Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5837

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-07-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
16/710770-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld. Veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710770-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein

raadsvrouw mr. Y.Karga advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

(samen met een ander) goederen heeft gestolen waarbij geweld is gepleegd.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de verklaring die [betrokkene 1] heeft afgelegd bij de politie, op de telefoongesprekken die tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 1] zijn gevoerd alsmede de telefoongesprekken die zijn gevoerd tussen [medeverdachte 1] en verdachte.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen aangezien er onvoldoende bewijs voor het ten laste gelegde feit in het dossier voorhanden is.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De aangeefster [aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat zij mede-eigenaar is van

[bedrijf 1] in het winkelcentrum [adres] te Maarssen. Op 14 november 2009

verliet zij omstreeks 17.35 uur de [bedrijf 1] en stapte in haar auto. Zij legde haar zilvergrijze tas, waarin haar portemonnee met bankpassen en haar rijbewijs zat, op de passagiersstoel. Tevens zat er in genoemde tas een minilaptop, de dagopbrengst van de zaak die bestond uit ongeveer € 3.500,-, drie kassarollen en echofoto’s van haar ongeboren kind.

Op het moment dat zij haar auto wilde starten, hoorde zij dat achter haar een

scooter stopte. Even daarna werd het rechterportier van haar auto geopend door een jongen

die haar tas vastgreep. Toen zij hierop de tas ook vastgreep, riep de jongen “los laten”.

Vervolgens trok hij de tas met kracht uit haar hand. Hierbij liep aangeefster letsel op aan

haar middelvinger. Daarna sprong de jongen achterop de scooter en de bestuurder van de scooter reed weg. Onder meer de dagopbrengst van € 3.500,-, een mini-laptop, een portemonnee met bankpasjes en een rijbewijs en echofoto’s van haar nog ongeboren kind zijn ontvreemd.

[aangever 1] verklaarde bij de politie dat zij om een aantal redenen vermoedde dat een van haar

medewerkers, te weten [betrokkene 1], betrokken kon zijn bij de overval. Zij verklaarde dat

[betrokkene 1] zich op de dag van de overval vreemd gedroeg. Deze [betrokkene 1] vroeg op de dag

van de overval ’s middags aan aangeefster hoe laat zij naar huis ging. Kort voor aangeefster

de zaak verliet, op het moment dat ze haar jas en tas pakte, ging deze [betrokkene 1] zeer gehaast

met een telefoon in de hand naar het toilet. Zij was daar zeven minuten daarvoor ook al

geweest. Eerder had deze [betrokkene 1] al eens aan aangeefster gevraagd wat er met de

opbrengst gebeurde en waar zij deze bewaarde.

Tevens heeft [aangever 1] bij de politie verklaard dat het afstorten van het geld uitsluitend op

zaterdag door haar alleen wordt gedaan. Louter het winkelpersoneel is daarvan op de

hoogte.

Voorts verklaarde [aangever 1] bij de politie dat de vriend van [betrokkene 1], [medeverdachte 1], enige

dagen voor de overval met een andere jongen bij haar in de [bedrijf 1] kwam. [medeverdachte 1]

overhandigde haar een scootersleutel en vroeg haar deze aan [betrokkene 1] te geven.

[betrokkene 1] was op dat moment ook in de winkel en [medeverdachte 1] deed net of hij haar niet

hoorde roepen. Aangeefster denkt dat [medeverdachte 1] die jongen mee nam zodat die jongen

haar kon zien om haar later te kunnen overvallen.

Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij drie jaar een relatie heeft met [betrokkene 1].

Naar aanleiding van het bovenstaande zijn de historische verkeersgegevens van de bij [betrokkene 1] in gebruik zijnde telefoon opgevraagd.

Uit de verkeersgegevens van de mobiele telefoon van [betrokkene 1] met nummer [telefoonnummer] blijkt dat op de dag van de beroving vanaf haar telefoon veertien keer is gebeld met nummer [telefoonnummer].

Ter zitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat dit nummer hem toebehoort.

Betreffende dag is met de telefoon van [betrokkene 1] om 17.23 uur gedurende 109 seconden

met de telefoon van [medeverdachte 1] gebeld en om 17.43 uur heeft zij vijf seconden telefonisch

contact met hem gehad, daarbij werd door het nummer behorende aan [medeverdachte 1] de zendmast aan het [adres], de straat waar de overval heeft plaatsgevonden, aangestraald.

Enige tijd voor de overval, te weten om 15.22 uur, is er telefonisch contact geweest tussen

[medeverdachte 1] en het nummer [telefoonnummer] welke op naam staat van [verdachte]. Om 17.29 uur werd door het nummer behorende aan [verdachte] de zendmast aan het [adres] aangestraald.

Door verbalisant [verbalisant] is onderzoek gedaan naar de stem van [verdachte]. Door de stem van [verdachte] in een gesprek met T-mobile, waarin hij zijn persoonlijk gegevens geeft, te vergelijken met de stem die de gesprekken voert met [medeverdachte 1] is door deze verbalisant geconstateerd dat alle gesprekken die tussen [medeverdachte 1] en de telefoon van

[verdachte] hebben plaatsgevonden, het de stem van deze [verdachte] betrof.

[betrokkene 1] wordt vervolgens ontboden om zich op 9 maart 2010 om 10.20 uur bij de politie te melden. Uit de telefoongesprekken tussen [betrokkene 1] en haar vriend [medeverdachte 1] blijkt dat zij hem zegt dat ze naar het politiebureau moet voor dat van eerst. Direct voor het gesprek bij de politie belt zij hem en vraagt wat ze bij de politie moet zeggen. Hij antwoordt hierop dat zij moet zeggen wat ze ook tegen hem heeft gezegd. Tevens zegt [medeverdachte 1] tegen [betrokkene 1] dat ze haar telefoon niet mee moet nemen naar de politie.

[betrokkene 1] heeft bij de politie verklaard dat zij haar telefoon aan [medeverdachte 1] heeft gegeven met de bedoeling de belhistorie van haar telefoon te verbergen.

Na de aanhouding van [betrokkene 1] op 9 maart 2010 hebben er diverse gesprekken plaatsgevonden tussen

[medeverdachte 1] en [verdachte]. Op 9 maart 2010 om 14.00 uur belt [verdachte] naar

[medeverdachte 1] en vindt er tussen hen een gesprek plaats waarin onder meer het volgende wordt gezegd :

[verdachte]: ” Ze kunnen toch geen kanker bewijzen.”

[verdachte]: “Volgens mij komt het…of niet dat ze ons gezien hebben.

[medeverdachte 1]: “daarop, voordat ze daarheen ging, heb ik haar ook gezegd, ze kwam naar mij toe en toen heeft ze ook hoe heet het aan mij gegeven.”

Een half uur later vindt er het volgende gesprek plaats tussen beiden :

[verdachte]: “ Ik ben bang dat ze alles gaat zeggen.”

[medeverdachte 1]:” Nee, nee ik ben niet bang voor [betrokkene 1], weet je voor wie ik bang ben, voor die kanker [betrokkene 2].”

[verdachte]:” Weet zij er ook van?”

[medeverdachte 1]: ” Ja”.

[verdachte]:”Nee”.

[medeverdachte 1]:”Ja, en die kanker [betrokkene 1] had het toen die tijd tegen haar gezegd.”

[verdachte]:” Kanker, die gaat het zeggen, ik zweer het die kankerzus gaat het zeggen.”

Op 10 maart 2010 heeft er een verhoor van [betrokkene 1] bij de politie plaatsgevonden waarin onder meer het volgende is gezegd:

Verbalisant: “Wat is jouw aandeel?”

[betrokkene 1]: ” Ik heb gebeld dat is het enige wat ik zeg.”

Verbalisant: ” Wat heb je gebeld”

[betrokkene 1]: ” Ik heb gebeld naar hun dat zij kwam.”

Verbalisant: “Wie is zij?”

[betrokkene 1]: “De bazin.”

Verbalisant: “Wat is er met de bazin gebeurd?”

[betrokkene 1]: ”Mijn bazin heeft mij later gebeld dat zij overvallen was.”

Verbalisant: “ Door wie?”

[betrokkene 1]: “Dat is toch duidelijk waarom zou ik daar antwoord op geven.”

Verbalisant:” Met welk doel heb jij hun gebeld?”

[betrokkene 1]: “Dat hun het geld van de bazin konden pakken.”

Verbalisant: “Je wist toch wat er ging gebeuren toen je belde?”

[betrokkene 1]: “Ja maar toch…”

Op 10 maart 2010 om 17.08 uur stuurt de zus van [betrokkene 1], [betrokkene 2], het volgende sms-bericht naar [medeverdachte 1] :

“Uitkijken [betrokkene 2] heeft toegegeven dat ze heeft gebeld.”

Om 17.40 uur en om 17.43 uur belt [medeverdachte 1] vervolgens naar [verdachte] en vertelt hem over genoemde sms. Zij geven beiden in het telefoongesprek aan dat ze nu “flippen”.

Dezelfde avond om 20.12 uur belt [medeverdachte 1] naar een NN-vrouw en zegt hij het volgende :

“Niet goed, die heks heeft is daar nog en ze heeft het toegegeven. Ik slaap niet thuis, ga met een vriend een hotel pakken. Ze heeft het vandaag verteld dus wellicht komen ze me morgen om zes uur ophalen.”

Rond 22.35 uur bestelt [verdachte] shoarma op het adres [adres]. Rond 23.14 uur wordt er kennelijk door de bezorger naar [medeverdachte 1] gebeld want er wordt gevraagd op welk nummer de shoarma afgeleverd kan worden. [medeverdachte 1] zegt op nummer 672.

[betrokkene 2], de zus van [betrokkene 1], heeft bij de politie verklaard op [adres] te wonen. Hieruit maakt de rechtbank op dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen onderduiken bij de zus van [betrokkene 1]. Mede omdat [medeverdachte 1] in het bovengenoemde telefoongesprek met de NN-vrouw zegt niet thuis te willen slapen omdat hij bang is dat ze hem zullen ophalen.

Op 23 maart 2010 belt [betrokkene 1] met [medeverdachte 1] en wordt onder meer het volgende gezegd:

[medeverdachte 1]: “Ja je bent wel een beetje dom geweest.”

[betrokkene 1]: “Ssst”.

[medeverdachte 1]: “Ik weet het ik word ook afgetapt.”

[betrokkene 1]: “Watte ik heb geen namen genoemd, niks hoor.”

Bewijsoverwegingen

De rechtbank heeft uit het bovenstaande de overtuiging verkregen dat [betrokkene 1] in het hierboven vermelde verhoor bij de politie met de benaming “hun” verdachte en de medeverdachte bedoelt. Wat betreft de specifieke verweren van de verdediging op dit punt overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat iemand anders met de telefoon van verdachte de belastende gesprekken heeft gevoerd daar uit het hiervoor onder voetnoot 11 aangehaalde onderzoek naar de stem van verdachte is gebleken dat alle gesprekken die gevoerd zijn tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] gevoerd zijn door verdachte zelf.

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen sprake is van medeplegen nu er op basis van de gegevens in het dossier niet vastgesteld kan worden dat er een nauwe samenwerking bestond tussen [medeverdachte 1] en verdachte. Ook kan volgens de verdediging nergens uit opgemaakt worden dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde feit.

De rechtbank is echter op basis van voornoemde bewijsmiddelen van oordeel dat er wel degelijk sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1]. Daarbij komt dat aangeefster in haar aangifte spreekt over twee jongens waarvan een jongen de tas uit de auto pakte en de andere jongen de scooter bestuurde. Reeds uit deze feitelijke handelingen kan geconcludeerd worden dat beide jongens in ieder geval gezamenlijk uitvoeringshandelingen hebben verricht.

De raadsvrouw heeft betoogt dat het feit dat de telefoon van verdachte om 17.29 uur de zendmast op het [adres] heeft aangestraald, niets zegt over de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde feit. Zij voert daartoe aan dat verdachte op [adres] woont, achthonderd meter van het [adres], en dat zijn telefoon ook ’s nachts de desbetreffende zendpaal aanstraalt.

De rechtbank overweegt dat hieruit de conclusie getrokken kan worden dat verdachte zich in ieder geval rond het tijdstip van de overval ergens in de wijde omtrek van het [adres] bevond. Deze omstandigheid sluit betrokkenheid van verdachte in ieder geval geenszins uit. Daarbij komt dat verdachte bij de politie, doch ook ter terechtzitting geen alibi heeft gegeven waar hij zich ten tijde van de overval bevond.

De verdediging heeft voorts betoogd dat [betrokkene 1] meerdere mensen gebeld moet hebben omdat zij bij de politie heeft verklaard dat zij “hun” heeft gebeld, doch dat er behoudens een eenmalig telefoontje op 6 november 2009, geen telefonisch contact is geweest tussen [betrokkene 1] en haar cliënt. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het voorgaande blijkt dat [betrokkene 1][medeverdachte 1] heeft gebeld om te vertellen dat haar bazin er aan kwam. De rechtbank maakt uit de inhoud van de verklaring van [betrokkene 1] op dat zij in meervoud spreekt omdat zij op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 1] en verdachte de overal samen zouden gaan plegen.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 14 november 2009 te Maarssen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een tas (bevattende een hoeveelheid geld [ongeveer 3500 euro] en een

mini-laptop en een portemonnee en bankpasjes en een

rijbewijs en echo-foto's van het kind waarvan die [aangever 1] zwanger is), toebehorende aan

[aangever 1] en/of "[bedrijf 1]", welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte of zijn mededader (op het moment dat die [aangever 1] in haar auto

was gaan zitten en die tas op de passagierstoel van haar auto had gelegd)

- een deur van die auto heeft opengetrokken en

- die tas heeft vastgegrepen en

- (nadat die [aangever 1] haar tas had vastgepakt) (met [veel] kracht) heeft

getrokken aan die tas en

- (daarbij) (op luide toon) tegen die [aangever 1] heeft gezegd:"los laten".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 10 maanden.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde feit. Subsidiair verzoekt de raadvrouw de rechtbank bij de op te leggen straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij wil immers graag zijn school afmaken en is daarbij erg gemotiveerd. Zij verzoekt in dat geval een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander een diefstal met geweld gepleegd. De rechtbank vindt dit een buitengewoon ernstig feit. Voor het slachtoffer is de overval een zeer beangstigende ervaring geweest mede aangezien het slachtoffer ten tijde van de overval zwanger was. Daarnaast is het bekend dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden en ook in de onderhavige zaak is daarvan gebleken. Deze traumatische ervaring en het gevoel nergens meer veilig te zijn zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. Het slachtoffer slaapt sinds de overval slecht en zij voelt zich bij elk geluid angstig.

Dergelijke overvallen zorgen daarnaast ook maatschappelijk voor grote gevoelens van onveiligheid en onrust, mede door het geweld waarmee de overvallen gepaard gaan.

In aanmerking nemende de nog relatief jonge leeftijd van verdachte is het berekenende karakter van handelen schokkend, zulks des te meer als in aanmerking wordt genomen dat er gebruik is gemaakt van de inlichtingen van [betrokkene 1] die al langere tijd werkzaam was bij de brasserie van het slachtoffer. Verdachte heeft aldus niet alleen een strafbaar feit gepleegd maar daarnaast ook bijzondere schade toegebracht aan het vertrouwen dat het slachtoffer had in haar werkneemster.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting voorts meegewogen dat verdachte ook tijdens de terechtzitting geen enkel blijk van empathie heeft gegeven ten aanzien van het slachtoffer, noch heeft hij enige spijt betuigd. Daarbij heeft de rechtbank de proceshouding van verdachte, waarbij hij geen enkele openheid van zaken heeft gegeven, meegewogen in haar oordeel. Op basis van deze bevindingen kan de rechtbank dan ook niet anders dan concluderen dat verdachte ook thans nog geen enkele verantwoordelijkheid kan en wil nemen voor zijn rol bij de beroving van het slachtoffer. Dit maakt ook de kans op herhaling geenszins denkbeeldig.

Uit het advies van reclassering Nederland van 21 mei 2010 volgt dat verdachte een ontkennende verdachte is die geen openheid van zaken wil geven waardoor het maken van een indicatiestelling onmogelijk is. Zij adviseert verdachte regulier af te straffen in de vorm van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande slechts een straf gelijk aan de eis van de officier van justitie rechtdoen aan alle omstandigheden, waarbij zij geen ruimte ziet voor een voorwaardelijk gedeelte. Zij zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden opleggen.

7. De benadeelde partij

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Aangezien de raadsvrouw vrijspraak heeft bepleit, verzoekt zij de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 624,36 bestaande uit

€ 274,36 materiële schade en € 350,- immateriële schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken gepleegd door twee of meer verenigde personen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij ([aangever 1]) van € 624,36, waarvan € 274,36 ter zake van materiële schade en € 350,- ter zake van immateriële schade;

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is deze bedragen aan de benadeelde partij te betalen.

Schadevergoedingsmaatregel

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer,

[aangever 1], € 624,36 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

- bepaalt dat voorzover deze bedragen door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is deze bedragen aan de Staat te betalen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, mr. Z.J. Oosting en mr. D.J.A. Kuipers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.C. Monincx, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 juli 2010.

Mr. D.J.A. Kuipers is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.