Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN6030

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
06-09-2010
Zaaknummer
280174 / HA ZA 10-75
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 280174 / HA ZA 10-75

Vonnis van 14 juli 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat: mr. A.M. Koopman,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. B. Leemhuis.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 3 maart 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Gedurende deze relatie heeft [eiseres] gelden ter beschikking gesteld aan [gedaagde].

2.2. Aan het einde van de relatie hebben partijen op 4 september 2001 schriftelijk een overeenkomst gesloten met betrekking tot de terugbetaling door [gedaagde] van de aan hem ter beschikking gestelde gelden (hierna: de overeenkomst). De overeenkomst, die door zowel [eiseres] als [gedaagde] is ondertekend, houdt – onder meer – het volgende in:

“(…)

Ik, H.M. [gedaagde], verklaar per 1 september 2001 een schuld te hebben bij mevrouw M.M. [eiseres] ten bedrage van FL. 35.620,61, zegge vijfendertig duizend zeshonderdtwintig gulden en eenenzestig cent (16.163,93 Euro). De schuld is opgebouwd volgens de aangehechte specificatie. Over dit bedrag ben ik rente verschuldigd in lijn met de rente die aan mevrouw [eiseres] voor haar persoonlijke lening bij de ABN/AMRO bank te Gouda wordt berekend.

Afbetaling van de schuld geschiedt de komende drie maanden, voor 31 december 2001, met een maximale uitloop naar 1 april 2002. Maandelijkse afbetalingen, inclusief rente, voldoe ik op rekening 22.71.73.597 van F. van Lanschot bankiers te Gouda.

Van de stand van mijn schuld ontvang ik vanaf heden iedere maand een overzicht.

(...) ”

2.3. [gedaagde] heeft in de maanden oktober, november en december 2001 in totaal een bedrag van 14.000,- gulden terugbetaald. Nadien heeft [gedaagde] geen afbetalingen meer verricht, ondanks de schriftelijke sommaties van [eiseres] van 14 oktober 2008 en 19 december 2008.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van EUR 18.432,42, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet geheel is nagekomen en dat hij op grond daarvan per 31 mei 2009 nog een restantbedrag van EUR 18.432,42 aan haar dient terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 mei 2009. [gedaagde] voert, onder erkenning van de overeenkomst, twee verweren tegen de vordering aan. In de eerste plaats stelt hij het gehele bedrag reeds te hebben terugbetaald. In de tweede plaats beroept [gedaagde] zich erop dat het recht van [eiseres] om nakoming van de overeenkomst te vorderen is verjaard.

4.2. Met betrekking tot het verweer dat het gehele bedrag reeds is terugbetaald, wordt het volgende overwogen. Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] in de maanden oktober, november en december 2001 14.000 gulden heeft terugbetaald, met welke terug-betaling [eiseres] bij de berekening van het in deze procedure gevorderde restantbedrag ook rekening heeft gehouden. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard daarnaast nog 6.000 gulden in natura te hebben betaald door middel van het verrichten werkzaamheden voor [eiseres] en is door hem daarnaast erkend het overige niet te hebben terugbetaald. Door deze erkenning staat in elk geval vast dat niet het gehele bedrag is terugbetaald en resteert terzake dit eerste verweer de vraag of door [gedaagde] 6.000 gulden in natura is terugbetaald.

4.3. Ter comparitie heeft [gedaagde] ter onderbouwing van de terugbetaling van 6.000 gulden in natura gesteld dat hij met [eiseres] voor het opmaken van de overeenkomst heeft gesproken over dat de door hem voor haar verrichtte werkzaamheden als een betaling in natura hebben te gelden. [eiseres] betwist de terugbetaling in natura. Hiertoe stelt zij dat [gedaagde] wel werkzaamheden voor haar heeft verricht, echter dat deze zijn uitgevoerd zeven maanden voor het einde van de relatie en daarmee ook zeven maanden voor het opstellen van de overeenkomst. [eiseres] stelt verder dat tussen partijen ook nooit beproken is dat het verrichten van deze werkzaamheden als een betaling in natura ter aflossing van een deel van het schuldig verklaarde bedrag heeft te gelden. Zij merkt hierbij op dat indien dit wel het geval zou zijn geweest, dit zeker ook in de, na de verrichtte werkzaamheden opgestelde, overeenkomst zou zijn opgenomen of dat daarin dan een lager bedrag zou zijn opgenomen.

4.4. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 6:45 Burgerlijk Wetboek (BW) een schuldenaar zich slechts met toestemming van de schuldeiser van zijn verbintenis kan bevrijden door een andere prestatie dan de verschuldigde. Niet in geschil is dat [gedaagde] zich bij de overeenkomst van 4 september 2001 uitdrukkelijk heeft verbonden voor 31 december 2001, met een maximale uitloop naar 1 april 2002, een bedrag van 35.620,61 gulden, vermeerderd met rente, via overschrijving van gelden naar een bankrekening van [eiseres] terug te betalen (zie 2.2.). [gedaagde] heeft daarmee dan ook per 4 september 2001 de verbintenis tot betaling van een geldsom op zich genomen. Nu door [gedaagde] niet is gesteld en evenmin is gebleken dat [eiseres] na 4 september 2001 toestemming heeft gegeven voor een andere wijze van terugbetaling van voornoemd bedrag dan door betaling van gelden, kan reeds hierom niet worden aangenomen dat [gedaagde] 6.000 gulden door het verrichten van werkzaamheden in natura heeft terugbetaald. Aangezien door [gedaagde] voor het overige de hoogte van het in deze procedure teruggevorderde bedrag niet wordt betwist, staat in deze vast dat per 31 mei 2009 nog een restantbedrag van EUR 18.432,42, inclusief de rente tot die datum, van het bij de overeenkomst schuldig verklaarde bedrag niet is terugbetaald.

4.5. Voornoemd bedrag dient [gedaagde] dan ook aan [eiseres] te betalen en daartoe zal [gedaagde] in deze procedure dienen te worden veroordeeld, tenzij het als tweede verweer aangevoerde beroep op verjaring van [gedaagde] slaagt. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de overeenkomst, nu daarin een uiterste betalingstermijn van 1 april 2002 is opgenomen, de vordering per 1 april 2002 geheel opeisbaar geworden. Dit brengt mee dat op grond van artikel 3:307 BW de rechtsvordering tot nakoming van de overeenkomst in beginsel – behoudens stuiting – per 2 april 2007 is verjaard. Op grond van artikel 3:312 BW geldt deze datum van 2 april 2007 ook voor de rechtsvordering tot betaling van de bij de overeenkomst bedongen of wettelijke rente.

4.6. [eiseres] heeft ter compartie in de eerste plaats aangevoerd dat een beroep op verjaring van [gedaagde] op verjaring naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, nu zij de afgelopen jaren door een zwakke psychische gesteldheid niet goed voor haar belangen kon opkomen. Hierbij heeft zij verwezen naar de door haar overgelegde verklaring van psycholoog H. de Bont en de door haarzelf opgestelde verklaring over haar psychische gezondheid. De rechtbank verwerpt dit beroep, nu – in het bijzonder gelet op de rechtzekerheid die met inachteming van de verjaringstermijnen wordt gediend – slechts in uitzonderlijke situaties de verjaringsregels op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing kunnen worden gelaten, bijvoorbeeld indien de schuldeiser zijn vordering niet tijdig geldend heeft kunnen maken door aan de schuldenaar toe te rekenen omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank doet zich een dergelijk uitzonderingsgeval in dit geval niet voor, te meer daar de gevolgen van de psychische problemen van [eiseres] bij het aannemen van een uitzonderinsggeval zouden worden afgwend op [gedaagde], hetgeen, zonder nadere onderbouwing, niet in overeenstemming met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is te achten.

4.7. In de tweede plaats heeft [eiseres] ter comparitie gesteld dat de verjaring tijdig is gestuit als bedoeld in artikel 3:318 BW, doordat [gedaagde] na het ondertekenen van de overeenkomst tot zeker in het jaar 2006 een aantal malen per jaar tegenover haar telefonisch het bestaan van een restantschuld heeft erkend, waarbij hij keer op keer betaling daarvan toezegde en ook diverse keren een betalingsregeling voorstelde. Nu hierdoor, zo vervolgt [eiseres], op grond van 3:319 BW de dag na het laatste telefoongesprek in 2006 een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen en [gedaagde] voor het aflopen daarvan op 14 oktober 2008 schriftelijk is gesommeerd (zie 2.3.), is de vordering niet verjaard.

4.8. [gedaagde] heeft ter comparitie vorenbedoelde telefoongesprekken en de inhoud daarvan gemotiveerd betwist en heeft gesteld dat partijen uitsluitend tot ergens in 2004 in totaal drie tot vier keer telefonisch contact hebben gehad over uitsluitend zijn verzoek om een kwitantie met betrekking tot de door hem afgeloste 14.000 gulden. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, is de rechtbank van oordeel dat (nadere) bewijslevering noodzakelijk is. Nu [eiseres] zich op de rechtsgevolgen beroept van de door haar gestelde stuiting, zal ingevolge artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [eiseres] worden toegelaten te bewijzen dat door telefonische erkenning door [gedaagde] tegenover haar van de schuld de verjaring tijdig is gestuit.

4.9. Indien [eiseres] in de bewijslevering slaagt, ligt de vordering tot betaling van EUR 18.432,42, inclusief de gevorderde en onbetwist gebleven wettelijke rente vanaf 31 mei 2009 over dit bedrag, voor toewijzing gereed. Slaagt [eiseres] niet in de bewijslevering, dan slaagt het beroep op verjaring en zal vorenbedoelde vordering afgewezen dienen te worden. In beide gevallen zal de vordering van [eiseres] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II – reeds gelet op het navolgende afgewezen dienen te worden. [eiseres] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. Met betrekking tot de over en weer gevorderde proceskostenveroordelingen zal bij eindvonnis nog een beslissing gegeven dienen te worden.

4.10. Voor zover [eiseres] het bewijs wil leveren door het horen van getuigen, geldt het volgende. Voor een goed verloop van de getuigenverhoren dient er bij het oproepen van de getuigen rekening mee te worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

4.11. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen.

4.12. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat [eiseres] toe te bewijzen dat door telefonische erkenning door [gedaagde] tegenover haar van de schuld de verjaring tijdig is gestuit;

5.2. bepaalt dat, indien [eiseres] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. E. Bongers in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op dinsdag 28 september van 13:30 uur tot 15:30 uur;

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van zittingsplanning Handel / secretaresse van de rechters kamer B.1.35 - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op de hiervoor genoemde zittingsdatum;

5.4. bepaalt dat [eiseres], indien zij het bewijs niet (alleen) door getuigen wil leveren maar (tevens) door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van zittingsplanning Handel / secretaresse van de rechters kamer B.1.35 - en aan de wederpartij moet opgeven;

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen;

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Bongers en in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2010.?