Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5787

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-09-2010
Datum publicatie
02-09-2010
Zaaknummer
259533 / HA ZA 08-2539
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Vaststellen sterfdatum. Overlijdensakte vormt dwingend bewijs voor datum lijkvinding, maar niet voor sterfdatum van de overledene. Onwaardig te erven? Geen van de in artikel 4:3 lid 1 BW genoemde omstandigheden doet zich voor. Geen sprake van zodanig handelen dat het voor het rechtsevoel onaavaardbaar is om betrokkene als erfgenaam toe te laten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/132
JIN 2010/801
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 259533 / HA ZA 08-2539

Vonnis van 1 september 2010

in de zaak van

[eiser] q.q.

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger optredend voor zijn zoon,

[A]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. T.A.D. Luijten te Utrecht,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Kruyswijk te Alkmaar,

2. [gedaagde sub 2] q.q.

in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger optredend voor zijn zoon,

[B],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 april 2009,

- het proces-verbaal van comparitie van 1 oktober 2009,

- de akte na comparitie van [eiser],

- de akte na comparitie van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [C] (hierna: [[B] Uit dit huwelijk is [B] (hierna: [B]) geboren.

2.2. [A] (hierna: [A]) is de zoon van [C] uit haar eerdere huwelijk met [eiser] (hierna: [eiser]).

2.3. [C] heeft in haar testament van 4 februari 2000 tot enig erfgenamen benoemd:

“ieder voor een gelijk deel, mijn echtgenoot en mijn kinderen (…)” Het testament van [C] bevat de volgende ouderlijke boedelverdeling:

B. Ouderlijke boedelverdeling

(…)

1. Ik deel toe aan mijn echtgenoot: alle goederen die tot mijn nalatenschap zullen blijken te behoren, zulks onder de verplichting voor hem om:

a. voor zijn rekening te nemen en als eigen schuld te voldoen: alle schulden die ten laste van mijn nalatenschap zullen blijken te bestaan alsmede de kosten van mijn begrafenis of crematie;

b. de door mijn overige erfgenamen uit mijn nalatenschap verschuldigde successierechten alsmede ieders aandeel in de taxatie en boedelkosten voor zijn rekening te nemen;

c. mijn overige erfgenamen voor alle aanspraken van derden deswege te vrijwaren.

2. Door de daardoor plaatshebbende overbedeling zal mijn echtgenoot aan mijn overige erfgenamen schuldig zijn een bedrag gelijk aan de waarde van het erfdeel van de betrokken erfgenaam, berekend in het saldo van mijn nalatenschap en verminderd met ieders aandeel in de kosten van mijn begrafenis of crematie, eventuele taxatie- en of boedelkosten en de ten laste van ieder komende successierechten, voor zover een en ander door mijn echtgenoot is voldaan als sub b. bepaald.

(…)

C. Bepalingen en bedingen

1. De waardering van de goederen van mijn nalatenschap zal moeten geschieden in onderling overleg binnen zes maanden na mijn overlijden en bij gebreke van overeenstemming daaromtrent op de wijze als door de wet is voorgeschreven voor verdeling van gemeenschappen.

2. De schulden van mijn nalatenschap dienen te worden gewaardeerd op de contante waarde daarvan.

3. De sub B.2 bedoelde vorderingen met de daarover verschuldigde rente ten laste van mijn echtgenoot zullen eerst opeisbaar zijn bij zijn overlijden.

(…)

4. Over het bedrag van de vordering(en) is een enkelvoudige rente verschuldigd vanaf de dag van mijn overlijden tot die van de voldoening van het verschuldigde.

Deze rente zal worden berekend tegen een percentage, dat gelijk is aan het percentage als bepaald in artikel 21 lid 8 van de Successiewet 1956 of een daarvoor in de plaats getreden regeling.

(…)

2.4. [C] is in 2001 als vermist bij de politie opgegeven.

2.5. [eiser] is op 12 augustus 2003 door de regiopolitie Zuid-Oost (hierna: de Regiopolitie) gehoord als getuige in het onderzoek naar de vermissing van [C].

2.6. Bij beschikking van [2003] heeft de rechtbank ’s Gravenhage de echtscheiding tussen [gedaagde] en [C] uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op [2004] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.7. Op [2005] is het stoffelijk overschot van [C] gevonden. De ambtenaar van de burgerlijke stand van [woonplaats] heeft op [2005] een overlijdensakte opgesteld en daarin de datum, tijdstip en vindplaats van lijkvinding vermeld.

2.8. [gedaagde] is strafrechtelijk vervolgd voor zijn betrokkenheid bij de dood van [C]. Hem is ten laste gelegd - kort samengevat en voorzover hier van belang - dat hij

- op of omstreeks de periode van 18 januari 2001 tot en met 22 januari 2001 [C] van het leven heeft beroofd en

- in of omstreeks de periode van 18 januari 2001 tot en met 17 januari 2005 het stoffelijk overschot van [C] heeft begraven en/of verborgen met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen. De rechtbank ’s Hertogenbosch heeft bovengenoemde feiten bewezen verklaard. In hoger beroep heeft het Hof ’s Hertogenbosch (hierna: het Hof) bij arrest van 6 april 2007 (LJN: BA2386) niet bewezen verklaard dat [gedaagde] [C] van het leven heeft beroofd en hem van dit ten laste gelegde feit vrijgesproken. Het Hof heeft het ten laste gelegde betreffende het verbergen van het stoffelijk overschot van [C] wel bewezen verklaard en hem hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Het cassatieberoep, ingesteld door de Advocaat Generaal bij het Hof, is verworpen bij arrest van 13 april 2010 (LJN: BL5540).

2.9. Na verkregen toestemming op 31 maart 2006 van de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s Hertogenbosch, heeft [eiser] op 10 april 2006 conservatoir beslag laten leggen op de aan [gedaagde] toebehorende onroerende zaak gelegen te [woonplaats] aan het [adres].

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

I. [gedaagde] te veroordelen tot het verlenen van medewerking teneinde te komen tot vaststelling en waardering van diverse bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap onder andere door het overleggen van justificatoire bescheiden uit zijn administratie, een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 als hij daarmee in gebreke blijft na het te wijzen vonnis;

II. de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bij helfte tussen [gedaagde] en [C] vast te stellen op basis van de vastgestelde omvang en waardering;

III. de scheiding en deling van de nalatenschap van [C] tussen [B] en [A] vast te stellen op basis van de waardering en omvang;

IV. [gedaagde] en [B] te veroordelen bij wege van voorschot te betalen aan [eiser] een bedrag van € 185.000,00, ter zake van hetgeen [A] in ieder geval toekomt uit hoofde van de te scheiden en delen gemeenschappen;

V. [gedaagde] en/of [B] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ad € 1.500,00;

VI. [gedaagde] en/of [B] te veroordelen in de kosten van dit geding. De kosten van beslaglegging daaronder begrepen.

3.2. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] niet gerechtigd is tot de nalatenschap van [C] omdat [gedaagde] op de datum dat de nalatenschap is opengevallen reeds van haar was gescheiden. Onder die omstandigheden was [gedaagde] niet te kwalificeren als echtgenoot in de zin van het testament, zodat hij geen erfgenaam van [C] is. Indien [gedaagde] wel erfgenaam is in de zin van het testament, is hij volgens [eiser] op grond van artikel 4:3 lid 1 Burgerlijk wetboek (BW) onwaardig om enig voordeel uit haar nalatenschap te trekken.

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Alvorens op de inhoud van de zaak in te gaan overweegt de rechtbank het volgende. [gedaagde] q.q. is in deze procedure niet verschenen, omdat hij niet de wettelijk vertegenwoordiger is van [B] en dus niet voor hem in rechte kan optreden.

4.2. [eiser] heeft [gedaagde sub 1] als wettelijk vertegenwoordiger van [B] gedagvaard voor de rechtbank Alkmaar. In die procedure met zaaknummer 114344 HA ZA 09-959 is tegen [gedaagde sub 2] verstek verleend. De rechtbank Alkmaar heeft laatstgenoemde zaak op vordering van [eiser] met toepassing van artikel 220 lid 1 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering verwezen naar de rechtbank Utrecht om te worden gevoegd met de onderhavige zaak. De zaak tussen [eiser] en [gedaagde sub 2] is bij de rechtbank Utrecht geregistreerd onder zaaknummer 281801/ HAZA 10-332.

de datum van overlijden

4.3. De rechtbank overweegt als volgt. Om te bepalen of [gedaagde] kan worden aangemerkt als erfgenaam als bedoeld in het testament dient de vraag te worden beantwoord of hij ten tijde van het openvallen van de erfenis (dus op de datum van het overlijden van [C]) nog met haar gehuwd was. Van belang is dan ook dat vast komt te staan of [C] is overleden vóór inschrijving van de echtscheidingsakte op [2004] of daarna.

4.4. Nu [eiser] zich beroept op het rechtsgevolg dat [gedaagde] op de datum van het openvallen van de nalatenschap geen erfgenaam meer was als bedoeld in het testament, rust op hem de last feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan zijn stelling dat het huwelijk op de sterfdatum van [C] reeds was ontbonden kan komen vast te staan.

4.5. [eiser] stelt dat nu het tijdstip van overlijden onzeker is en slechts onomstotelijk vaststaat dat het stoffelijk overschot van [C] op [2005] is gevonden, alleen deze datum als sterfdatum kan worden aangemerkt.

4.6. [gedaagde] betoogt gemotiveerd dat de sterfdatum van [C] [2001] was. Hij verwijst daartoe naar de tenlasteleggingen in de strafzaak, de bewezenverklaring door het Hof en naar de verklaring die [eiser] op 12 augustus 2003 in de strafzaak heeft afgelegd. Voorts stelt [gedaagde] dat ook de familie van [C] haar sinds januari 2001 niet meer heeft gezien en op haar graf de sterfdatum [2001] heeft vermeld.

4.7. De rechtbank overweegt als volgt. Weliswaar vormt de overlijdensakte waar [eiser] naar verwijst dwingend bewijs, maar dit geldt slechts voor hetgeen in deze akte is opgenomen. Deze akte kan dan ook slechts gelden als bewijs voor het feit dat het stoffelijk overschot van [C] is gevonden op [2005], maar niet voor de stelling van [eiser] dat genoemde datum als sterfdatum moet worden aangemerkt.

4.8. Nu de sterfdatum van [C] niet kan worden opgemaakt uit de hiervoor genoemde overlijdensakte dient [eiser] nadere feiten en omstandigheden te stellen waaruit volgt, indien deze komen vast te staan, dat [C] is overleden na de echtscheiding tussen haar en [gedaagde]. Nu [eiser] dit niet heeft gedaan, zal de rechtbank hem niet toelaten tot bewijslevering van de sterfdatum van [C]. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiser] op 12 augustus 2003 tegenover de Regiopolitie het volgende heeft verklaard:

“ (…) Zoals gezegd informeerde ik regelmatig telefonisch naar het saldo op deze rekening. Zo wist ik dus dat zij voor haar verdwijning, regelmatig geld van deze rekening opnam. Soms meerdere keren per dag. Dat was zowel in de periode dat [C] in [woonplaats] woonde alsook in de periode dat zij in [woonplaats] woonde. Ik bemerkte dat er vanaf 18 januari 2001 geen geld meer van deze rekening werd opgenomen, behalve dan die automatische afschrijving van € 22,-. Mede omdat er niets meer werd opgenomen ben ik toen dus in januari 2001 gestopt met betaling van alimentatie, door geen geld meer te storten op de voornoemde rekening van [C] (…).”

De uit deze verklaring blijkende omstandigheid, dat het tot dan toe regelmatige patroon van geldopname met ingang van 18 januari 2001 plotseling is geëindigd en er in het geheel geen geld meer door [C] werd opgenomen, vormt een sterke aanwijzing voor haar dood omstreeks die datum. Gelet hierop en gelet op de niet bestreden stelling van [gedaagde] dat ook de familie van [C] haar sinds januari 2001 niet meer heeft gezien en op haar graf de sterfdatum [2001] is vermeld, zal de rechtbank ervan uitgaan dat [C] op [2001] is overleden.

4.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] ten tijde van het overlijden van [C] nog met haar was gehuwd, zodat hij haar erfgenaam is.

Onwaardigheid

4.10. [eiser] stelt dat [gedaagde] onwaardig is om van [C] te erven, vanwege alle aan hem toe te rekenen omstandigheden rondom haar dood.

4.11. [gedaagde] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

4.12. De rechtbank overweegt als volgt. De nalatenschap is opengevallen vóór het in werking treden van het nieuwe erfrecht per 1 januari 2003. Op grond van het overgangsrecht (artikel 68a van de Overgangswet nieuw burgerlijk wetboek) is artikel 4:3 BW van toepassing. In dit geval doet geen van de in artikel 4:3 lid 1 BW genoemde voorwaarden voor toepassing van dit artikel zich voor, zodat [gedaagde] niet van rechtswege onwaardig is om uit de nalatenschap voordeel te trekken.

4.13. Onder omstandigheden kan vererving door een erfgenaam echter zo stuitend zijn dat het onaanvaardbaar is voor het rechtsgevoel om hem als erfgenaam toe te laten. [gedaagde] heeft door het verbergen van het stoffelijk overschot eraan bijgedragen dat de naasten van [C] lange tijd in onzekerheid hebben verkeerd omtrent de vraag of zij nog in leven was. Het Hof heeft in zijn arrest van 6 april 2007 overwogen dat [gedaagde] - naar zijn zeggen - geen afstand van [C] kon nemen en haar bij zich wilde houden. Volgens het Hof getuigt dit van egoïsme met voorbijgaan aan de belangen van de naasten van [C]. Dit betreft de belangen van de nabestaanden van [C] en niet de belangen van [C] zelf. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] jegens [C] op dusdanige wijze heeft gehandeld dat het voor het rechtsgevoel onaanvaardbaar is om [gedaagde] als erfgenaam van [C] toe te laten.

4.14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] niet onwaardig is om van [C] te kunnen erven.

de nalatenschap

4.15. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient ten aanzien van de drie erfgenamen [gedaagde], [A] en [B] uitvoering te worden gegeven aan het testament van [C]. Op grond van het testament hebben [B] en [A] vorderingen ter grootte van de waarde van hun erfdeel op [gedaagde]. Ter vaststelling van de hoogte van deze vorderingen dient eerst de omvang en de waarde van de nalatenschap van [C] te worden bepaald.

4.16. Aangezien [gedaagde] en [C] waren gehuwd in gemeenschap van goederen is de nalatenschap van [C] de helft van de huwelijksgoederengemeenschap op de datum van overlijden op [2001]. De rechtbank gaat hiermee voorbij aan de stelling van [eiser], dat alvorens de omvang en de waarde van de nalatenschap kan worden bepaald de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap op de datum van de ontbinding van het huwelijk dient te worden vastgesteld, nu dit standpunt is gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat het huwelijk ten tijde van het overlijden van [C] reeds was ontbonden.

4.17. [eiser] heeft gevorderd dat [gedaagde] meewerkt aan de vaststelling en waardering van de diverse bestanddelen van de nalatenschap door het overleggen van bescheiden uit zijn administratie. [gedaagde] heeft gesteld dat hij daartoe niet in staat is omdat zijn administratie in het kader van het strafrechtelijk onderzoek in beslag is genomen. De rechtbank overweegt dat het strafrechtelijk onderzoek inmiddels is afgerond, zodat [gedaagde] weer over zijn volledige administratie zou moeten kunnen beschikken. In verband daarmee stelt de rechtbank [gedaagde] in de gelegenheid om bij akte nadere stukken over te leggen, voor zover deze noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de omvang en de waarde van de nalatenschap van [C]. [gedaagde] zal daarbij in ieder geval dienen in te gaan op de door [eiser] genoemde spaarrekening nr. [nummer] van [C]. Voor het opleggen van een dwangsom zoals door [eiser] gevorderd ziet de rechtbank vooralsnog geen aanleiding, nu [gedaagde] in de conclusie van antwoord uitdrukkelijk zijn bereidheid tot medewerking naar voren heeft gebracht en er geen gronden zijn om te veronderstellen dat hij deze belofte niet zal nakomen.

4.18. Voor de bepaling van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap zal de rechtbank vooralsnog uitgaan van hetgeen [gedaagde] daarover naar voren heeft gebracht en de door [eiser] genoemde spaarrekening van [C] met nummer [nummer], nu is gesteld noch gebleken dat de huwelijksgoederengemeenschap meer omvat dan de thans door partijen genoemde bestanddelen. Op basis daarvan komt de rechtbank tot de volgende (voorlopige) boedelbeschrijving:

Activa:

Postbank rekeningnummer [nummer] € 447,81 (f. 986,84)

Spaarrekening nr. [nummer] pm

levensverzekering Stad Rotterdam polisnr. [nummer] € 8.618,19 (f.18.992)

woonhuis [adres] te [woonplaats] € 142.941,00

Totaal € 152.007,00 + pm

Passiva

Hypotheekschuld € 145.000,00

Saldo € 7.007,00 + pm

De nalatenschap van [C] is € 3.503,50, (+pm), de helft van dit saldo. Aan ieder van de erfgenamen komt hiervan eenderde toe, dus een bedrag van € 1.167,83 (+ pm).

4.19. Op grond van het bepaalde in artikel B onder 2 van het testament dient ter berekening van de waarde van ieders erfdeel bovengenoemd bedrag van € 1.167,83 (+pm) te worden verminderd met ieders aandeel in de kosten van de begrafenis of crematie van [C], de eventuele taxatie- en of boedelkosten en de ten laste van ieder komende successierechten. De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de genoemde kosten. De vorderingen van [B] en [A] op [gedaagde] zijn gelijk aan de aldus bepaalde waarde van hun erfdeel, te vermeerderen met de rente zoals in artikel C onder punt 4 van het testament is bepaald.

4.20. Nu de vorderingen van [B] en [A] op [gedaagde] op grond van artikel C onder 3 van het testament eerst bij het overlijden van [gedaagde] opeisbaar zijn, dient de vordering van [eiser] tot betaling van een voorschot aan hem te worden afgewezen. Dit nog daargelaten dat op grond van de thans voorhanden stukken de hoogte van de vordering aanmerkelijk minder zal zijn dan het gevorderde voorschot van € 185.000,00.

4.21. Ten aanzien van hetgeen in ?4.17 is overwogen wijst de rechtbank erop dat indien [gedaagde] geen of onvolledige informatie verstrekt en later zou blijken dat hij tot de nalatenschap van [C] behorende goederen opzettelijk heeft verzwegen, zoek heeft gemaakt of verborgen heeft gehouden, [gedaagde] op grond van artikel 3:194 lid 2 BW zijn aandeel in deze goederen verbeurt aan [B] en [A].

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 september 2010 voor het nemen van een akte door [gedaagde] over hetgeen is vermeld onder ?4.17 en de kosten genoemd in ?4.19 waarna [eiser] op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Phaff en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2010.

SM