Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6267

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
16-130349-99
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS: verlenging met twee jaar, persoonlijkheidsstoornis en recidivegevaar onverminderd aanwezig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Parketnummer: 16/130349-99

Datum uitspraak: 9 juli 2010

Beslissing verlenging terbeschikkingstelling.

In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1964],

thans verblijvende in Forensisch Psychiatrisch Centrum Veldzicht te Balkbrug,

heeft de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- de beslissing van de rechtbank Utrecht van 20 april 2009 waarin de verlenging van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met één jaar bevolen is;

- de vordering van de officier van justitie van 9 maart 2010, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [verdachte] met twee jaar;

- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van [verdachte];

- het rapport van F. Bos, eerste geneeskundige en J.B. Blekkink, algemeen directeur/hoofd van de inrichting van Forensisch Psychiatrisch Centrum Veldzicht van 29 januari 2010, waarin het advies van de zijde van de inrichting is vermeld;

- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van 16 april 2010;

- de beslissing van de rechtbank Utrecht van 23 april 2010 strekkende tot heropening van het onderzoek;

- de brief van 18 juni 2010 van Bos en Blekkink, voornoemd.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 16 april 2010 en 25 juni 2010 is de officier van justitie gehoord.

Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam.

Voorts is de getuige-deskundige dr. Th.A.M. Deenen, hoofd behandelaar, verbonden aan FPC Veldzicht, gehoord.

2. Het advies van de inrichting

Blijkens bovengenoemde brief van 18 juni 2010 handhaaft de inrichting het door haar bij brief van 29 januari 2010 gegeven advies, zoals is weergegeven in de beslissing van de rechtbank van 23 april 2010. De getuige-deskundige, de heer Th. A.M. Deenen, heeft dit advies, strekkende tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar ter terechtzitting van 25 juni 2010 nogmaals toegelicht.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting van 25 juni 2010 aangegeven dat zij blijft bij haar vordering tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling voor een periode van twee jaar.

4. Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 18 juni 2010 niet de informatie verstrekt die de rechtbank Utrecht bij haar beslissing van 23 april 2010 heeft gevraagd. Voorts heeft de inrichting geen enkel nieuw onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor de hervatting van de behandeling van [verdachte].

De raadsman verbindt hieraan primair de conclusie dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft hij een voorwaardelijke beëindiging van de terbeschikkingstelling bepleit. [verdachte] heeft te kennen gegeven dit standpunt te delen.

5. De beoordeling

Uit de aan de rechtbank ter beschikking gestelde stukken blijkt dat [verdachte] gediagnosticeerd is met een cognitieve stoornis NAO door schedeltrauma, een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische, antisociale en paranoïde kenmerken en met zwakbegaafdheid. Na een zeer ernstig geweld- en zedendelict in 1989 gericht tegen zijn toenmalige partner is hij veroordeeld tot TBS met dwangverpleging, waarna hij tot oktober 1990 is opgenomen in het Dr. F.S. Meijers Instituut. Hierna volgde een langdurige op resocialisatie gerichte behandeling in de Pompekliniek tot mei 1999. Tijdens een onbegeleid verlof in mei 1999 heeft [verdachte] wederom een zeer ernstig geweld- en zedendelict gepleegd tegen zijn toenmalige partner. Hij is daarvoor voor de tweede maal tot TBS met dwangverpleging veroordeeld. [verdachte] is vervolgens behandeld in de FPI de Rooyse Wissel en vanaf november 2005 tot heden in FPC Veldzicht.

Uit het rapport van 29 januari 2010 en de brief van 18 juni 2010 blijkt dat langdurige behandeling binnen de TBS tot op heden niet heeft geleid tot evidente vermindering van het recidivegevaar. De oorzaak hiervan is mede gelegen in het feit dat [verdachte] de ernst van de indexdelicten niet inziet en delictgerelateerde signalen niet herkent. Hij blijft bij zijn basiscognitie “ik ben een goede jongen” en stelt zich ontkennend defensief en onwetend op, waardoor het nauwelijks mogelijk is de indexdelicten met hem te bespreken. Sinds december 2002 heeft hij de longstay-status. Zijn behandeling binnen Veldzicht is momenteel gericht op acceptatie van die status, kwaliteit van leven en stabilisatie. Met de structuur en begeleiding binnen het longstay-kader functioneert hij goed. De kans op gewelddadig gedrag buiten de inrichting wordt op de middellange en lange termijn als onveranderd groot beschouwd. Wanneer hij in een situatie komt waarin sprake is van een relatie en onzekerheid vervalt hij (ondanks intensieve begeleiding) in delictgerelateerd gedrag, aldus de instelling.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gestelde diagnose zoals hierboven vermeld en de inschatting van het recidive gevaar. De rechtbank oordeelt op grond daarvan dat de ziekelijke stoornis van de geestvermogens die destijds voor een tweede maal heeft geleid tot oplegging van een TBS met dwangverpleging nog steeds aanwezig is en dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen verlenging van de terbeschikkingstelling vereist.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem van 5 maart 2007, (LJN AZ9806), de inrichting een viertal vragen gesteld, teneinde nader te worden geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot een eventuele (hervatting van de) behandeling van [verdachte].

De inrichting heeft die vragen beantwoord bij brief van 18 juni 2010. De inrichting vermeldt dat [verdachte] binnen de instelling te maken heeft met diverse disciplines, vanuit welke disciplines middels besprekingen, observaties en objectieve beschrijvingen geëvalueerd wordt hoe het met [verdachte] gaat en of (en hoe) hij zich ontwikkelt. Indien bij hem dusdanig evidente ontwikkelingen worden waargenomen dat de inrichting het mogelijk acht om met [verdachte] een nieuw behandeltraject gericht op resocialisatie in te gaan, zal dit gebeuren. Ook indien er doorbraken in de wetenschap zijn die van dien aard zijn dat deze leiden tot nieuwe behandelmogelijkheden zal een dergelijk traject worden ingezet. Dergelijke evidente ontwikkelingen bij [verdachte] dan wel doorbraken in de wetenschap hebben zich nog niet voorgedaan, aldus de inrichting.

De rechtbank is van oordeel dat de inrichting met het bovenstaande voldoende informatie heeft verstrekt om een weloverwogen beslissing op de gevorderde verlenging van de terbeschikkingstelling te kunnen geven. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat er momenteel geen op resocialisatie gerichte behandelmogelijkheden zijn en heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de kliniek dat zij de ontwikkelingen van [verdachte] en de wetenschappelijk ontwikkelingen nauwlettend volgt.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een verlenging van de termijn met twee jaar aangewezen.

6. De beslissing

De rechtbank:

verlengt de termijn van terbeschikkingstelling van [verdachte] voor de tijd van TWEE JAREN.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.M. Scheffer en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 9 juli 2010.