Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5847

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
16-710633-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710633-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1990] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsman mr. A. Boumanjal advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(samen met een ander) goederen heeft gestolen waarbij geweld is gepleegd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de verklaring die [betrokkene 1] heeft afgelegd bij de politie, op de telefoongesprekken die tussen verdachte en [betrokkene 1] zijn gevoerd alsmede de telefoongesprekken die zijn gevoerd tussen verdachte en [medeverdachte 1].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen aangezien er onvoldoende bewijs voor het tenlastegelegde feit in het dossier voorhanden is.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De aangeefster [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat zij mede-eigenaar is van

[bedrijf 1] in het winkelcentrum [adres] te Maarssen. Op 14 november 2009

verliet zij omstreeks 17.35 uur de [bedrijf 1] en stapte in haar auto. Zij legde haar zilvergrijze tas, waarin haar portemonnee met bankpassen en haar rijbewijs zat, op de passagiersstoel. Tevens zat er in genoemde tas een minilaptop, de dagopbrengst van de zaak die bestond uit ongeveer € 3.500,-, drie kassarollen en echofoto’s van haar ongeboren kind.

Op het moment dat zij haar auto wilde starten, hoorde zij dat achter haar een

scooter stopte.

Even daarna werd het rechterportier van haar auto geopend door een jongen die haar tas

vastgreep. Toen zij hierop de tas ook vastgreep, riep de jongen “los laten”.

Vervolgens trok hij de tas met kracht uit haar hand. Hierbij liep aangeefster letsel op aan

haar middelvinger. Daarna sprong de jongen achterop de scooter en de bestuurder van de scooter reed weg. Onder meer de dagopbrengst van € 3.500,-, een mini-laptop, een portemonnee met bankpasjes en een rijbewijs en echofoto’s van haar nog ongeboren kind zijn ontvreemd.

[aangever 1] verklaarde bij de politie dat zij om een aantal redenen vermoedde dat een

van haar medewerkers, te weten [betrokkene 1] betrokken kon zijn bij de overval. Zij verklaarde

dat [betrokkene 1] zich op de dag van de overval vreemd gedroeg. Deze [betrokkene 1] vroeg op de

dag van de overval ’s middags aan aangeefster hoe laat zij naar huis ging. Kort voor

aangeefster de zaak verliet, op het moment dat ze haar jas en tas pakte, ging deze [betrokkene 1]

zeer gehaast met een telefoon in de hand naar het toilet. Zij was daar zeven minuten

daarvoor ook al geweest. Eerder had deze [betrokkene 1] al eens aan aangeefster gevraagd wat er met de omzet gebeurde en waar zij deze bewaarde.

Tevens heeft [aangever 1] bij de politie verklaard dat het afstorten van het geld uitsluitend op

zaterdag door haar alleen wordt gedaan. Louter het personeel is daarvan op de

hoogte.

Voorts verklaarde [aangever 1] bij de politie dat de vriend van [betrokkene 1], [verdachte], enige

dagen voor de overval met een andere jongen bij haar in de [bedrijf 1] kwam. [verdachte]

overhandigde haar een scootersleutel en vroeg haar deze aan [betrokkene 1] te geven.

[betrokkene 1] was op dat moment ook in de winkel en [verdachte] deed net of hij haar niet

hoorde roepen. Aangeefster denkt dat [verdachte] die jongen mee nam zodat die jongen

haar kon zien om haar later te kunnen overvallen.

Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij drie jaar een relatie heeft met [betrokkene 1].

Naar aanleiding van het bovenstaande zijn de historische verkeersgegevens van de bij

[betrokkene 1] in gebruik zijnde telefoon opgevraagd.

Uit de verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [betrokkene 1] met nummer [telefoonnummer] blijkt dat op de dag van de beroving vanaf haar telefoon veertien keer is gebeld met nummer [telefoonnummer].

Ter zitting heeft [verdachte] verklaard dat dit nummer hem toebehoort.

Betreffende dag is met de telefoon van [betrokkene 1] om 17.23 uur gedurende 109 seconden

met de telefoon van [verdachte] gebeld en om 17.43 uur heeft zij vijf seconden telefonisch

contact met hem gehad, daarbij werd door het nummer behorende aan [verdachte] de zendmast aan het [adres], de straat waar de overval heeft plaatsgevonden, aangestraald.

Enige tijd voor de overval, te weten om 15.22 uur, is er telefonisch contact geweest tussen [verdachte] en het nummer [telefoonnummer] welke op naam staat van [medeverdachte 1]. Om

17.29 uur werd door het nummer behorende aan [medeverdachte 1] de zendmast aan het [adres] aangestraald.

Door verbalisant [verbalisant] is onderzoek gedaan naar de stem van [medeverdachte 1]. Door de stem van [medeverdachte 1] in een gesprek met T-mobile, waarin hij zijn persoonlijke gegevens geeft, te vergelijken met de stem die de gesprekken voert met [verdachte] is door deze verbalisant geconstateerd dat alle gesprekken die tussen [verdachte] en de telefoon van

[medeverdachte 1] hebben plaatsgevonden, het de stem van deze [medeverdachte 1] betrof.

[betrokkene 1] wordt vervolgens ontboden om zich op 9 maart 2010 om 10.20 uur bij de politie te melden. Uit de telefoongesprekken tussen [betrokkene 1] en haar vriend [verdachte] blijkt dat zij hem zegt dat ze naar het politiebureau moet voor dat van eerst. Direct voor het gesprek bij de politie belt zij hem en vraagt wat ze bij de politie moet zeggen. Hij antwoordt hierop dat zij moet zeggen wat ze ook tegen hem heeft gezegd. Tevens zegt [verdachte] tegen [betrokkene 1] dat ze haar telefoon niet mee moet nemen naar de politie.

[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat zij haar telefoon aan [verdachte] heeft gegeven met de bedoeling de belhistorie van haar telefoon te verbergen.

Na de aanhouding van [betrokkene 1] op 9 maart 2010 hebben er diverse gesprekken

plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte 1]. Op 9 maart 2010 om 14.00 uur belt

[medeverdachte 1] naar [verdachte] en vindt er tussen hen een gesprek plaats waarin onder meer

het volgende wordt gezegd :

[medeverdachte 1]: ” Ze kunnen toch geen kanker bewijzen.”

[medeverdachte 1]: “Volgens mij komt het…of niet dat ze ons gezien hebben.

[verdachte]: “Daarop, voordat ze daarheen ging, heb ik haar ook gezegd, ze kwam naar mij toe en toen heeft ze ook hoe heet het aan mij gegeven.”

Een half uur later vindt er het volgende gesprek plaats tussen beiden :

[medeverdachte 1]: “ Ik ben bang dat ze alles gaat zeggen.”

[verdachte]:” Nee, nee ik ben niet bang voor [betrokkene 1], weet je voor wie ik bang ben, voor die kanker [betrokkene 2].”

[medeverdachte 1]:” Weet zij er ook van?”

[verdachte]: ” Ja”.

[medeverdachte 1]:”Nee”.

[verdachte]:”Ja, en die kanker [betrokkene 1] had het toen die tijd tegen haar gezegd.”

[medeverdachte 1]:” Kanker, die gaat het zeggen, ik zweer het die kankerzus gaat het zeggen.”

Op 10 maart 2010 heeft er een verhoor van [betrokkene 1] bij de politie plaatsgevonden waarin onder meer het volgende is gezegd:

Verbalisant: “Wat is jouw aandeel?”

[betrokkene 1]: ” Ik heb gebeld dat is het enige wat ik zeg.”

Verbalisant: ” Wat heb je gebeld”

[betrokkene 1]: ” Ik heb gebeld naar hun dat zij kwam.”

Verbalisant: “Wie is zij?”

[betrokkene 1]: “De bazin.”

Verbalisant: “Wat is er met de bazin gebeurd?”

[betrokkene 1]: ”Mijn bazin heeft mij later gebeld dat zij overvallen was.”

Verbalisant: “ Door wie?”

[betrokkene 1]: “Dat is toch duidelijk waarom zou ik daar antwoord op geven.”

Verbalisant:” Met welk doel heb jij hun gebeld dat de bazin kwam?”

[betrokkene 1]: “Dat hun het geld van de bazin konden pakken.”

Verbalisant: Je wist toch wat er ging gebeuren toen je belde?”

[betrokkene 1]: “Ja maar toch…”

Op 10 maart 2010 om 17.08 uur stuurt de zus van [betrokkene 1], [betrokkene 2], het volgende sms-bericht naar [verdachte] :

“Uitkijken [betrokkene 1] heeft toegegeven dat ze heeft gebeld.”

Om 17.40 uur en om 17.43 uur belt [verdachte] vervolgens naar [medeverdachte 1] en vertelt hem over genoemde sms. Zij geven beiden in het telefoongesprek aan dat ze nu “flippen”.

Dezelfde avond om 20.12 uur belt [verdachte] naar een NN-vrouw en zegt hij het volgende :

“Niet goed, die heks heeft is daar nog en ze heeft het toegegeven. Ik slaap niet thuis, ga met een vriend een hotel pakken. Ze heeft het vandaag verteld dus wellicht komen ze me morgen om zes uur ophalen.”

Rond 22.35 uur bestelt [medeverdachte 1] shoarma op het adres [adres]. Rond

23.14 uur wordt er kennelijk door de bezorger naar [verdachte] gebeld want er wordt gevraagd op welk nummer de shoarma afgeleverd kan worden. [verdachte] zegt op nummer 672.

[betrokkene 2], de zus van [betrokkene 1], heeft bij de politie verklaard op [adres] te wonen. Hieruit maakt de rechtbank op dat [verdachte] en [medeverdachte 1] samen onderduiken bij de zus van [betrokkene 1]. Mede omdat [verdachte] in het bovengenoemde telefoongesprek met de NN-vrouw zegt niet thuis te willen slapen omdat hij bang is dat ze hem zullen ophalen.

Op 23 maart 2010 belt [betrokkene 1] met [verdachte] en wordt onder meer het volgende gezegd:

[verdachte]: “Ja je bent wel een beetje dom geweest.”

[betrokkene 1]: “Ssst.”

[verdachte]: “Ik weet het ik word ook afgetapt.”

[verdachte]: “Volgens verklaring zeg jij rare dingen.”

[betrokkene 1]: “Watte ik heb geen naam genoemd, niks hoor.”

Bewijsoverwegingen

De rechtbank heeft uit het bovenstaande de overtuiging verkregen dat [betrokkene 1] in het hierboven vermelde verhoor bij de politie op 10 maart met de benaming “hun” verdachte en de medeverdachte bedoelt. Wat betreft de verweren van de verdediging op dit punt overweegt de rechtbank het volgende.

De ontlastende verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris dat zij niet

[verdachte] heeft gebeld om te vertellen dat haar bazin eraan kwam, acht de rechtbank niet geloofwaardig nu deze inhoudelijk in strijd is met de bewijsmiddelen. Daarbij komt dat uit het telefoonverkeer van [betrokkene 1] blijkt dat zij op 14 november 2009 louter naar

[verdachte] heeft gebeld. Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat [betrokkene 1] alleen

[verdachte] gebeld kan hebben om informatie over aangeefster te verschaffen.

De verdediging heeft aangevoerd dat [betrokkene 1] ten tijde van de overval beschikte over meerdere telefoons terwijl zij voorts met de telefoon van de [bedrijf 1] heeft kunnen bellen. Volgens de verdediging is het daarom mogelijk dat [betrokkene 1] met een andere telefoon personen heeft gebeld om te vertellen dat haar bazin eraan kwam, zoals zij heeft verklaard bij de politie en niet [verdachte]. De rechtbank acht dit echter niet aannemelijk onder meer om het feit dat [betrokkene 1] juist de belhistorie van de telefoon waarmee zij naar [verdachte] heeft gebeld, wilde verbergen. Daarbij komt dat zij wisselende verklaringen over deze telefoon heeft afgelegd bij de politie. In eerste instantie verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat de telefoon kapot was waardoor zij hem niet meer kon gebruiken en in een later verhoor verklaarde zij dat ze deze aan [verdachte] heeft gegeven voor haar eerste verhoor. De rechtbank maakt hieruit op dat zij bewust deze telefoon wilde verbergen omdat juist deze telefoon belastende informatie bevatte.

De verdediging heeft voorts betoogd dat [betrokkene 1] meerdere mensen gebeld moet hebben omdat zij bij de politie heeft verklaard dat zij “hun” heeft gebeld. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat [betrokkene 1][verdachte] heeft gebeld om te vertellen dat haar bazin er aan kwam. De rechtbank maakt uit de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] op dat zij in meervoud spreekt omdat zij op de hoogte was van het feit dat [verdachte] en [medeverdachte 1] de overal samen zouden gaan plegen.

Wat betreft de opmerkingen van de verdediging met betrekking tot de tijdstippen van de telefoongesprekken die [betrokkene 1] voerde met verdachte overweegt de rechtbank dat de tijdstippen die aangeefster heeft genoemd in haar aangifte een schatting zijn. Uit de aangifte blijkt niet dat aangeefster specifiek op haar horloge heeft gekeken toen zij de [bedrijf 1] verliet. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de overval rond 17.40 uur heeft plaatsgevonden. Het staat vast dat [betrokkene 1] tweemaal kort achter elkaar rond die tijd naar [verdachte] heeft gebeld. Dat het exacte tijdstip van de overval niet vaststaat, doet hieraan niet af.

Volgens de verdediging impliceert het feit dat [verdachte] in de afgetapte telefoongesprekken nimmer heeft toegegeven dat hij het feit gepleegd heeft, dat hij niets met de overval te maken heeft. De rechtbank is echter een ander oordeel toegedaan. Uit een aantal telefoongesprekken die Y. heeft gevoerd blijkt dat hij wist dat zijn telefoon afgetapt werd. Dit vermoeden heeft hij ook ter zitting bevestigd. Voordat hij dit vermoeden had, heeft hij weliswaar niet toegegeven dat hij betreffende overval gepleegd heeft maar in telefoongesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] geeft hij aan dat ze niets kunnen bewijzen en dat hij bang is dat ze hem zullen oppakken. Derhalve verwerpt de rechtbank dit verweer.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat [verdachte] de overval niet gepleegd kan hebben omdat hij ten tijde van de overval niet kon lopen omdat zijn kruisbanden gescheurd waren. De rechtbank hecht geen waarde aan deze verklaring nu niet is komen vast te staan wie van de verdachten de tas heeft weggenomen en wie op de scooter heeft gereden. Als verdachte daadwerkelijk niet goed kon lopen, zou verdachte degene kunnen zijn die op de scooter heeft gereden.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 november 2009 te Maarssen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een tas (bevattende een hoeveelheid geld [ongeveer 3500 euro] en een

mini-laptop en een portemonnee en bankpasjes en een

rijbewijs en echo-foto's van het kind waarvan die [aangever 1] zwanger is), toebehorende aan

[aangever 1] en/of "[bedrijf 1]", welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte of zijn mededader (op het moment dat die [aangever 1] in haar auto

was gaan zitten en die tas op de passagierstoel van haar auto had gelegd)

- een deur van die auto heeft opengetrokken en

- die tas heeft vastgegrepen en

- (nadat die [aangever 1] haar tas had vastgepakt) (met [veel] kracht) heeft

getrokken aan die tas en

- (daarbij) (op luide toon) tegen die [aangever 1] heeft gezegd:"los laten".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat [verdachte] vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander een diefstal met geweld gepleegd. De rechtbank vindt dit een buitengewoon ernstig feit. Voor het slachtoffer is de overval een zeer beangstigende ervaring geweest mede aangezien het slachtoffer ten tijde van de overval zwanger was. Daarnaast is het bekend dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden en ook in de onderhavige zaak is daarvan gebleken. Deze traumatische ervaring en het gevoel nergens meer veilig te zijn zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. Het slachtoffer slaapt sinds de overval slecht en zij voelt zich bij elk geluid angstig.

Dergelijke overvallen zorgen daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onveiligheid en onrust, mede door het geweld waarmee de overvallen gepaard gaan.

In aanmerking nemende de nog relatief jonge leeftijd van verdachte is het berekenende karakter van handelen schokkend, zulks des te meer als in aanmerking wordt genomen dat hij gebruik heeft gemaakt van de inlichtingen van [betrokkene 1] die al langere tijd werkzaam was bij de brasserie van het slachtoffer. Verdachte heeft aldus niet alleen een strafbaar feit gepleegd maar daarnaast ook bijzondere schade toegebracht aan het vertrouwen dat het slachtoffer had in haar werkneemster.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting voorts meegewogen dat verdachte ook tijdens de terechtzitting geen enkel blijk van empathie heeft gegeven ten aanzien van het slachtoffer, noch heeft hij enige spijt betuigd. De houding van verdachte tijdens de terechtzitting baart de rechtbank zorgen. Op basis van deze bevindingen kan de rechtbank dan ook niet anders dan concluderen dat verdachte ook thans nog geen enkele verantwoordelijkheid kan en wil nemen voor zijn rol bij de beroving van het slachtoffer. Dit maakt ook de kans op herhaling geenszins denkbeeldig.

Uit het advies van reclassering Nederland van 25 juni 2010 volgt dat verdachte een ontkennende verdachte is die geen openheid van zaken wil geven waardoor het maken van een indicatiestelling onmogelijk is. Zij adviseert verdachte regulier af te straffen in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht op grond van het slechts een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie rechtdoen aan alle omstandigheden, waarbij zij geen ruimte ziet voor een voorwaardelijk gedeelte. Zij zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden opleggen.

7. De benadeelde partij

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Aangezien de raadsman vrijspraak heeft bepleit, is hij van mening dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 624,36 bestaande uit

€ 274,36 materiële schade en € 350,- immateriële schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. Het beslag

8.1. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ([aangever 1]) van € 624,36, waarvan € 274,36 ter zake van materiële schade en € 350,- ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is deze bedragen aan de benadeelde partij te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

[aangever 1], € 624,36 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is deze bedragen aan de Staat te betalen.

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een zwarte mobiele telefoon, merk Blackberry en een blauwe mobiele telefoon merk Nokia.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. D.J.A. Kuipers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.C. Monincx, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2010.

Mr. D.J.A. Kuipers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.