Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5810

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-07-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
16/512452-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeeld tot een plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/512452-09, 16/511675-10 (gev. ttz) en 16/602669-07 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 2 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in Rijksinrichting De Heuvelrug, locatie Eikenstein te Zeist.

raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 23 maart 2010, 15 juni 2010, waarbij de beide dagvaardingen zijn gevoegd en 18 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting van 18 juni 2010 is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

onder parketnummer 16/512452-09

feit 1: (samen met een ander) een woninginbraak met geweld heeft gepleegd en daarbij een mobiele telefoon heeft gestolen dan wel subsidiair die mobiele telefoon heeft geheeld;

feit 2: (samen met anderen) geld heeft gestolen waarbij geweld is gepleegd;

onder parketnummer 16/511675-10

feit 1: (samen met een ander) een woninginbraak heeft gepleegd en daarbij een televisie en een laptop heeft gestolen;

feit 2: (samen met een of meer anderen) een auto heeft geheeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/511675-10 en acht de overige ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten aanzien van geen van de ten laste gelegde feiten tot een bewezenverklaring kan komen.

Verdachte ontkent het onder 1 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/512452-09 te hebben gepleegd. De verdediging betoogt dat de beschrijving die aangeefster [aangever 1] geeft van de overvaller, niet overeenkomt met verdachte. Dit terwijl zij de overvaller recht in haar gezicht keek, alsdus de raadsman. Tevens voert de verdediging aan dat verbalisant [verbalisant 1] weliswaar iemand iets in de bosjes heeft ziet gooien, maar dat dit verdachte was, volgt nergens uit. De raadsman stelt dat er bovendien geen vingerafdrukken op de in de bosjes gevonden telefoon aangetroffen zijn. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat niet is uit te sluiten dat één en ander anders is gegaan dan de officier van justitie heeft voorgesteld.

Verdachte ontkent het onder 2 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/512452-09 te hebben gepleegd en geeft daarbij aan dat op het moment dat het feit gepleegd werd, hij een halve minuut weg was om in de kantine eten te kopen. Verder voert de verdediging aan dat de getuigenverklaringen onderling inconsistent zijn, waardoor er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Verdachte ontkent het onder 1 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/511675-10 te hebben gepleegd. De verdediging betoogt dat niet verdachte maar iemand anders ingebroken heeft op de [adres].

De verdediging voert daartoe aan dat verdachte ten tijde van de inbraak aan het rondrijden was in een Volkswagen Polo en daardoor niet bij genoemd perceel aanwezig kan zijn geweest. Getuige [getuige 1] zag omstreeks 14.25 uur dat er twee personen bij een zilverkleurige cabriolet stonden die vervolgens in een zilverkleurige Volkswagen stapten. Hieruit trekt de verdediging de conclusie dat verdachte vanaf 14.25 uur reeds in de Volkswagen Polo zat en dat daarom aannemelijk is dat iemand anders met de grijze Peugeot cabrio de inbraak heeft gepleegd.

Voorts stelt de verdediging dat de vingerafdruk van verdachte, die gevonden is aan de binnenzijde van het inklimraam, daar terecht is gekomen doordat verdachte, nadat hij gehoord had over de inbraak, uit nieuwsgierigheid een kijkje is gaan nemen bij de woning aan [adres] en toen met zijn hand het raam heeft aangeraakt.

Met betrekking tot feit 2 onder parketnummer 16/511675-10 stelt de verdediging dat er geen enkel bewijs is dat verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 2 onder parketnummer 16/511675-10:

Naar het oordeel van de rechtbank bevat het dossier onvoldoende aanwijzingen om wettig en overtuigend bewezen te kunnen verklaren dat verdachte de betreffende auto heeft geheeld. Weliswaar gaat de rechtbank er vanuit, zoals hierna in het kader van feit 1 onder parketnummer 16/511675-10 nog zal worden uiteengezet, dat verdachte in deze auto heeft (mee)gereden, maar er zijn onvoldoende aanwijzingen voor dat alstoen sprake was van heling zoals ten laste gelegd. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van het onder 4 ten laste gelegde.

Feit 1 onder parketnummer 16/512452-09:

[aangever 1] heeft verklaard dat zij zich op 7 juli 2009, omstreeks 16.00 uur in haar woning aan de [adres] bevond. Door haar zwangerschap had zij wat last van een harde buik en zij was daarom op de bank gaan zitten. Zij had de gordijnen van haar woning open en zij kon naar buiten kijken. Ineens hoorde zij een harde knal vanaf het voorraam. Zij zag dat de ruit aan stukken ging en dat er glas naar binnen en op haar viel.

Ineens zag zij dat er een jongen, met een smal gezicht en een capuchon op, met zijn bovenlichaam door het ontstane gat naar binnen boog. Hij pakte een audiospeaker van de vensterbank en tilde deze boven zijn hoofd terwijl hij haar recht aankeek. Zij riep vervolgens: “Klootzak, doe normaal, ik ben hoogzwanger.” Hierop gooide de jongen de audiospeaker op de bank en boog hij terug door het gat in het raam. De jongen sprong vervolgens achter op een gereedstaande bromfiets die op het troittoir voor haar woning stond. Deze werd bestuurd door een andere jongen. Verder zag zij dat er op haar bank een halve straattegel lag. Toen de politie arriveerde, kwam zij tot de ontdekking dat haar mobiele telefoon, die op de bank lag, gestolen was.

Getuige [getuige 2] zag op dinsdag 7 juli 2009 omstreeks 16.15 uur twee jongens voorbij lopen over het trottoir van de [adres]. Een van de jongens herkende zij als [verdachte]. Zij zag dat verdachte met een andere jongen in de richting van het [adres] liep. Zij zag dat de jongens snel en opvallend dicht tegen elkaar aan liepen. Ook keken de jongens diverse malen achterom en liepen dicht langs de struiken van het buurthuis. Niet veel later zag zij politie.

Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op dinsdag 7 juli 2009 op de [adres] te Utrecht stond. Zij zag aan de rechterzijde twee jongens aan komen lopen. Het viel haar op dat de jongens voortdurend achterom keken. Vervolgens zag zij dat beide jongens haar tot een paar meter genaderd waren en op dat moment hoorde zij een motor. In een oogopslag zag zij een politiemotor om de hoek komen rijden. Op dat moment keken beide jongens verschrikt om. Meteen daarna zag zij dat één van de jongens, Marokkaans uiterlijk, ongeveer 15 jaar oud, gekleed in een blauw/wit geruite blouse, iets in de bosjes gooide. De jongen die dat voorwerp had weggegooid, rende daarna meteen weg.

[verbalisant 1] was op 7 juli 2009 belast met motorsurveillance. Aan de linkerkant van de [adres] zag hij twee jongens lopen. Overigens was het op dat moment stil op dat deel van de straat; afgezien van een vrouw bij de ingang van het buurthuis en de twee jongens was er daar niemand te zien. Hij zag dat de jongen met de gestreepte trui kort omkeek in zijn richting. Vervolgens gooide deze jongen links van hem iets tussen de struiken van een smal perk, waarna beide jongens snel doorliepen. [verbalisant 1] zag op de plek waar de jongen iets in de struiken had gegooid een mobiele telefoon en een batterij liggen. Deze telefoon was droog terwijl het in en rond de struiken vochtig was. [verbalisant 1] zag dat de jongen met de gestreepte kleding weggerend was. De andere jongen is vervolgens aan gehouden, hij bleek te zijn [betrokkene 1].

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] rijden na de melding van de inbraak op de [adres] vanaf de [adres] het [adres] op en zien een persoon uit het park komen rennen precies tegenover de [adres]. Zij herkennen deze persoon als verdachte, en zien dat hij een blauwkleurig geruit vest dan wel shirt draagt. Zij horen van een collega motorrijder (naar de rechtbank begrijpt verbalisant [verbalisant 1]) dat hij zag dat de persoon die bij [betrokkene 1] liep een telefoon in de bosjes gooide na het zien van hem. Wij hoorden dat die persoon vervolgens het park was ingerend .

Verbalisant [verbalisant 4] heeft vervolgens de gevonden mobiele telefoon aan de aangeefster [aangever 1] getoond en zij herkende de mobiele telefoon als zijnde van haar.

Op grond van de genoemde feiten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 onder parketnummer 16/512452-09 ten laste gelegde woninginbraak samen met een ander heeft begaan. Daarbij is van belang dat kort na de woninginbraak twee getuigen, te weten [getuige 2] en [getuige 3], twee jongens geheimzinnig door de van [adres] zien lopen, welke straat gelegen is dichtbij de [adres]. Beide getuigen omschrijven hetzelfde opvallende gedrag van de jongens. Vervolgens zien zowel getuige [getuige 3] als verbalisant [verbalisant 1] dat een van de twee jongens iets in de bosjes gooit op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] in het zicht van de jongens komt. Op de plek waar iets in de bosjes is gegooid, wordt de gestolen mobiele telefoon van aangeefster [aangever 1] gevonden. Getuige [getuige 2] herkent daarbij verdachte, die zij kent van het buurthuis, als een van deze twee jongens. Hieruit volgt, anders dan de raadsman heeft betoogd, en bij gebreke van een aannemelijke verklaring voor het bezit van verdachte van de telefoon zo kort na de diefstal (te weten ongeveer 15 minuten nadien) buiten het kader van de tenlastelegging, dat verdachte wel degelijk betrokken is geweest bij de genoemde woninginbraak. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er iets anders door de jongens in de bosjes is gegooid zoals de raadsman heeft betoogd. De grond was immers nat doordat het geregend had en de mobiele telefoon was droog. Hieruit leidt de rechtbank af dat de mobiele telefoon er slechts korte tijd heeft gelegen. Overigens leidt de rechtbank uit de (beperkte) bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] af dat deze ter plekke in de bosjes geen ander voorwerp aantrof dat eventueel door de betreffende persoon daar zojuist zou kunnen zijn neergeworpen.

Aangeefster [aangever 1] en de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [verbalisant 1], spreken allen over twee jongens. Hieruit volgt dat verdachte de betreffende inbraak samen met een ander heeft gepleegd. De omstandigheid dat aangeefster bij confrontatie met verdachte deze niet heeft herkend als de persoon die de tegel door de ruit gooide, doet hieraan niet af, aangezien dit de mogelijkheid open laat dat verdachte degene was die de scooter bestuurde waarmee de daders zijn ontkomen.

De rechtbank acht evenwel niet bewezen dat deze diefstal gepaard is gegaan met een bedreiging met geweld. Aangeefster heeft weliswaar verklaard dat de dader een audiospeaker van de vensterbank pakte en deze deze boven zijn hoofd tilde terwijl hij haar recht aankeek, hetgeen zij als bedreigend ervaren heeft, doch dit wordt niet ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier, terwijl de beschreven gedraging daartoe op zich zelf onvoldoende duidelijk is. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Feit 2 onder parketnummer 16/512452-09:

[aangever 2] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op de Mulock 2000 school in Amersfoort zit. Op 11 juni 2009, omstreeks 10.00 uur, was er pauze. Op het schoolplein vroegen [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en verdachte sigaretten aan hem. Aangever zei dat hij nog maar weinig sigaretten had en gaf hen er geen. Vervolgens hoorde hij [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] in het Marokkaans iets tegen elkaar zeggen. Daarop voelde hij dat [betrokkene 5] zijn handen heel stevig voor zijn ogen hield. Hij voelde tevens dat er handen aan zijn kleding zaten. Die handen voelden in de zakken van zijn jas en zijn broek. Op een gegeven moment kon hij weer zien en zag hij dat zijn klasgenoot [getuige 4][betrokkene 5] een duw gaf. In een flits zag aangever dat [betrokkene 4] zijn portemonnee vasthad. Hij had daarvoor gevoeld dat deze uit zijn zak was gehaald. [betrokkene 4] gooide de portemonnee op de grond en alles viel eruit. Aangever wilde naar de spullen toe lopen om ze op te rapen. [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4], [betrokkene 5] en verdachte duwden op dat moment nog steeds tegen hem aan. Verdachte pakte de portemonnee op en gaf deze terug aan aangever. Aangever ging op zoek naar zijn spullen en uiteindelijk bleek hij zeven euro te missen.

[getuige 5] heeft verklaard dat hij zich, op donderdag 11 juni 2009 omstreeks 10.30 uur, op het schoolplein van de Mulock 2000 te Amersfoort bevond. Hij stond op dat moment bij aangever. Hij hoorde dat [betrokkene 2], [betrokkene 4], [betrokkene 3] en [betrokkene 5] constant sigaretten vroegen aan aangever. Hij zag genoemde jongens bij elkaar staan bij het bootje op het schoolplein, waar verdachte bij stond. [getuige 4] hoorde de jongens op een gegeven moment zeggen: “Kom we gaan het nu doen, want de pauze is bijna afgelopen”, waarop [betrokkene 5] en [betrokkene 3] achter het bootje om liepen en verdachte, [betrokkene 4] en [betrokkene 2] via de andere kant van het bootje richting aangever liepen. Vervolgens zag hij dat [betrokkene 5] aangever om zijn nek pakte en hem op zijn rug legde. Daarna deed [betrokkene 5] zijn handen voor de ogen van aangever. [betrokkene 3] pakte aangever hierop bij zijn arm en lichaam. Verdachte en [betrokkene 2] maakten de zakken van de kleding van aangever leeg. Zijn portemonnee werd uit zijn zak gehaald. De portemonnee werd aan [betrokkene 3] gegeven. Daarna gooide deze de half uit elkaar getrokken portemonnee naar [betrokkene 4]. Deze gooide de portemonnee vervolgens op de grond. Aangever ging daarna op zoek naar zijn spullen.

Op basis van de aangifte en de genoemde verklaring van getuige [getuige 4] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/512452-09 heeft begaan. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij binnen dertig seconden naar de kantine is gelopen, eten heeft gekocht en weer teruggelopen is, niet aannemelijk. Daarbij komt dat geen van de getuigen dit in hun verklaringen hebben bevestigd, behalve [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris. De rechtbank acht deze verklaring van [betrokkene 3] bij de rechter-commissaris niet betrouwbaar aangezien hij in zijn verklaring bij de politie hier niets over heeft gezegd. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de verklaring van getuige [getuige 4]. Hij heeft immers verklaard dat hij bij aangever stond toen het incident zich voordeed.

Op grond van genoemde verklaringen is de rechtbank dan ook van oordeel dat er tussen verdachte en de medeverdachten sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat verdachte dus samen met anderen geld heeft gestolen van aangever waarbij geweld is gebruikt.

Feit 1 onder parketnummer 16/511675-10:

Aangeefster [aangever 3] heeft verklaard dat zij op 22 februari 2010 omstreeks 14.14 uur haar woning aan [adres] te Utrecht verliet. Het betreft een rijtjeswoning en deze grenst aan de openbare weg. Om 15.00 uur bemerkte zij dat zij een aantal oproepen van de politie had gemist. Toen zij bij haar woning terugkwam, zag zij dat het raam aan de voorzijde van haar huis totaal vernield was. Tevens zag zij dat haar televisie (een flatscreen van het merk Samsung), die voor het raam had gestaan, en haar witte laptop (Macbook van het merk Apple met serienummer: W88256y30pi), die in de kast had gelegen, weggenomen waren

[getuige 6] heeft verklaard dat hij zich op maandag 22 februari 2010 omstreeks 14.40 uur in zijn woning aan de [adres] bis te Utrecht bevond. Hij stond uit het raam te kijken en zag een jongen op de stoep aan de overkant van de straat staan. Deze jongen had een grote stoeptegel in zijn handen en hield deze met twee handen boven zijn hoofd. Vervolgens gooide deze jongen de stoeptegel met twee handen met kracht door de ruit van de woning. Hierna ging hij door de stukgegooide ruit naar binnen. Hij stapte weer door de ruit naar buiten en liep naar een auto die vervolgens met piepende banden wegreed.

Getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij op maandag 22 februari 2010 omstreeks 14.40 uur werkzaam was als verwarmingsmonteur op de [adres] te Utrecht. Plotseling hoorde hij een hoop glasgerinkel. Hij zag een jongen met een televisie in zijn handen door het raam uit een woning komen en rennen naar een auto. Het betrof een grijze driedeurs Peugeot cabrio met het kenteken [kenteken]. De jongen stapte op de bijrijdersstoel en de auto reed weg.

Getuige [getuige 8] ziet die dag omstreeks 14.40 uur een persoon met een zwarte flatscreen televisie onder zijn arm uit een woning springen in de [adres], naar een grijze Peugeot rennen met kenteken [kenteken], instappen aan de bijrijderskant en ziet het voertuig met hoge snelheid, met piepende banden, wegrijden in de richting van de [adres]. Hij beschrijft de persoon als een man met Marokkaans uiterlijk, met een donkere muts en een donkerkleurig windjack met bontkraag en kapuchon .

[getuige 1] keek op 22 februari 2010 omstreeks 14.25 uur vanuit zijn woning naar buiten. Daar zag hij dat er een zilverkleurige auto voor zijn woning stond. Vlak daarnaast stond een persoon, met een donkere jas, met een bontkraag bij zijn capuchon, die meerdere keren in het voertuig keek. Enkele meters verder stond een tweede persoon. Samen liepen zij weg in de richting van een ander zilverkleurig voertuig van het merk Volkwagen. Volgens [getuige 1] betrof het kenteken vermoedelijk [kenteken].

Op deze zelfde dag werd om 14.52 uur op de [adres] de grijze Peugeot Cabrio met kenteken [kenteken] aangetroffen. Het was verbalisant [verbalisant 5] ambtshalve bekend dat deze auto twee dagen eerder gestolen was bij een woninginbraak. Verbalisant [verbalisant 5] constateerde dat de ruiten van deze auto aan de binnenzijde beslagen waren. Op de bodem aan de bijrijderskant zag hij een flatscreen televisie van het merk Samsung, 1 adaptor voor een Apple-apparaat en een aansluitsnoer merk Sony liggen. Deze televisie en de overige goederen zijn aan aangeefster [aangever 3] getoond en zij herkende deze als haar eigendom.

Aan de bestuurder van een grijze Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] is om 14.55 uur een bekeuring uitgedeeld naar aanleiding van rijgedrag, waarbij gezien werd dat de auto vanuit de rijrichting van de [adres] kwam. De bestuurder van deze auto was de medeverdachte in deze zaak [betrokkene 6], de bijrijder werd herkend als verdachte.

Verbalisant [verbalisant 5] ziet omstreeks 15.15 uur van die dag vanaf het Spinozaplantsoen een grijze volkswagen Polo met een kenteken beginnend met 92- , met twee Marokkaanse/Turkse jongens vanaf het Spinozaplantsoen rechtsaf de [adres] oprijden. Het voertuig bleef de [adres] volgen, richting de [adres]. Enkele minuten later hoort hij dat de inzittenden van de grijze volkswagen Polo werden aangehouden door collega’s op de [adres]. Dit bleken de verdachte en de medeverdachte [betrokkene 6] te zijn .

In de Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] is onder de handrem een autosleutel gevonden van het merk Peugeot. Deze sleutel paste op de grijze Peugeot cabrio met het kenteken [kenteken].

Aan de binnenzijde van het inklimraam van de woning aan de [adres] te [woonplaats] werd een vingerafdruk gevonden. Deskundigen van de KLPD hebben deze vervolgens onderzocht, waarbij bleek dat de aangetroffen vingerafdruk identiek is aan een zich op een bij de politie aanwezig (vinger)afdrukkenblad bevindende afdruk van de rechtermiddelvinger van verdachte.

Op basis van deze feiten acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/511675-10 heeft gepleegd. Op het inklimraam van de woning aan de [adres] is aan de binnenkant een vingerafdruk van verdachte gevonden. De verdediging heeft aangevoerd dat deze vingerafdruk daar terecht is gekomen doordat verdachte uit nieuwsgierigheid eerst bij desbetreffende woning was langsgereden, op de hoek van de straat was gestopt, teruggelopen was naar de woning en naar binnen was gaan kijken. De rechtbank acht dit echter onaannemelijk aangezien verbalisant van [verbalisant 6] reeds om 14.47 uur op de plaats delict aanwezig was. Ter zitting heeft getuige [getuige 9] verklaard dat de procedure met betrekking tot de plaats delict inhoudt dat het publiek deze niet kan benaderen. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd acht de rechtbank het onaannemelijk dat verbalisant [verbalisant 6] niet bij het raam van de woning stond en niet zou hebben verhinderd dat publiek het ingeslagen raam, en dan nog wel de binnenzijde daarvan, zou aanraken. De verklaring van verdachte dat deze [verbalisant 6] getuigen aan het horen was aan de overkant van de weg en zij hem daarom niet heeft kunnen zien, acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet aannemelijk. Dat [verbalisant 6] ter plekke heeft gesproken met de later op het politiebureau als getuige gehoorde [getuige 7], doet hieraan niet af. Aannemelijk is immers dat [verbalisant 6] hiertoe in staat is geweest zonder de hiervoor beschreven procedureregels inzake bewaking van plaats delict te schenden, en aldus ook heeft gehandeld, mede gelet op het door haar hieromtrent opgemaakte procesverbaal van bevindingen. .

Hierbij komt dat de vingerafdruk van verdachte aan de binnenzijde van het inklimraam is aangetroffen. Zelfs indien verdachte (alleen) na het delict ter plaatse zou zijn geweest en gelegenheid zou hebben gehad om door het opengebroken raam naar binnen te kijken, hetgeen de rechtbank dus reeds onaannemelijk acht, is extra onaannemelijk dat hij daarbij een vinger aan de binnenzijde van het raam zou hebben geplaatst.

De enige andere verklaring die de rechtbank dan voor deze vingerafdruk kan vinden, is daderschap van verdachte van de ten laste gelegde inbraak. Anders dan de verdediging heeft gesuggereerd, is voor de rechtbank vast komen te staan dat de dader geen handschoenen aanhad ten tijde van de inbraak. Getuige [getuige 6] heeft immers ter zitting verklaard dat hij zag dat degene die de stoeptegel boven zijn hoofd hield huidskleurige handen had. Daarbij gaf hij aan dat ze niet donker van kleur waren maar lichtgetint. Hieruit maakt de rechtbank op dat getuige [getuige 6] blote handen heeft gezien, en dus dat de dader bij de inbraak geen handschoenen aanhad.

Ten laste van verdachte strekt verder dat getuige [getuige 7] heeft gezien dat de jongen met de televisie in zijn handen op de bijrijdersstoel van een Peugeot cabrio plaatsnam. Deze Peugeot cabrio is vervolgens twaalf minuten later aangetroffen met hierin de gestolen flatscreentelevisie van aangeefster [aangever 3]. In de Volkswagen Polo waarin verdachte is aangehouden werd de sleutel van deze grijze Peugeot cabrio aangetroffen. Hieruit volgt dat verdachte en zijn mededader de beschikking hebben gehad over desbetreffende Peugeot cabrio die bij de inbraak was gebruikt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat verdachte ten tijde van de woninginbraak in de Volkswagen Polo aan het rijden was. Dat getuige [getuige 1] de jongens om 14.25 uur bij de grijze auto had zien staan, en ze vervolgens in de Volkswagen Polo had zien stappen, brengt niet mee dat verdachte de inbraak niet gepleegd zou kunnen hebben. In de tijd is het immers zeer wel mogelijk dat verdachte en zijn mededader, nadat [getuige 1] hen had waargenomen, de Volkswagen Polo hebben verplaatst en teruggekomen zijn naar de grijze Peugeot cabrio om vervolgens met gebruikmaking daarvan de inbraak te plegen, waarna ze wederom in de Volkswagen Polo zijn gestapt en vervolgens om 14.55 uur bekeurd zijn.

De rechtbank is van oordeel dat tussen verdachte en zijn mededader sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en dat verdachte de betreffende inbraak dus samen met een ander heeft gepleegd. Dit leidt de rechtbank af uit de verklaring van getuige van [getuige 7] die heeft waargenomen dat een jongen met een televisie in zijn handen door het raam uit de woning kwam, naar een auto rende en op de bijrijderstoel plaats nam, waarna de auto wegreed.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/511675-10 heeft begaan.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. (parketnummer 16/512452-09)

hij op 07 juli 2009 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-igening uit een woning gelegen aan de [adres] aldaar heeft weggenomen een mobiele telefoon, toebehorende aan [aangever 1], waarbij verdachte of zijn mededader die mobiele telefoon onder hun bereik heeft gebracht door middel van verbreking van een ruit van die woning;

2. (parketnummer 16/512452-09)

hij op 11 juni 2009 te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-igening heeft weggenomen

een geldbedrag van ongeveer 7 euro, toebehorende aan [aangever 2], welke diefstal

werd voorafgegaan door en vergezeld van geweld tegen die [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte en/of één of meer van zijn mededaders

- die [aangever 2] van achteren heeft/hebben vastgepakt en

- de ogen van die [aangever 2] heeft bedekt en

- die [aangever 2] hebben besprongen en

- die [aangever 2] hebben geduwd;

1. (parketnummer 16/511675-10)

hij op 22 februari 2010 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-igening in een woning gelegen

aan de [adres] aldaar heeft weggenomen een televisie flatscreen

van het merk Samsung en een witte laptop Macbook van het merk Apple,

serienummer W88256939pi, toebehorende aan [aangever 3] en/of [aangever 3],

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van verbreking van een raam van die woning en vervolgens door inklimming;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1 (parketnummer 16/512452-09): Diefstal in vereniging waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 (parketnummer 16/512452-09): Diefstal in vereniging voorafgegaan door en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te verbereiden en gemakkelijk te maken;

Feit 1 (parketnummer 16/511675-10): Diefstal in vereniging waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 130 dagen, met aftrek van voorarrest en de maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat, zelfs indien zijn cliënt voor alle feiten mocht worden veroordeeld, een onvoorwaardelijke PIJ een te grote stap is. De raadman voert daartoe aan dat zijn cliënt nimmer eerder de gelegenheid heeft gehad ITB-Criem te ondergaan. Deze maatregel is weliswaar eerder opgelegd maar niet uitgevoerd door omstandigheden die verdachte niet kunnen worden aangerekend, aldus de raadsman. De MST die in het gezin is uitgevoerd was gericht op de broers van verdachte, niet op verdachte zelf. Overigens zat verdachte op dat moment op Glen Mills, aldus de raadsman. De raadsman heeft dit standpunt reeds bij brief van 18 juni 2010 aan de rechtbank onderbouwd.

Voorts geeft de raadsman aan dat gebleken is uit de cijfers van ForCa dat wanneer een betrokkene niet mee werkt aan het onderzoek, de kans groter is dat hij of zij een onvoorwaardelijk PIJ-advies krijgt. Aangezien verdachte niet mee wenste te werken aan het onderzoek van ForCa, zou dat een rol gespeeld kunnen hebben in het advies. Indien geoordeeld zou worden dat verdachte wel begeleiding en/of behandeling nodig zou hebben zodra hij vrijkomt, zou deze als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf of maatregel kunnen worden opgelegd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf en/of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.Verdachte heeft zich in een korte periode schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Verdachte heeft tweemaal op klaarlichte dag en op bijzonder brutale wijze een woninginbraak gepleegd. Door een tegel door de ruit te gooien nam hij goederen weg. Hierbij heeft verdachte op geen enkele wijze rekening gehouden met de consequenties daarvan voor anderen. Aangeefster [aangever 1] zat ten tijde van de inbraak thuis op de bank en zij was hoogzwanger. Het scheelde niet veel of de tegel had haar geraakt, met alle consequenties voor haar en/of haar ongeboren kind van dien. Door een woninginbraak wordt niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelde, maar wordt ook en vooral een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, wat bij hen – naar de ervaring leert – voor langere tijd gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.

Voorts heeft verdachte op een schoolplein op klaarlichte dag een diefstal met geweld in vereniging gepleegd. Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens onveiligheid en ongemak voor het slachtoffer en de (jonge) omstanders ter plaatse.

Verontrustend is dat verdachte de feiten op jeugdige leeftijd heeft gepleegd. Daarbij komt dat verdachte vanaf zijn zevende jaar al geregeld in aanraking is gekomen met justitie. Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 25 februari 2010, is verdachte eerder veroordeeld ter zake van een vermogensmisdrijf.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op de navolgende adviezen:

- een de verdachte betreffend rapport, opgemaakt d.d. 30 november 2009 door A.van der Jagt, Kinder-en Jeugdpsychiater en T. Smits GZ-psycholoog, beiden verbonden aan de observatieafdeling van forensisch consortium adolescenten (ForCa), dat onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende inhoudt.

Verdachte en zijn ouders hebben consequent geweigerd mee te werken aan het onderzoek.

Uit gesprekken met verdachte en de observaties lijkt er geen sprake te zijn van een weigering die berust op een gebrek aan begrip of kennis rondom de procedure of de inhoud van het onderzoek, noch zijn er aanwijzingen dat de weigering voorkomt uit een psychiatrische stoornis in engere zin.

De geformuleerde overwegingen in het rapport zijn derhalve gebaseerd op de observaties van ForCa binnen JJI Teylingereind, de heteroanamnestische gegevens, de justitiële documentatie en de eerdere onderzoeksverslagen.

De deskundigen constateren dat verdachte lijdt aan een ernstige gedragsstoornis, die begonnen is op jonge leeftijd. Daarbij is sprake van een achterblijvende gewetensontwikkeling en een vertraagde sociaal-emotionele ontwikkeling. Het ligt in de lijn der verwachting dat de gedragsstoornis, de verminderde gewetensfuncties, en de in het verleden niet tot stand gekomen behandelrelaties, er toe bijdragen dat het risico op recidive groot is. De ouders van verdachte lijken onvoldoende structuur, toezicht en grenzen te bieden en zij zien de ernst van het gedrag van hun kinderen niet in. Zij beschuldigen de politie van overmatig toewijzen van schuld richting verdachte en het gezin. Hiermee wordt het gedrag van verdachte goedgekeurd. De wens van verdachte om zijn gedrag aan te passen zal dan ook klein zijn en daarmee het recidiverisico groot. De voorbeeldfunctie van zijn broers speelt daarbij een negatieve rol. Zowel intrinsiek als vanuit zijn omgeving krijgt verdachte geen sturing zijn gedrag te veranderen. Vanuit alle verslaglegging blijkt dat hulp in het gezin tot nu toe heeft gefaald. Hieruit volgt dat een langdurende behandelsetting buiten het gezin het laatste middel is om verdachte de mogelijkheid te bieden zich zo gunstig mogelijk te ontwikkelen. Aangezien er geen sprake is van motivatie moet worden gestart vanuit een gesloten setting binnen een duidelijk kader. Hiervoor is een PIJ-maatregel noodzakelijk. In een gesloten setting kan er voldoende structuur en toezicht geboden worden. Dit kan de emotionele ontwikkeling van verdachte bevorderen en verdachte stimuleren tot leeftijdsadequaat gedrag waarmee het recidiverisico wordt verminderd.

Ter terechtzitting van 23 maart 2010 heeft de getuige/deskundige Smit aanvullend verklaard dat het systeem van verdachte te onmachtig is om de problematiek van verdachte aan te kunnen. De stoornis van verdachte is dermate ernstig dat het de verwachting is dat deze zich voortzet in een persoonlijkheidsstoornis indien er geen behandeling plaatsvindt. Alleen in een gesloten kader kan verdachte direct met zijn gedrag worden geconfronteerd.

- een de verdachte betreffend advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), opgemaakt d.d. 18 maart 2010 door I. de Visser, raadsonderzoeker en S. Gijsbertha, teamleider, welk advies mondeling ter zitting is toegelicht door deze De Visser. Hieruit blijkt onder meer – zakelijk weergegeven – dat de Raad de visie van Forca ondersteunt dat er geen andere mogelijkheid is voor verdachte dan hem binnen een gedwongen kader buiten zijn systeem te plaatsen en dat hiervoor een PIJ-maatregel noodzakelijk is.

Met betrekking tot de geadviseerde maatregel overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte wordt veroordeeld voor misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Naar het oordeel van de rechtbank beschikt verdachte, mede gelet op zijn proceshouding, over geen enkel probleembesef noch over enig zelfinzicht. Dit baart de rechtbank ernstig zorgen, nu verdachte immers ernstige feiten heeft begaan. Dit des te meer nu verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan terwijl zijn voorlopige hechtenis met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde feit, was geschorst. De kans op herhaling acht de rechtbank dan ook zeer groot.

De enige mogelijkheid om verdachte ervan te weerhouden dergelijke strafbare feiten te plegen en hem zo gunstig mogelijk te laten ontwikkelen, is naar het oordeel van de rechtbank in een gesloten setting en dit voor lange duur. De deskundigen adviseren dit als de enige passende mogelijkheid. Binnen het systeem van het gezin van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor verandering, waardoor verdachte niet verder zal komen.

Hierbij weegt zwaar dat zowel verdachte als ook vader ter terechtzitting heeft aangegeven geen probleem te hebben en dus ook geen behandeling nodig te vinden. Bij een dergelijk, gedurende het gehele proces gebleken, consistent gebrek aan probleembesef en behandelmotivatie heeft de noodzakelijke behandeling van verdachte als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf of maatregel naar het oordeel van de rechtbank geen kans van slagen.

In een civiel kader zou behandeling in een gesloten setting eventueel ook te realiseren zijn, ware het niet dat er dan elk half jaar een machtiging tot verlenging verzocht moet worden, wat naar het oordeel van de rechtbank teveel onzekerheid en spanning met zich zal brengen, waardoor verdachte zich niet helemaal kan overgeven aan de noodzakelijke behandeling.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat een PIJ-maatregel een veel te zwaar middel zou zijn mede vanwege de omstandigheid dat verdachte nog nimmer binnen het strafrechtelijk kader een hulpverleningstraject aangeboden is en/of een dergelijk traject door hem is doorlopen. Deze omstandigheid, die op grond van hetgeen de raadsman hiertoe heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd slechts ten dele aannemelijk is geworden, maakt op zichzelf niet dat een PIJ-maatregel niet noodzakelijk is. Deze omstandigheid doet immers niet af aan de kern van de voormelde adviezen van ForCa en de Raad en het gewicht dat de rechtbank hieraan toekent.

Mede gelet hierop en op voormelde rapporten van de deskundigen zal de rechtbank de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen, nu de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van goederen het opleggen van deze maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

6.4. De benadeelde partijen

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van feit 1 (parketnummer 16/512452-09) heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] ad € 2.272,18, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van feit 2 (parketnummer 16/512452-09) heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] tot een bedrag van € 19.50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van feit 1 (parketnummer 16/511675-10) heeft de officier van justitie toewijzing gevorderd van de gehele vordering van de benadeelde partij [aangever 3] ad € 475,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op grond van zijn pleidooi tot integrale vrijspraak primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen. Subsidiair, voor het geval dat verdachte mocht worden veroordeeld, heeft hij als volgt betoogd.

Met betrekking tot de vordering van [aangever 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade te hoog is begroot. De gevorderde advocaatkosten acht hij niet-toewijsbaar aangezien de benadeelde partij ook – gratis – via slachtofferhulp tot eenzelfde resultaat had kunnen komen. De vordering van de overige schade, met betrekking tot de ruit en de simkaart, acht hij reëel.

De vordering van [aangever 2] acht de raadsman toewijsbaar.

Van de vordering van [aangever 3] acht de raadsman het immateriële gedeelte niet toewijsbaar omdat naar zijn mening voor deze schadepost geen wettelijke grondslag bestaat. Met name kan niet worden gezegd dat [aangever 3] door de inbraak naar de daarvoor door artikel 106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek gestelde maatstaf in haar persoon is aangetast, aldus de raadsman. Het overige gedeelte van de vordering acht hij reëel.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vorderding van benadeelde partij [aangever 1], voor zover bestaande uit

€ 614,50 materiële schade en € 1.000,- immateriële schade, is de rechtbank van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank is van oordeel dat ook het feit dat benadeelde partij [aangever 1] rechtsbijstand heeft gezocht van een advocaat, het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit. De gevorderde advocaatkosten ad € 557,68 zal de rechtbank echter matigen aangezien op de benadeelde de verplichting rust om de schade zoveel mogelijk te beperken. De door de benadeelde partij [aangever 1] gevorderde advocaatkosten zullen conform de Aanbevelingen werkgroep Terwee (nr. 19) worden begroot en toegewezen aan de hand van het kantonliquidatietarief: 1 punt ad € 150,-, met afwijzing van het meer gevorderde. De rechtbank zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.864,50.

Ten aanzien van de vorderding van benadeelde partij [aangever 2] zal de rechtbank de vordering tot een bedrag van € 19,50 toewijzen voor de portemonnee en het gestolen geld, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank is van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en dat verdachte aansprakelijk is voor die schade. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering nu de betreffende schade niet voldoende aannemelijk is gemaakt.

Ten aanzien van de vorderding van benadeelde partij [aangever 3] overweegt de rechtbank als volgt. Ter zitting heeft de benadeelde [aangever 3] de schade die zij op het voegingsformulier als als “immateriële schade” heeft aangeduid (€ 250), nader onderbouwd. Uit deze onderbouwing is gebleken dat het hierbij gaat om uren die zij heeft moeten investeren om door de diefstal van de laptop verloren gegane bestanden, opnieuw aan te maken. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hierbij om materiële schade, die benadeelde partij [aangever 3] ter zitting voldoende aannemelijk heeft gemaakt en die ook het rechtstreekse gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Het gevorderde eigen risico glasschade (€ 250) is om dezelfde redenen toewijsbaar, evenals de gevorderde wettelijke rente.

Aangezien verdachte ten tijde van het plegen van de feiten de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel niet opleggen.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 16/602669-07.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 29 september 2008 is verdachte veroordeeld tot onder meer jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Bij vonnis van 12 juni 2009 heeft de kinderrechter in deze rechtbank genoemde vordering deels ten uitvoer gelegd. De kinderrechter heeft 1 maand jeugddetentie ten uitvoer gelegd en deze omgezet in een werkstraf van 60 uur.

De proeftijd is ingegaan op 14 oktober 2008.

De officier van justitie vordert thans dat de tenuitvoerlegging van genoemde thans nog resterende voorwaardelijke gevangenisstraf wordt gelast.

De rechtbank is van oordeel, dat gelet op de omstandigheid dat verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal worden opgelegd, de tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijke jeugddetentie geen meerwaarde heeft.

De vordering zal om die reden worden afgewezen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 310, 311en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 2 ten laste gelegde feit onder parketnummer 16/511675-10 heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde overigens bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1(parketnummer 16/512452-09): Diefstal in vereniging waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 2 (parketnummer 16/512452-09): Diefstal in vereniging voorafgegaan door en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te verbereiden en gemakkelijk te maken;

Feit 1 (parketnummer 16/511675-10): : Diefstal in vereniging waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 144 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie;

Maatregel

- beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging;

Benadeelde partijen

- veroordeelt ten aanzien van het onder 1 (parketnummer 16/512452-09) bewezen verklaarde de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1], wonende te Utrecht, van een bedrag van

€ 1.864,50 (zegge: achttienhonderd vierenzestig euro en vijftig eurocent), hoofdelijk met zijn mededader, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- wijst af het anders of meer gevorderde;

- veroordeelt ten aanzien van het onder 2 (parketnummer 16/512452-09) bewezen verklaarde de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 19,50 (zegge: negentien euro en vijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2009 tot aan de dag van algehele voldoening, hoofdelijk met zijn mededaders, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededaders betalen, verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd;

- verklaart de benadeelde partij [aangever 2] voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering;

- veroordeelt ten aanzien van het onder 1 (parketnummer 16/511675-10) bewezen verklaarde de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3], wonende te [woonplaats], van een bedrag van € 475,- (zegge: vierhonderdvijfenzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2010 tot aan de dag van algehele voldoening, hoofdelijk met zijn mededader, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt, verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd;

Dit vonnis is gewezen door mr. L.E. Verschoor-Bergsma, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.P. Killian en mr. J.W. Frieling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.C. Monincx, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 juli 2010.

Mrs. J.P. Kilian en J.W. Frieling zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.