Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6270

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
16/710671-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde vrijspraak medeplegen/medeplichtigheid gewapende overval (mes)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/710671-10; 16/442352-08 (tul) en 16/500076-07 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 augustus 2010

in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats] (Suriname),

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. G.A. Speelman, advocaat te Amersfoort.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- samen met een ander een roofoveral op een winkel heeft gepleegd, dan wel hierbij een ander geholpen heeft door middel van het verstrekken van inlichtingen en middelen.

3. De beoordeling van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] en verzoekt daarom verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

De officier van justitie stelt dat op basis van het dossier wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er op 10 november 2009 door medeverdachte [medeverdachte 1] een gewapende overval is gepleegd op de [bedrijf 1] te Amersfoort.

Voorts stelt de officier van justitie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [medeverdachte 1] daarbij behulpzaam is geweest en baseert zich daarbij op:

- de voor verdachte belastende verklaring van [medeverdachte 1], welke door de officier van justitie betrouwbaar wordt geacht, nu [medeverdachte 2] ook zichzelf daarmee belast;

- de verklaringen van [medeverdachte 2] en [getuige 1];

- de onderzoeksgegevens betreffende:

o de telefonische contacten tussen beide verdachten kort voor en na de overval;

o het overmaken van de uitkering van [medeverdachte 2] op de rekening van verdachte;

o de omstandigheid dat verdachte in de periode kort na de overval tweemaal in de buurt van de woning van [medeverdachte 2] wordt gezien;

- de naar het oordeel van de officier van justitie onaannemelijke verklaringen van verdachte, welke voor wat betreft de looproute niet passen bij de bevindingen van de politie hierover en voorts niet passen bij de verklaring van de vriendin van verdachte;

- de bij [medeverdachte 2] aangetroffen tas, welke hij volgens [medeverdachte 2] van verdachte heeft gekregen en waarvan de vriendin van verdachte verklaart dat zij deze tas herkent als zijnde de tas van verdachte.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde. De verdediging stelt dat medeverdachte [medeverdachte 2] een voor verdachte belastende verklaring heeft afgelegd, maar dat die verklaring niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel en op diverse punten wordt tegengesproken door derden. De onderzoeksresultaten, waaronder het onderzoek naar de telefoongegevens en de mogelijke looproutes, ondersteunen de ontkennende verklaring van verdachte.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier als vaststaand kan worden aangenomen dat [medeverdachte 1] op 10 november 2009 een gewapende overal heeft gepleegd op de [bedrijf 1] te Amersfoort. Door de verdediging wordt dit niet betwist.

Medeplegen.

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging verkregen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 2]. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het dossier daar onvoldoende aanknopingspunten voor biedt.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Medeplichtigheid.

Aan verdachte is subsidiair ten laste gelegde dat hij zijn medeverdachte, [medeverdachte 1], behulpzaam is geweest bij plegen van de overval door middel van het verstrekken van inlichtingen over de openingstijden, de indeling van de winkel en de locatie van de kluis en voorts door het verstrekken van een jas/sweatshirt en een tas.

Verdachte heeft ter terechtzitting ontkent ook maar iets met de overval te maken te hebben of tevoren daarover gesproken te hebben met [medeverdachte 1].

- Verklaring medeverdachte [medeverdachte 1].

[medeverdachte 2] is kort na de overval aangehouden en heeft zich toen beroepen op zijn zwijgrecht. Ongeveer drie maanden later legt [medeverdachte 2] een bekennende en tevens voor verdachte belastende verklaring af. [medeverdachte 2] geeft aan dat hij wil verklaren omdat hij zich door verdachte in de steek gelaten voelt, nu deze zijn afspraken niet na komt. [medeverdachte 2] verklaart dat hij de nacht voor de overval niet geslapen heeft en coke en drank heeft gebruikt. Uit het door het Openbaar Ministerie aan het dossier toegevoegde vonnis van medeverdachte [medeverdachte 2], blijkt – uit de over [medeverdachte 2] opgemaakte rapportages - dat hij lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Voorts is hij afhankelijk van cocaïne, alcohol en cannabis. [medeverdachte 2] kan beschouwd worden als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank is van oordeel dat er op basis van het vorenstaande, aanleiding is tot een behoedzame en kritische houding met betrekking tot de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1].

- Telefonische contacten.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij op 10 november 2010 voor en na de overval, via de gsm van zijn broer, telefonisch contact heeft gehad met verdachte. Zo zou hij rond 08.50/08.55 uur toen hij op het punt stond om weg te gaan, verdachte hebben gebeld en gevraagd hebben hoe laat de zaak openging. Verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend tussen acht uur en kwart over acht door [medeverdachte 2] is gebeld en dat deze onder andere naar openingstijden van winkels in het algemeen vroeg. Uit de historische printgegevens betreffende de gsm van de broer van [medeverdachte 2] blijkt dat er met die gsm die ochtend omstreeks 08.04 uur gebeld is naar de vaste aansluiting van verdachte en dat er gedurende 269 seconden contact geweest is. Een tijdstip dat aansluit bij de verklaring van verdachte.

- Kleding en tas.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de tas en de kleding die hij heeft gebruikt bij de overval van verdachte heeft gekregen. In de woning van de broer van [medeverdachte 2] zijn een bij de overval gebruikte sweater en visserspet in beslaggenomen. Tijdens de doorzoeking van die woning is een tas aangetroffen, welke overeen kwam met de beschrijving van de tas welke bij de overval zou zijn gebruikt.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij [medeverdachte 1], nadat deze vrij was gekomen uit detentie, kleding en een soortgelijke tas heeft gegeven om er voor te zorgen dat hij er fatsoenlijk bij liep.

Blijkens een proces-verbaal van bevindingen zou de vriendin van verdachte tegenover de politie verklaard hebben – na dat haar foto’s waren getoond van de betreffende pet, sweater en tas – dat zij de kleding niet herkende en dat zij de tas herkende als de tas van verdachte. In een latere verklaring, gehecht aan de pleitnotitie van de verdediging, verklaart de vriendin dat zij nooit zou kunnen bevestigen dat de betreffende tas van verdachte was, maar alleen zou kunnen bevestigen dat verdachte een soortgelijke tas in zijn bezit heeft gehad.

De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat getuige de betreffende tas, naar aanleiding van alleen een foto, had kunnen herkennen als zijnde de tas van verdachte, maar slechts - zoals zij ook later verklaart – had kunnen herkennen als een soortgelijke tas als die van verdachte.

- Looproutes verdachte.

Bij het nagaan van de routes die verdachte zou hebben gelopen op de ochtend van de overval concludeert de politie dat deze niet de meest logische zijn en ook niet overeen komen met de verklaring van de vriendin van verdachte en de bevindingen van verbalisant [verbalisant]. Verdachte heeft daarover ter terechtzitting verklaard dat hij wel degelijk is gelopen via de door zijn vriendin aangegeven weg en voorts dat het zeer opmerkelijk is dat [verbalisant] zich na lange tijd plots omstandigheden weet te herinneren die hij in eerdere processen-verbaal niet heeft vermeld en later wel zeer gedetailleerd kan relateren.

- Uitkering [medeverdachte 1].

De verdediging betwist niet dat de uitkering van [medeverdachte 1] gedurende enige tijd op de rekening van verdachte is gestort. Anders dan [medeverdachte 1] daarover heeft verklaard is evenwel gebleken dat door verdachte een bedrag van euro 200,- ten gunste van [medeverdachte 1] is teruggestort. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij kleding voor [medeverdachte 1] heeft gekocht, alsmede dat hij hash voor [medeverdachte 2] heeft gekocht. Getuige [getuige 2] heeft niet kunnen of willen bevestigen dat de uitkering van [medeverdachte 1] onder druk op de rekening van verdachte werd gestort.

- Kluis.

[medeverdachte 2] verklaart dat hij van verdachte heeft gehoord waar de kluis van de slijterij zich bevond. Voorts verklaart hij dat hij heeft gehoord dat de tip via een medewerker van de slijterij bij een vriend van verdachte terecht gekomen zou zijn, welke vriend het dan weer aan verdachte zou hebben verteld.

- (Voor)bespreking overval

[medeverdachte 2] geeft aan dat zijn broer, [medeverdachte 2] en [getuige 1] aanwezig waren bij een aantal besprekingen tussen hem en verdachte, waarbij zij over de overval spraken.

[getuige 1] verklaart dat hij een week voor de overval samen met verdachte en [medeverdachte 2] was, maar dat hij niets gehoord of meegekregen heeft over een overval. [medeverdachte 2] verklaart dat het voor kwam dat hij, zijn broer, [getuige 1] en verdachte [verdachte] in de woning aanwezig waren, maar dat hij nooit heeft gehoord dat er over een overval werd gesproken.

Gelet op voorgaande genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende direct bewijs is dat de - niet zonder meer betrouwbaar te achten - verklaring van [medeverdachte 2] over de betrokkenheid van verdachte bij de overval ondersteunt. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de feitelijke omstandigheden zoals geschetst in het dossier, alsmede de bevindingen van de politie, de voor verdachte belastende elementen in de verklaring van [medeverdachte 1] niet zodanig onderschrijven dat daardoor voldoende aannemelijk is dat verdachte [medeverdachte 1] bij de uitvoering van de overval op de [bedrijf 1] op enigerlei wijze behulpzaam is geweest. Op grond van het dossier kunnen naar het oordeel van de rechtbank alternatieve scenario’s voor de punten die de verklaring van [medeverdachte 1] zouden moeten ondersteunen, zoals de lezing van verdachte, niet worden uitgesloten en deze scenario’s komen de rechtbank ook niet onaannemelijk voor.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.

4. De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straffen welke aan verdachte zijn opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer in deze rechtbank d.d. 7 april 2009 en bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 februari 2009, ten uitvoer zullen worden gelegd.

Nu verdachte wordt vrijgesproken, dienen de vorderingen tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen de onder primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;

- spreekt verdachte vrij van de onder primair en het subsidiair tenlastegelegde feiten;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vorderingen tot tenuitvoerlegging af;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. J.P. Killian en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 augustus 2010.

Mr. R.P.G.L.M. Verbunt is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.