Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5792

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
16-600479-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit voor o.a. vernieling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600479-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1984] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in PI Utrecht – Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 augustus 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn gewijzigd op vordering van de officier van justitie overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De vordering wijziging tenlastelegging is als bijlage II aan het vonnis gehecht.

De verdenking komt er, na de wijziging tenlastelegging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: in of omstreeks de periode van 12 februari tot en met 22 februari 2010 in een woning aan de [adres] heeft ingebroken.

Feit 1 subsidiair: in of omstreeks de periode van 12 februari tot en met 22 februari 2010 van een woning aan de [adres] een ruit heeft ingeslagen.

Feit 2: in of omstreeks de periode van 12 maart tot en met 22 maart 2010 in een berging van een woning aan de [adres] heeft ingebroken.

Feit 3: in of omstreeks de periode van 26 maart tot en met 28 maart 2010 in een woning aan de [adres] heeft ingebroken.

Feit 4: in of omstreeks 14 april in een berging van een woning aan de [adres] heeft ingebroken.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 4 begaan heeft en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte en de aangiften. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten onder 1 primair en 3 heeft begaan en verzoekt de rechtbank verdachte hiervan vrij te spreken.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte sluit zich aan bij het standpunt van de officier van justitie.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht evenals de officier van justitie en de raadsman niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 1 primair en feit 3 heeft begaan en zal hem van deze feiten vrijspreken.

De rechtbank acht feit 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

17 augustus 2010;

- de aangifte van [aangever 1] d.d. 22 februari 2010.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

17 augustus 2010;

- de aangifte van [aangever 2] d.d. 27 maart 2010.

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van

17 augustus 2010;

- de aangifte van [aangever 3] d.d. 14 april 2010.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

subsidiair

in de periode van 12 februari 2010 tot en met 22 februari 2010 te IJsselstein, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan de IJsselsteinse woningbouwvereniging heeft vernield door met een steen tegen die ruit te slaan;

2.

in de periode van 12 maart 2010 tot en met 22 maart 2010 te IJsselstein met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit de berging behorende bij een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen

-een tunerversterker (merk Marantz) en

-een dvd-speler (merk Marantz) en

-geluid boxen (merk JBL) en

-dvd's en

-videobanden,

toebehorende aan [aangever 2] en/of [aangever 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak op de deur van de berging;

4.

op 14 april 2010 te IJsselstein, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit de berging horende bij een woning (gelegen aan de [adres]) heeft weggenomen

-een hoeveelheid duikbenodigdheden en

-een hoeveelheid tennisartikelen en/of

-een ophangsysteem voor de tv en/of

-een hoeveelheid schoenen en/of

-een hoeveelheid (boor)gereedschap en/of

-een hoeveelheid drank en/of

-een hoeveelheid kleding en/of

-een USB-stick,

geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 3] en/of [aangever 3], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak op (het slot van) de deur van de berging;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 subsidiair: Vernieling.

Feit 2 en 4: Telkens diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeven maanden.

Daarnaast merkt de officier van justitie op dat zij tevens rekening houdt met het ad informandum gevoegde feit.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman voert aan dat de door de officier van justitie gevorderde straf veel te hoog is. De raadsman verzoekt de rechtbank een straf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf gelijk is aan de duur van de voorlopige hechtenis.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere inbraken.

Het spreekt voor zich dat de door deze feiten ontstane materiële schade groot is geweest. Niet alleen werden uit die bergingen goederen weggenomen, maar daarbij werden de deuren ook beschadigd. De slachtoffers hebben van deze inbraken ergernis en ongemak ondervonden. Tevens neemt de rechtbank het verdachte zeer kwalijk dat hij inbreekt bij buren die in hetzelfde appartementencomplex wonen waar ook verdachte zelf woonde. Het vertrouwen dat de medebewoners in elkaar behoren te hebben wordt hierdoor ernstig geschaad.

Wat betreft de persoon van de verdachte, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Volgens het Justitiële Uittreksel Documentatieregister d.d. 30 juni 2010 is verdachte reeds vele malen eerder veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten. Tevens blijkt dat eerdere hulpverleningstrajecten niet het beoogde effect hebben gehad en dat verdachte vaker is teruggevallen in hetzelfde patroon.

Gezien verdachtes proceshouding waarin hij ruimhartig openheid van zaken heeft gegeven en waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard, heeft de rechtbank de indruk dat er bij verdachte sprake is van oprecht berouw. Verdachte lijkt de ernst van zijn problemen in te zien.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van zeven maanden de enige remedie is om, in ieder geval gedurende de periode dat verdachte gedetineerd is, de maatschappij te beschermen tegen de overlast en schade die door verdachte wordt veroorzaakt. De rechtbank beoogt daarmee tevens verdachte te doen inzien dat het nu echt tijd is zijn gedrag te veranderen en werk te maken van zijn resocialisatie.

De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten drie maanden voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door Reclassering Nederland mogelijk. Aannemelijk is immers, dat verdachte zonder hulp niet goed in staat is zijn leven een andere wending te geven.

6.4. Het ad informandum gevoegde

De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met het volgende door verdachte bekende en ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feit:

- 600479-10: Diefstal, in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 oktober 2009, [adres] te IJsselstein.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde], namens [bedrijf 1], vordert een schadevergoeding van € 330,- voor de feiten 2, 3 en 4.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de schade door een of meer van de bewezenverklaarde feiten rechtstreeks is toegebracht. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57 310, 350 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1 subsidiair: Vernieling.

Feit 2 en 4: Telkens, diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarde;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde], namens [bedrijf 1],

niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. Kruijff-Bronsing, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Groot-Smits, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 augustus 2010.