiften inkomstenbelasting van verdachte, kan niet worden bewezen dat sprake is van medeplegen van het onder 3 ten laste gelegde feit voor zover bewezen. Van het onderdeel medeplegen zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 4:

Tijdens de doorzoeking van de woning op het adres [adres] in [woonplaats] worden in een kast in de woonkamer twee busjes traangas aangetroffen. Verdachte heeft zowel bij de verhoren door die FIOD-ECD als op de zitting aangegeven dat hij niet heeft geweten dat die busjes in de kast lagen.

Op de zitting van 28 juni 2010 heeft verdachte verklaard dat hij op het moment van de doorzoeking ongeveer vier maanden in de woning verbleef, die hem gedeeltelijk gemeubileerd was opgeleverd. Ook in de kast waarin de busjes traangas zijn aangetroffen lagen spullen toen hij de woning betrok. Bovendien verbleef ook medeverdachte [medeverdachte] in voornoemde woning.

De stelling van verdachte dat hij zich niet bewust was van de aanwezigheid van het wapen in de woning kan niet op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting worden weerlegd, zodat verdachte voor dit feit dient te worden vrijgesproken

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 3:

in de periode 22 maart 2002 tot en met 29 juni 2005 in de gemeente Amersfoort, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake Rijksbelastingen, te weten de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 en 2001 en 2002 en 2003, onjuist of onvolledig heeft gedaan of heeft doen doen, terwijl dat feit er telkens toe heeft gestrekt dat er te weinig belasting werd geheven, immers heeft hij, verdachte, in die aangifte bij de Belastingdienst in Amersfoort telkens een onjuist bedrag aan buitenlandse tegoeden, vermeld of doen vermelden

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 3:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

-een gevangenisstraf voor de duur van 162 dagen met aftrek van voorarrest;

-een geldboete van € 135.000,00 subsidiair 365 dagen vervangende hechtenis.

De officier van justitie heeft aangegeven dat hij bij het formuleren van zijn eis uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met het tijdsverloop en 10% strafvermindering heeft toegepast.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Wanneer de rechtbank tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring mocht komen, heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Niet slechts door middel van een procentuele korting, maar in de strafmaat.

De verdediging heeft voorts verzocht om rekening te houden met de schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, zoals eerder onder 3.2 is opgemerkt.

De verdediging acht het onvoorstelbaar dat verdachte zal worden veroordeeld voor het onder 1 ten laste gelegde feit, welk feit de aanleiding is geweest voor het opstarten van het gehele onderzoek.

Gelet op deze omstandigheden verzoekt de verdediging een symbolische straf op te leggen. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de ondergang van de onderneming van verdachte betekenen. Wanneer de rechtbank voornemens is een geldboete op te leggen verzoekt de verdediging de rechtbank rekening te houden dat verdachte tevens een fiscaal geschil met de ficus heeft en veel geld heeft moeten betalen voor zijn verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door meermalen opzettelijk geen melding te maken van een tegoed op een Duitse bankrekening, waardoor onjuiste belastingaangiften zijn gedaan. Door aldus te handelen heeft verdachte de Nederlandse Staat fiscaal nadeel toegebracht voor een bedrag van (bij benadering) € 7.000,-.

De rechtbank merkt daarbij op dat het betalen van belastinggelden bedoeld is voor de uitvoering van overheidstaken, waarvan een ieder in Nederland gebruik kan maken. Dit zijn taken die individuele burgers of bedrijven niet kunnen of willen uitvoeren. Indien geen of te weinig belasting wordt afgedragen, zal het voor de overheid moeilijk worden om een goed verzorgingsniveau van de samenleving te realiseren. De burger wordt hiervan de dupe.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte blijkens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 22 juni 2010 eerder is veroordeeld voor misdrijven die verband houden met zijn bedrijfsuitoefening.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat het een oude zaak betreft. De feiten hebben plaatsgevonden tussen 2002 en 2005. Verdachte is op 30 september 2005 in verzekering gesteld. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft eerst op 28 juni 2010 plaatsgevonden, zodat de redelijke termijn waarbinnen een zaak in eerste aanleg behandeld dient te worden, met bijna drie jaar is overschreden. De rechtbank zal onder die omstandigheden volstaan met een geldboete en de geldboete die zij zou hebben opgelegd indien de redelijke termijn niet was overschreden, verminderen met € 2000,-.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57, 63, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de dagvaarding nietig voor zover deze betrekking heeft op het onder 2 ten laste gelegde feit;

- verklaart de dagvaarding voor het overige geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 3: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 5.000-;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. S. Wijna en M.S. Koppert-ven Beek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Koster-Nieuwenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2010.

Mr. Wijna is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.