Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5862

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-07-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
16-600011-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling. Verdachte heeft zich tijdens nieuwjaarsnacht schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600010-10

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 26 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 12 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] onder parketnummer 16/600011-10 en tegen [medeverdachte 2] onder parketnummer 16/600009-10.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging, zoals deze na wijziging van de tenlastelegging luidt, is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag danwel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, gericht tegen [aangever 1] en/of [aangever 2] (door de rechtbank hierna als sub A aangemerkt)

en/of

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen deze personen (door de rechtbank hierna als sub B aangemerkt).

Feit 2: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3] en [aangever 4].

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2. De bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 sub A

Geweldshandelingen jegens [aangever 1]

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag gericht tegen [aangever 1]. Verdachte heeft door meermalen met kracht tegen het hoofd van [aangever 1] te schoppen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 1] hierbij zou komen te overlijden.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman dient de verdachte van poging tot doodslag gericht tegen [aangever 1] te worden vrijgesproken. Er is geen bewijs voorhanden dat verdachte tegen het hoofd van [aangever 1] heeft getrapt. Uitsluitend kan bewezen worden verklaard dat verdachte heeft geslagen tegen het hoofd van [aangever 1], hetgeen poging tot zware mishandeling oplevert.

Het oordeel van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft aan poging tot doodslag gericht tegen [aangever 1]. Wel komt de rechtbank, uit de voorhanden zijnde bewijsmiddelen, anders dan de raadsman, tot het oordeel dat verdachte [aangever 1] tegen zijn hoofd heeft getrapt. Nu evenwel onvoldoende is komen vast te staan met welke kracht is getrapt, kan niet gezegd worden dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door zijn handelen [aangever 1] hierbij zou komen te overlijden. De rechtbank komt om die redenen wel tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling. Verdachte heeft door te trappen en te stompen tegen het hoofd, alwaar zich kwetsbare delen bevinden, de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Geweldshandelingen jegens [aangever 2]

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot doodslag danwel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [aangever 2], nu onduidelijk is of zij door het trappen van verdachte richting haar hoofd is geraakt. Indien zij geraakt is, dient de kracht gering te zijn geweest, omdat [aangever 2] geen letsel heeft opgelopen. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 2] zou komen te overlijden danwel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman dient de verdachte van poging tot doodslag danwel poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van [aangever 2] te worden vrijgesproken. Er is geen bewijs voorhanden dat verdachte tegen het hoofd van [aangever 2] heeft getrapt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van [aangever 2] dat zij door verdachte tegen haar hoofd is getrapt. Met de officier van justitie is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verdachte, gelet op de omstandigheid dat [aangever 2] als gevolg van het handelen van verdachte geen letsel heeft opgelopen, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [aangever 2] zou komen te overlijden danwel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van poging tot doodslag danwel poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 1 sub B

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [aangever 1] en [aangever 2].

Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen [aangever 2] komen, nu geen bewijsmiddelen voorhanden zijn dat verdachte geweld tegen [aangever 2] heeft toegepast. Verdachte heeft haar enkel weggeduwd.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventuele aanvulling worden uitgewerkt, komt de rechtbank, anders dan de raadsman, tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2].

Ten aanzien van feit 2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [aangever 3] en [aangever 4].

Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging tegen [aangever 3] en [aangever 4] komen. Voor een bewezenverklaring van het ‘in vereniging’ geweld plegen is medeplegen richtinggevend. Nu verdachte zelf jegens deze personen geen geweld heeft uitgeoefend, kan niet worden gesproken van medeplegen.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventuele aanvulling worden uitgewerkt, komt de rechtbank, anders dan de raadsman, tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging gepleegd tegen [aangever 3] en [aangever 4]. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte bij het ontstaan van de vechtpartij een initiërende rol heeft gespeeld, waarna zijn mededaders eveneens tot gewelddadige handelingen zijn overgegaan. Verdachte heeft daarbij, terwijl zijn mededaders geweldshandelingen jegens [aangever 3] en [aangever 4] pleegden, zelf op korte afstand zichtbare geweldshandelingen jegens [aangever 1] en [aangever 2] gepleegd. Verdachte bleef naar het oordeel van de rechtbank deel uitmaken van de groep, een en ander zonder dat verdachte zich op enig moment van de gebeurtenissen heeft gedistantieerd, zodat sprake is van een voldoende significante bijdrage aan het openlijk geweld. Het verweer wordt verworpen.

4.3. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Sub A

hij op 01 januari 2010 te Veenendaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [aangever 1] meermalen tegen zijn hoofd heeft getrapt en gestompt (terwijl die [aangever 1] op de grond lag), zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

en

Sub B

hij op 01 januari 2010 te Veenendaal met anderen, op de openbare weg,

de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 1] en [aangever 2], welk geweld bestond uit het (telkens)

-slaan/stompen en schoppen/trappen tegen het hoofd en

lichaam van die [aangever 1] ([ook] terwijl die [aangever 1] op de grond lag en/of

nadat die [aangever 1] naar de grond was getrokken) en

-(met kracht) naar de grond trekken van die [aangever 2] en (vervolgens)

trappen tegen het hoofd en lichaam van die [aangever 2];

2.

hij op 01 januari 2010 te Veenendaal met anderen, op de openbare weg,

de [adres], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 3] en [aangever 4], welk geweld bestond uit het

- stompen tegen de kaak van die [aangever 3] en

- slaan/stompen in het gezicht van die [aangever 4].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1

Eendaadse samenloop van

Sub A: Poging tot zware mishandeling;

en

Sub B: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Nadere overweging met betrekking tot de kwalificatie van het onder 1 sub A en sub B bewezenverklaarde

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de onder feit 1 sub A en sub B bewezenverklaarde gedragingen, te weten het stompen en trappen tegen het hoofd van [aangever 1], sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht. Het onder 1 sub A bewezenverklaarde feit levert door de omstandigheden waaronder het wordt gepleegd en waarvan het vergezeld gaat tevens het onder 1 sub B bewezenverklaarde op. Bovendien is er sprake van eenheid van tijd en plaats. De rechtbank zal derhalve de strafbepaling toepassen, waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, te weten feit 1 sub A, poging tot doodslag, en feit 1 sub B en feit 2, telkens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en aftrek van de tijd, die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden dienen een meldingsgebod en een behandelverplichting voor agressieproblematiek bij Kader 17 te worden opgelegd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman kan enkel feit 1 sub A, poging tot zware mishandeling, worden bewezen verklaard. Gelet hierop dient een aanzienlijk lagere straf, dan die door de officier van justitie is gevorderd, te worden opgelegd. Daarbij dient in grote mate rekening te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft als gevolg van zijn detentie zijn baan verloren. De detentie heeft positieve effecten op verdachte gehad. Zo is hij al begonnen met de behandeling bij Kader 17.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich tijdens nieuwjaarsnacht schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging jegens een groep personen. Verdachte heeft hierbij een initiërende rol gehad, waarna de medeverdachten eveneens richting personen van de groep geweld hebben uitgeoefend. Verdachte heeft een jongen, nadat de jongen op de grond lag, tegen het hoofd getrapt. Daarnaast heeft hij een meisje, dat de jongen te hulp wilde schieten, tegen het hoofd getrapt. Hierbij heeft de rechtbank acht geslagen op haar schriftelijke slachtofferverklaring.

Het is een gelukkig toeval dat deze slachtoffers daarbij geen ernstige verwondingen hebben opgelopen. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank niet tot bewezenverklaring van poging tot doodslag, maar poging tot zware mishandeling, waardoor een aanzienlijk lagere straf zal word opgelegd. Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte dat hij eerder voor geweld is veroordeeld. De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met het feit, dat de gevolgen voor de slachtoffers beperkt zijn gebleven.

Alles afwegende zal de rechtbank een gevangenisstraf van zodanige duur opleggen dat verdachte het onvoorwaardelijk deel van die straf, rekening houdend met de aftrek van de door hem ondergane preventieve hechtenis, reeds heeft uitgezeten. Als bijzondere voorwaarde zal de rechtbank verplicht reclasseringstoezicht met meldingsgebod en behandelverplichting voor agressieproblematiek bij Kade 17 opleggen, zodat verdachte hulp en steun krijgt bij zijn voornemen om in de toekomst in soortgelijke situaties anders te handelen. Daarnaast is een werkstraf van de hierna aan te geven duur passend en geboden.

7. De benadeelde partijen

De benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 2.494,15 voor

feit 1, bestaande uit € 435,15 aan materiële schade en € 2.059,= aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1, sub A, bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [aangever 1] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 533,66 voor

feit 1, bestaande uit € 183,66 aan materiële schade en € 350,= aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde materiële schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1, sub B, bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Voor wat betreft de immateriële schade acht de rechtbank toewijzing van € 250,= redelijk.

De vordering zal in zoverre worden toegewezen. Voor het overige wordt de benadeelde partij in haar vordering niet ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij [aangever 2] zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 55, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1, sub A, impliciet tenlastegelegde feit, te weten poging tot doodslag gericht tegen [aangever 1] en poging tot doodslag danwel poging tot zware mishandeling van [aangever 2];

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1:

Eendaadse samenloop van

Sub A: poging tot zware mishandeling;

en

Sub B: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 50 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens [naam], unit Utrecht;

* dat verdachte zich bij voornoemde reclasseringsinstelling zo vaak meldt als door die instelling nodig wordt geacht;

* dat verdachte dient mee te werken aan behandeling van zijn agressieproblematiek bij Kade 17;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

Benadeelde partij [aangever 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 2.494,15, waarvan € 435,15 ter zake van materiële schade en € 2.059,= ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 2.494,15 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 34 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij [aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 433,66, waarvan € 183,66 ter zake van materiële schade en € 250,= ter zake van immateriële schade;

- verklaart de benadeelde partij [aangever 2] in haar vordering voor het overige niet ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 433,66 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. A. van Maanen en

mr. E.C.A. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.H.M. van Ek en L. van der Lustgraaf, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 juli 2010.

Mr. E.C.A. Bakker en L. van der Lustgraaf zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.