Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6237

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
08-09-2010
Zaaknummer
16-444177-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden. Dit vanwege uitkeringsfraude.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/444177-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1958] te [geboorteplaats] (Irak)

voorheen wonende te [woonadres], [woonplaats]

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 augustus 2010. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie heeft haar standpunt kenbaar gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 juli 2002 tot en met 8 januari 2007 en/of 8 maart 2007 tot en met

16 maart 2009 uitkeringsfraude heeft gepleegd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd, met beperking van de tweede periode tot en met 9 februari 2009, gelet op de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.

4.2. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan verdachte is vanaf 1 juli 2002 door de gemeente Veenendaal een uitkering toegekend ingevolge de Algemene Bijstandswet (hierna Abw) naar de norm van alleenstaande. In het toekenningsbesluit staat vermeld dat aan het recht op bijstand een aantal verplichtingen is verbonden en dat deze verplichtingen zijn opgenomen in de bijlage.

Op grond van artikel 65, eerste lid van de Abw heeft verdachte een inlichtingenplicht inhoudende dat zij op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling dient te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand of op het bedrag van de bijstand dat aan haar wordt betaald. Vanaf 1 januari 2004 is een gelijkluidende bepaling opgenomen in artikel 17 van de Wet werk en bijstand (WWB).

Op grond van het tweede lid van bovengenoemd artikel zijn tot 1 april 2005 door de gemeentelijke sociale dienst van de gemeente maandelijks voor de verstrekking van bovengenoemde gegevens formulieren (inkomstenverklaringen) aan verdachte verstrekt.

Om het recht op en de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen geldt voor verdachte de verplichting om op de inkomstenverklaringen vragen te beantwoorden en/of eventuele veranderingen aan te geven met betrekking tot onder meer de gezins-, woon-, arbeids- en inkomensomstandigheden. Vanaf 1 april 2005 dient verdachte wijzigingen door te geven door middel van het wijzigingsformulier WWB en tot 1 september 2005 dient door haar jaarlijks het heronderzoeksformulier te worden ingevuld.

Verdachte heeft de inkomstenverklaringen , heronderzoeksformulieren WWB en een wijzigingsformulier WWB na invulling, dag- en ondertekening terugbezorgd bij de gemeente in Veenendaal. Verdachte heeft op de vragen of er - kort gezegd - wijzigingen in haar persoonlijke dan wel financiële omstandigheden zijn geweest en of zij inkomsten/schenkingen heeft ontvangen steeds ontkennend geantwoord door de vakjes NEE aan te kruisen. Zij heeft éénmaal een wijziging van haar rekeningnummer doorgegeven. Verdachte heeft tijdens een verhoor door de sociale recherche haar handschrift en handtekening herkend op het haar getoonde aanvraag- en inlichtingenformulier en heronderzoeksformulier.

Op grond van de door verdachte verstrekte informatie heeft de gemeente maandelijks de betalingen gecontinueerd.

Met ingang van 9 januari 2007 heeft de gemeente de bijstandsuitkering van verdachte beëindigd vanwege het niet reageren op oproepen om op kantoor te verschijnen (later is gebleken dat verdachte in het buitenland verbleef) en gegevens te verstrekken die nodig zijn om het recht op uitkering te kunnen beoordelen. Verdachte heeft vervolgens opnieuw een aanvraag gedaan voor een uitkering. Tijdens het intakegesprek is het verblijf in het buitenland aan de orde geweest en is van de zijde van de gemeente gezegd dat hiervoor toestemming moet worden gevraagd.

Vanaf 8 maart 2007 is aan verdachte (weer) een uitkering toegekend. Ook in dit besluit van toekenning staan de verplichtingen vermeld waaraan verdachte moet voldoen zoals de verplichting om wijzigingen door te geven in de persoonlijke, gezins- of financiële situatie en de verplichting om toestemming te vragen om op vakantie te gaan.

In augustus 2008 heeft verdachte een nieuw paspoort aangevraagd. In het oude paspoort ontbraken bladzijden en het bevatte veel stempels van buitenlandse reizen. De stempels in het paspoort zijn nader onderzocht. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte in de periode van januari 2006 tot en met 26 juli 2008, 32 keer in het buitenland is geweest en wel in de Verenigde Arabische Emiraten, Irak, Egypte, Jordanië, Libanon, Syrië, Quatar, Japan, Oman en Turkije. Verdachte ontving in die periode een bijstandsuitkering en had, met uitzondering voor een verblijf in het buitenland in de periode van 20 juli 2007 tot en met 5 augustus 2007 , geen toestemming van de gemeente voor deze buitenlandse reizen.

Verdachte heeft ook geen melding gemaakt van deze buitenlandse reizen in de inkomstenverklaringen, heronderzoeksformulieren of het wijzigingsformulier.

Naar aanleiding van bovenstaande heeft de gemeente vanaf 9 september 2008 nadere informatie opgevraagd bij verdachte om het recht op bijstand te kunnen vaststellen. Het verzoek om informatie betrof een overzicht van haar buitenlandse reizen en rekeningafschriften. De (laatste) termijn om deze gegevens aan te leveren is verstreken op 9 februari 2009.

Op 8 december 2008 heeft verdachte in een gesprek met de gemeente verklaard dat zij in 2003 naar Jordanië en Irak is gereisd en dat deze reizen door familie/vrienden zijn betaald.

Zij heeft verklaard vanaf het begin van haar uitkering regelmatig geld te hebben gekregen van haar dochter en ook van haar broer. Verdachte heeft tijdens een verhoor door de sociale recherche verklaard over reizen naar Syrië, Jordanië, de Verenigde Arabische Emiraten, Irak, Libanon, Oman en Turkije. Verdachte heeft aangegeven dat zij niet wist dat zij voor deze reizen toestemming moest vragen. Het geld voor deze reizen heeft zij van haar familie ontvangen. De dochter van verdachte heeft verklaard dat verdachte in 2006 naar Egypte is geweest en in 2007 naar Japan. Deze reizen zijn door de (andere) dochter van verdachte respectievelijk de werkgever van haar (andere) dochter betaald.

Bij besluit van 18 februari 2009 is de uitkering van verdachte ingetrokken. De uitkering die is doorbetaald tot en met 11 januari 2009 (in totaal ruim € 90.000,00) zal worden teruggevorderd omdat verdachte onvoldoende gegevens heeft verstrekt om het recht op uitkering te kunnen vaststellen.

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte wist van de verplichting om toestemming te vragen voor buitenlandse reizen. Deze verplichting is haar uitvoerig medegedeeld in de verschillende besluiten, overige correspondentie en in gesprekken met de gemeente. Hetzelfde geldt voor het opgeven van het geld dat zij van familie/vrienden heeft ontvangen. Verdachte had op grond van haar inlichtingenplicht aan de gemeente deze giften/inkomsten moeten melden nu deze haar financiële omstandigheden betreffen en dus van belang zijn voor het vaststellen van het recht op uitkering of voor het vaststellen van de hoogte van het uitkeringsbedrag.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op meer tijdstippen in de periode van 1 juli 2002 tot en met 8 januari 2007 en in de periode van 8 maart 2007 tot en met 9 februari 2009 te Veenendaal, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Algemene bijstandwet en/of de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte, nagelaten tijdig te melden en verzwegen dat zij, verdachte, inkomsten en/of enig vermogen heeft/had in de vorm van giften en/of schenkingen van geld en enige tijd in het buitenland verbleef.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 9 maanden.

6.2. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude door opzettelijk geen melding te maken van reizen naar het buitenland en inkomsten/schenkingen en overige informatie van belang voor de toekenning/hoogte van haar uitkering. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. Een uitkering is bedoeld om de mensen, die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Misbruik van sociale voorzieningen doet afbreuk aan de solidariteit en ondermijnt het sociale stelsel. Hiervan worden uiteindelijk de mensen die op dit stelsel zijn aangewezen de dupe. De rechtbank rekent verdachte aan dat zij gedurende een lange periode fors en bewust heeft gefraudeerd.

Verdachte heeft door haar uitschrijving uit het bevolkingsregister er kennelijk voor gekozen moeilijk traceerbaar te zijn voor justitie. Aangezien verdachte niet is verschenen ter zitting om verantwoording af te leggen en een toelichting te geven op eventuele persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding een werkstraf of een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 juli 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is nu deze niet aansluit bij de richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude zoals die geldt per 1 juli 2010. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 7 maanden passend en geboden.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of een anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. R.P. den Otter en

mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.A.B. Kleemans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 augustus 2010.