Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6268

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
16-711770-09 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie van 1 maart 2010, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16-711770-09 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 13 augustus 2010

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1958] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Raadsman: mr. L.C. de Jong, advocaat te Woerden.

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16-711770-09;

- het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 2 juli 2010 in de zaak met parketnummer 16-711770-09, waaruit blijkt dat veroordeelde is veroordeeld terzake van:

feit 2: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

feit 3: medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, meermalen gepleegd;

feit 4: medeplegen van witwassen,

tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzittingen van 15 juni 2010 en 18 juni 2010;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek op voormelde terechtzittingen is de veroordeelde gehoord en hebben de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De beoordeling.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door haar wordt geschat op € 10.200,-.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten met betrekking tot zijn eigen panden aan de [adres] te Veenendaal en de [adres] te Rhenen. [verdachte] heeft ten aanzien van het pand aan de [adres] een hypothecaire lening ten bedrage van € 450.000,- met een bouwdepot van € 120.000,- verkregen. Met betrekking tot het pand aan de [adres] te Rhenen is aan hem een hypotheek ten bedrage van

€ 410.000,- verstrekt met een bouwdepot van € 80.000,-. Het vermogen van [verdachte] is hierdoor echter niet vermeerderd. Hij is immers tegelijkertijd met de verstrekking van deze hypotheken hypothecaire schulden aangegaan voor dezelfde bedragen.

De rechtbank zal derhalve de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afwijzen.

3. De beslissing.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie van 1 maart 2010, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, af.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 augustus 2010.

Mr. S. Wijna is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.