Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6243

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
16604170-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.250,00. De verdachte is veroordeelt op basis van artikel 6 WvW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604170-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1957] te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres], [woonplaats]

raadsvrouw mr. A. Duisterwinkel, advocaat te Amsterdam

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 augustus 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: met een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt, waarbij anderen lichamelijk letsel hebben opgelopen;

subsidiair: zich zodanig op de weg heeft gedragen dat gevaar werd veroorzaakt dan wel dat hij het verkeer heeft gehinderd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van (een ernstige mate van) onverantwoord verkeersgedrag en zij heeft vrijspraak bepleit.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte reed op 13 juli 2009 als bestuurder van een zwarte Volkswagen op de Maarsbergseweg. Hij kwam vanuit de richting van Leersum en reed in de richting van Maarsbergen. Verdachte reed over een recht stuk weg nadat hij uit een bocht was gekomen. Het was mooi weer. Het wegdek was droog. Voor verdachte reed een blauwe Volkswagen (bestuurd door [betrokkene 1]) en daar weer voor reed een rode Renault (bestuurd door [betrokkene 2]). Vanuit tegengestelde richting kwam een witte Ford Transit (bestuurd door

[betrokkene 3]) aangereden.

Uit onderzoek van de verkeerspolitie is over de toedracht van het ongeval het volgende gebleken.

De zwarte Volkswagen is achterop de blauwe Volkswagen gebotst. De blauwe Volkswagen is vervolgens in een slip geraakt en met de rechterzijde in botsing gekomen met de achterzijde van de rode Renault. De blauwe Volkswagen is vervolgens op de linkerrijstrook terechtgekomen. Op de linkerrijstrook is de blauwe Volkswagen in botsing gekomen met de tegemoetkomende witte Ford.

De zwarte Volkswagen verkeerde in voldoende rijtechnische staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken.

Gezien de schade en de afgelegde afstand van de rode Renault na de aanrijding door de blauwe Volkswagen tot aan zijn eindpositie, heeft de rode Renault een zeer geringe snelheid gehad en heeft deze Renault mogelijk zelfs stil gestaan ten tijde van de aanrijding.

[betrokkene 1] (bestuurder van de blauwe Volkswagen) heeft verklaard dat hij voor hem het verkeer stil zag staan. Hij remde ruim op tijd en stond stil achter de rode Renault. Hij keek in zijn achteruitkijkspiegel. [betrokkene 1] zag de zwarte Volkswagen die hij kort daarvoor had zien rijden op de rotonde aan het begin van de Maarsbergseweg, aan komen rijden. Hij dacht toen dat de zwarte Volkwagen Golf nooit op tijd stil zou kunnen staan. Vervolgens was er een enorme klap.

Verdachte heeft verklaard dat hij in zijn personenauto, een zwarte Volkswagen Golf, ongeveer 80 km/uur reed. Vanaf de rotonde is hij in de richting Maarsbergen gereden. Op een gegeven moment voelde hij een harde klap aan de voorkant. Hij kan zich geen voertuigen aan de voorzijde herinneren.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij zich niets herinnert van wat er is gebeurd, alleen dat er een klap was en dat hij hierna een ruk aan het stuur heeft gegeven. Hij kon de Maarsbergseweg goed overzien na de flauwe bocht naar links aan het begin van die weg. Hij weet niet of hij heeft geremd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zijn snelheid (80 km/uur) onvoldoende heeft aangepast aan de verkeerssituatie ter plaatse, het (bijna) stilstaande verkeer voor hem, waardoor hij achter op de blauwe Volkswagen is gebotst. De rechtbank stelt verder vast dat verdachte zijn auto niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was. Door aldus te handelen heeft verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen, zodat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Door het verkeersongeval heeft [betrokkene 1] zwaar lichamelijk letsel opgelopen en wel een ontwrichting van zijn linker enkel met een gecompliceerde botbreuk. [betrokkene 1] heeft drie operaties moeten ondergaan waarbij plaatwerk in zijn been is gezet. Zijn werk als marinier heeft hij tot de dag van de zitting nog niet kunnen hervatten.

[betrokkene 3] heeft door het ongeval letsel opgelopen waardoor hij tijdelijk verhinderd was in de uitoefening van zijn normale bezigheden. Het letsel betrof diverse kneuzingen in het bovenlichaam, onder andere kneuzingen aan zijn ribben, borstbeen en nekwervels. Na zes weken fysiotherapie is [betrokkene 3] weer volledig hersteld en hij is in september 2009 weer aan het werk gegaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 juli 2009 te Leersum, gemeente Utrechtse Heuvelrug, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Maarsbergseweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,

- met het door hem bestuurde motorrijtuig zijn snelheid onvoldoende aan te passen aan het overige verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en het door hem bestuurde motorrijtuig niet tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover de weg te overzien en vrij was en vervolgens

- te botsen tegen de achterzijde van een personenauto (Volkswagen, bestuurd door [betrokkene 1]) welke zich vóór hem, verdachte, bevond en waardoor

- deze door genoemde [betrokkene 1] bestuurde personenauto is gereden/gebotst tegen een voor hem in dezelfde richting rijdende personenauto (Renault, bestuurd door [betrokkene 2]) en vervolgens op de weghelft voor het tegemoetkomende verkeer is gereden/gebotst tegen een hem, [betrokkene 1], tegemoetkomende taxibus (Ford, bestuurd door [betrokkene 3]), waardoor zwaar lichamelijk letsel bij voornoemde [betrokkene 1] is ontstaan en zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan bij voornoemde [betrokkene 3].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 1.250,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank in bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer gedragen door op een rechte weg waar hij ruim zicht had zijn snelheid onvoldoende aan te passen aan de verkeerssituatie ter plaatse. Verdachte heeft hiermee onvoldoende besef getoond van de risico’s op de weg waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Het verkeersongeval heeft grote gevolgen gehad voor de slachtoffers [betrokkene 1] en [betrokkene 3]. Verdachte heeft tot op de zitting geen blijk gegeven van interesse voor de gevolgen voor de slachtoffers. Wat de gevolgen voor de slachtoffers zijn geweest blijkt uit de ter zitting voorgehouden slachtofferverklaringen. [betrokkene 3] heeft zes weken nodig gehad voor zijn herstel en voor [betrokkene 1] is het nog de vraag of hij geen blijvend letsel aan het ongeval overhoudt.

De rechtbank acht, alles afwegende, een geldboete van na te noemen hoogte en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur passend en geboden. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat verdachte voor de uitoefening van zijn werkzaamheden zijn rijbewijs nodig heeft.

Een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid kan dienen als een “stok achter de deur” ten einde verdachte in te scherpen zich ervan te weerhouden opnieuw een strafbaar feit te plegen. Aan verdachte zal een proeftijd worden opgelegd van 2 jaar.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [betrokkene 3] vordert een schadevergoeding van € 1.900,00 aan materiële schade.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 1.250,00;

- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 22 dagen;

Bijkomende straffen

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [betrokkene 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 augustus 2010.