Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5809

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
257477 / HA ZA 08-2258
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht, bestaan overeenkomst aantonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

257477 / HA ZA 08-225811 augustus 2010

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 257477 / HA ZA 08-2258

Vonnis van 11 augustus 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente [woonplaats]

eiser,

advocaat mr. J.P. van Maurik te Nieuwegein,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M. Gruiters te Nieuwegein.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 9 september 2009

het deskundigenbericht

de conclusie na deskundigenbericht van [eiser]

de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen reeds is overwogen en beslist in voornoemd tussenvonnis.

2.2 Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank de heer drs. P.L. Zevenbergen als deskundige benoemd en zijn aan hem de volgende vragen voorgelegd:

1. Is naar uw oordeel de handtekening op het document afkomstig van [gedaagde]?

2. Met welke mate van waarschijnlijkheid kan daarover een uitspraak worden gedaan?

3. Kunt u uiteenzetten hoe u tot uw antwoorden op vraag 1 en 2 bent gekomen?

4. Ziet u overigens nog aanleiding tot het plaatsen van opmerkingen die u vanuit uw expertise voor een juist oordeel over deze kwestie van belang acht?

2.3 In het deskundigenrapport, dat op 16 februari 2010 ter griffie is gedeponeerd, concludeert de deskundige dat de handtekening op het document niet als een echte handtekening van [gedaagde] kan worden aangemerkt.

Onder punt 10 van het rapport overweegt de deskundige verder dat er door hem geen uitspraak kan worden gedaan omtrent het auteursschap van de niet-echte handtekening. De deskundige licht toe dat indien kan worden vastgesteld dat zekere details in een niet-echte handtekening zich op statistisch significante wijze als equivalent eveneens voordoen in representatief vergelijkingsmateriaal, dat dan een schrijversidentificatie kan worden verwacht. De onderhavige niet-echte handtekening bestaat echter uit een 'verzonnen, abstracte krabbel', zodat de kans dat daarin bepaalde details in voldoende mate kunnen worden teruggevonden in representatief vergelijkingsmateriaal, praktisch uitgesloten is. De deskundige merkt op dat het niet onwaarschijnlijk is dat de producent van de handtekening dezelfde persoon is als degene die op het document de aantekeningen boven de naam [gedaagde] en de plaatsnaam [woonplaats] heeft geschreven en dat de deskundige zou kunnen onderzoeken of [gedaagde] dat handschrift heeft geproduceerd. Dat onderzoek zou er echter slechts toe kunnen leiden dat er een relatie kan worden gelegd tussen het document en [gedaagde], maar op basis van dit onderzoek zal niet met zekerheid vastgesteld kunnen worden dat [gedaagde] de niet-echt handtekening heeft geproduceerd. De deskundige heeft wel aan partijen voorgesteld om het handschrift van [gedaagde] bij het onderzoek te betrekken, maar [gedaagde] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, op grond waarvan de deskundige het handschrift niet in zijn onderzoek heeft betrokken.

2.4 Beide partijen hebben zich bij conclusie na deskundigenbericht uitgelaten over het deskundigenrapport. Zowel [eiser] als [gedaagde] heeft gesteld zich met de inhoud van het rapport te kunnen verenigen.

2.5 De rechtbank overweegt dat op basis van de conclusie in het deskundigenrapport kan worden vastgesteld dat de handtekening op het document niet als een echte handtekening van [gedaagde] kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat [eiser] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat de ondertekening van het document waarin de overeenkomst volgens [eiser] is neergelegd, door [gedaagde] is verricht. Nu het document ingevolge artikel 159 lid 2 Rv geen dwingend bewijs tegen [gedaagde] oplevert zal [eiser] het bestaan van de overeenkomst op een andere manier dienen te bewijzen. Bij tussenvonnis van 1 juli 2009 heeft de rechtbank immers bepaald dat [eiser] conform de hoofdregel van artikel 150 Rv het bestaan van de overeenkomst dient te bewijzen nu hij zich op het rechtsgevolg dat voortkomt uit de overeenkomst beroept en [gedaagde] het bestaan van de overeenkomst gemotiveerd betwist.

2.6 Anders dan [eiser] bij conclusie na deskundigenbericht stelt levert de weigering van [gedaagde] om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn handschrift geen reden op om de bewijslast om te keren. Uit hetgeen de deskundige onder punt 10 van het deskundigenrapport opmerkt kan naar het oordeel van de rechtbank namelijk geconcludeerd worden, dat het niet mogelijk is om door middel van een deskundigenonderzoek met enige mate van waarschijnlijkheid te beoordelen of de handtekening op het document door [gedaagde] is verricht. Gezien de bevindingen in het deskundigenrapport, zoals weergegeven in rechtsoverweging 2.3 houdt de stelling van [eiser], dat de deskundige door de weigering van [gedaagde] om mee te werken aan een onderzoek naar zijn handschrift, niet heeft kunnen vaststellen of de niet-echte handtekening op het document al dan niet door [gedaagde] is geproduceerd, geen stand. Indien [gedaagde] deze medewerking wel had verleend had de deskundige ook niet vast kunnen stellen of de handtekening op het document van [gedaagde] afkomstig is. Aan de weigering van [gedaagde] om medewerking aan een onderzoek naar zijn handschrift te verlenen dienen dan ook geen consequenties te worden verbonden

2.7 Het beroep van [eiser] op artikel 158 Rv en de daaraan door hem verbonden conclusie dat de weigering van [gedaagde] om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn handschrift reden geeft om de bewijslast om te laten keren slaagt evenmin. In zijn conclusie na deskundigenbericht stelt [eiser] dat in artikel 158 Rv is bepaald dat indien een onderhandse akte, die strekt tot de voldoening van een geldsom, geheel met de hand is geschreven, dan wel een goedschrift bevat, ingevolge artikel 158 jo artikel 157 lid 2 Rv dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. Indien de deskundige in de gelegenheid zou zijn gesteld om vast te stellen dat het handschrift van de akte afkomstig is van [gedaagde], dan zou [eiser] het dwingende bewijs hebben geleverd van de verklaring van [gedaagde]. Door geen medewerking te verlenen aan het onderzoek naar het handschrift moet de bewijslast worden omgekeerd en is het volgens [eiser] aan [gedaagde] om te bewijzen dat hij de handgeschreven verklaring niet heeft geschreven. Naar het oordeel van de rechtbank miskent [eiser] met deze stellingname echter dat ook een met de hand geschreven schuldbekentenis een ondertekening dient te bevatten die afkomstig moet zijn van degene tegen wie de schuldbekentenis wordt ingeroepen. Artikel 158 Rv poogt degenen te beschermen die ondoordacht schuldbekentenissen of blanco stukken tekenen. Dat een schuldbekentenis handgeschreven moet zijn of een goedschrift moet bevatten is een aanvullende eis om als dwingend bewijs te kunnen dienen. Indien vastgesteld kan worden dat [gedaagde] de aantekeningen op het document heeft geschreven dan kan, gezien de bevindingen in het deskundigenrapport, zoals weergegeven in overwegingen in 2.3, nog steeds niet vastgesteld worden dat de handtekening op het document van [gedaagde] afkomstig is. In de weigering van [gedaagde] om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn handschrift ziet de rechtbank ook op deze grond geen reden de bewijslast om te keren.

2.8 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 juli 2009 in rechtsoverweging 5.7 bepaald dat indien [eiser] – naast zijn beroep op het document – door middel van het doen horen van getuigen of anderszins bewijs van zijn stelling wenst te leveren, dat hij daar bij conclusie na deskundigenbericht om kan verzoeken. [eiser] heeft hierom in zijn conclusie na deskundigenbericht verzocht. Nu [eiser] er niet in is geslaagd om te bewijzen dat [gedaagde] het document heeft ondertekend, zal de rechtbank hem opdragen om door middel van het doen horen van getuigen of anderszins het bestaan van de overeenkomst te bewijzen.

2.9 Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, dienen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank te worden opgegeven.

2.10 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

2. De beslissing

De rechtbank

2.1. draagt [eiser] op te bewijzen dat tussen [eiser] en [gedaagde] een overeenkomst is gesloten zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.1 in het tussenvonnis van 1 juli 2009,

2.2. bepaalt dat, indien [eiser] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. E.A. Messer in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op 14 oktober 2010 van 13:00 tot 17:00 uur,

2.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank - ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

2.4. bepaalt dat [eiser], indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en / of door een ander bewijsmiddel, hij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank -  ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven; in dat geval zal het getuigenverhoor geen doorgang vinden en zal de zaak naar een nader te bepalen rolzitting worden verwezen voor het nemen van een akte met dit doel door [eiser],

2.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

2.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Messer en in het openbaar uitgesproken op

11 augustus 2010. JL