Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5624

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
276125 / HA ZA 09-2450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldeisersverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/373
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 276125 / HA ZA 09-2450

Vonnis van 7 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J.C. Bolte.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

• het tussenvonnis van 27 januari 2010

• de conclusie van antwoord in reconventie

• het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagden] heeft op 8 juli 2004 met [eiser] een aanneemovereenkomst gesloten, op grond waarvan [gedaagden] een woning voor [eiser] heeft gebouwd. Tijdens de oplevering op 17 mei 2005 werd een aantal gebreken geconstateerd. Zo bleek onder andere het schilderwerk niet deugdelijk uitgevoerd.

2.2. [gedaagden] heeft het schilderwerk opnieuw uit laten voeren. Na inspectie op 15 juni 2005 bleek echter dat het schilderwerk wederom niet deugdelijk was uitgevoerd. In de loop van tijd ontstonden er nieuwe gebreken, zoals roestende hoekprofielen, scheuren in het stucwerk, beschadigingen aan het houtwerk van de raamboompjes en het slot van het toilet werd beschadigd tijdens de werkzaamheden. Partijen hebben in de periode van juni 2005 tot en met december 2008 veelvuldig gesproken en gecorrespondeerd over de wijze waarop en het tijdsbestek waarin de (herstel)werkzaamheden uitgevoerd zouden (kunnen) worden.

2.3. Het buitenschilderwerk zou worden uitgevoerd zodra de weersomstandigheden het toe zouden laten. In juni 2009 hebben partijen gepoogd een datum af te spreken om te starten met het buitenschilderwerk en om de laatste hand te leggen aan de onder 2.2. genoemde werkzaamheden. [gedaagden] heeft bij brief van 12 juni 2009 aan [eiser] laten weten dat zij op 22 juni 2009 kon starten. In verband met zijn vakantie heeft [eiser] daar eerst op 22 juni 2009 op gereageerd met de mededeling dat er op 23 juni 2009 gestart kon worden met de werkzaamheden. Op dat moment had [gedaagden] echter de stukadoor en de schilder al moeten afzeggen. [gedaagden] heeft vervolgens op 24 juni 2009 [eiser] bericht dat zij een nieuwe planning had gemaakt. Op 1 juli 2009 zou de stukadoor kunnen starten en op 6 juli 2009 de schilder. [eiser] heeft daarop op 29 juni 2009 laten weten geen prijs meer te stellen op uitvoering van de werkzaamheden door [gedaagden] omdat hij de aangekondigde werkzaamheden vaag en ongewis vond. In antwoord daarop heeft mr. Bolte op 30 juni 2009 aangegeven dat het om de door [eiser] zelf bij brief van 7 mei 2009 opgegeven werkzaamheden ging. Hierop heeft [eiser] niet meer gereageerd. Op 14 oktober 2009 is de dagvaarding in de onderhavige procedure aan [gedaagden] betekend.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiser] heeft veroordeling van [gedaagden] gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van:

I € 23.704,80 wegens kosten met betrekking tot het schilderwerk en herstelwerkzaamheden, zulks te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag dat [gedaagden] in gebreke is gebleven,

II € 1.250,-- aan buitengerechtelijke incassokosten en

III de proceskosten.

3.2. [gedaagden] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser], althans tot afwijzing van zijn vorderingen, zulks met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.3. [gedaagden] heeft, voor het geval de rechtbank van oordeel is dat [gedaagden] nog tot enige nakomende werkzaamheden is verplicht, in reconventie gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat [gedaagden] daarvan op grond van artikel 6:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bevrijd als gevolg van schuldeisersverzuim van [eiser]. Voorts vordert [gedaagden] [eiser] in reconventie te veroordelen in de proceskosten.

3.4. [eiser] heeft daartegen verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1. Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de voorwaardelijke vordering in reconventie worden deze vorderingen gezamenlijk behandeld.

4.2. [eiser] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hem, krachtens de tussen partijen gesloten aanneemovereenkomst, het recht toekomt om de onder 2.2. genoemde gebreken door derden te laten herstellen op kosten van [gedaagden] [eiser] heeft zich daartoe beroepen op de artikelen 2.3.f en 2.4.e van de technische omschrijving die, naar de rechtbank begrijpt, deel uitmaakt van de aanneemovereenkomst. Subsidiair heeft [eiser] gesteld dat [gedaagden] al sinds 2005 in verzuim is met de nakoming van haar verbintenis tot het herstellen van genoemde gebreken. Meer subsidiair heeft [eiser] gesteld dat [gedaagden] vanaf 23 juni 2009 in verzuim is nu [eiser] op dat moment uit de houding van [gedaagden] heeft afgeleid dat zij niet wilde nakomen.

4.3. [gedaagden] heeft ten verwere aangevoerd dat [eiser] in schuldeisersverzuim is geraakt door zijn weigering mee te werken aan de uitvoering van de laatste werkzaamheden.

4.4. Ten aanzien van het primaire beroep van [eiser] op de artikelen 2.3.f en 2.4.e van de technische omschrijving van de aanneemovereenkomst overweegt de rechtbank als volgt.

4.5. Artikel 2.3.f bepaalt, voor zover hier van belang:

“Genoemde gebreken dienen (…) binnen 3 weken na de opneming, dan wel binnen de in het procesverbaal van opneming gestelde periode, door de aannemer deugdelijk te worden verholpen.

Indien na verloop van de genoemde termijn van 3 weken bij de heropneming blijkt dat de genoemde gebreken niet (deugdelijk) zijn verholpen, is de opdrachtgever gemachtigd deze gebreken te laten verhelpen door derden op kosten van de aannemer.

Deze kosten worden bij voorrang voldaan ten laste van het ingehouden bedrag van de zesde termijn en voor zoveel nodig uit de zevende termijn, onverminderd het recht van de opdrachtgever op vergoeding van extra herstelkosten en/of schadevergoeding.”

Artikel 2.4.e bepaalt, voor zover hier van belang:

“Worden bij de heropneming nog wel gebreken vastgesteld, dan blijft de zevende termijn berusten onder de direktie totdat deze gebreken naar het oordeel van de direktie deugdelijk zijn hersteld. Indien de aannemer de gebreken niet binnen 1 maand na de heropneming deugdelijk heeft verholpen, is de opdrachtgever gemachtigd de gebreken door derden te laten verhelpen op kosten van de aannemer.”

4.6. Voorop wordt gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de woning van [eiser] thans nog gebreken vertoont die niet deugdelijk zijn verholpen door [gedaagden] Uitgaande van de hersteltermijnen genoemd in de artikelen 2.3.f en 2.4.e is daarmee in beginsel de bevoegdheid van [eiser] om de gebreken door derden en op kosten van [gedaagden] te laten herstellen, gegeven. De rechtbank kan echter, gezien het partijdebat, niet voorbij gaan aan hetgeen zich tussen partijen heeft afgespeeld in de periode tussen de opneming op 15 juni 2005 en de laatste brief van mr. Bolte van 30 juni 2009. Immers, uit de stellingen van partijen volgt dat zij nieuwe hersteltermijnen zijn overeengekomen en daarmee de inhoud van de aanneemovereenkomst, in het bijzonder de artikelen 2.3.f en 2.4.e van de technische omschrijving, hebben gewijzigd. Zo heeft [eiser] in de dagvaarding onder punt 15 gesteld dat partijen hebben geprobeerd overeenstemming te bereiken over welke gebreken wanneer hersteld zouden kunnen worden. Daarbij heeft [eiser] zich, naar eigen zeggen, steeds welwillend opgesteld en het gros van de voorstellen van [gedaagden] geaccepteerd. [eiser] kan zich derhalve niet langer beroepen op de in de artikelen 2.3.f en 2.4.e genoemde termijnen. Gelet hierop falen zowel de primaire als de subsidiaire grondslag van de vordering van [eiser] in conventie.

4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de rechtbank zich te buigen over de meer subsidiaire grondslag van [eiser]s vordering in conventie. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagden] sinds 23 juni 2009 in verzuim is nu zij in strijd met de afspraak op die datum niet is gestart met de werkzaamheden. [gedaagden] heeft dit gemotiveerd weersproken, stellende dat voornoemde datum niet was overeengekomen, aangezien het haar tijd kostte om opnieuw materiaal en derden in te plannen.

4.8 Anders dan [eiser] is de rechtbank van oordeel, dat de enkele mededeling van [eiser] op 22 juni 2009, dat [gedaagden] een dag later met de werkzaamheden kon beginnen, niet betekent dat daarover overeenstemming tussen partijen is bereikt. Bij gebreke van een afspraak hierover is dan ook geen sprake van het verstrijken van een termijn als bedoeld in artikel 6:83 onder a BW. Het verzuim is dan ook niet uit dien hoofde ingetreden op 23 juni 2009. De stelling van [eiser] dat hij uit de houding van [gedaagden] heeft afgeleid dat zij niet (langer) tot nakoming bereid was, kan hier evenmin tot de conclusie leiden dat [gedaagden] op 23 juni 2009 in verzuim is geraakt. Artikel 6:82, lid 2 BW vereist immers in zo'n geval een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat [eiser] [gedaagden] voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk heeft gesteld. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] dit heeft gedaan.

In conventie

4.9. Nu de feiten en omstandigheden die [eiser] aan zijn vordering in conventie ten grondslag heeft gelegd niet kunnen leiden tot de conclusie dat nakoming door [gedaagden] blijvend onmogelijk is, dan wel dat sprake is van verzuim zijdens [gedaagden], dient de vordering in conventie te worden afgewezen.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] in conventie worden begroot op:

- vast recht EUR 550,00

- salaris advocaat 1.158,00 (2,0 punten x tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 1.708,00

In reconventie

4.11. [gedaagden] heeft in reconventie, voor het geval zij nog tot enige nakomende werkzaamheden zou zijn verplicht, gevorderd dat de rechtbank zal bepalen dat zij daarvan zal zijn bevrijd. Tussen partijen is niet in geschil dat de in productie 10 van [gedaagden] genoemde werkzaamheden nog dienden te worden uitgevoerd door [gedaagden] Met dit gegeven is de voorwaarde die [gedaagden] aan haar reconventionele vordering heeft verbonden vervuld, zodat de rechtbank hierover haar oordeel zal geven.

4.12. Artikel 6:60 BW geeft de rechtbank de bevoegdheid om, indien de schuldeiser in verzuim is met het aanvaarden van de prestatie, op vordering van de schuldenaar te bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn. Voorop wordt gesteld dat [gedaagden] zich niet van haar verbintenis tot het herstellen van de resterende gebreken kan kwijten, zolang [eiser] de stukadoor en schilder niet toelaat in en rond zijn woning en weigert de voor het verrichten van de werkzaamheden nodige aanwijzingen te verschaffen. Daarmee rijst de vraag of het uitblijven van die medewerking door [eiser] in het onderhavige geval tot gevolg heeft dat [eiser] in schuldeisersverzuim is geraakt. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat, gelet op het tijdbestek van ruim vier jaar na de opneming op 15 juni 2005, [eiser] een bijzonder lange adem heeft gehad. Te meer wanneer wordt stil gestaan bij de overlast die de werkzaamheden in de woning, naar [eiser] onweersproken heeft gesteld, met zich hebben gebracht. Echter, zoals onder 4.6. is overwogen zijn partijen nieuwe hersteltermijnen overeengekomen. Dit in samenhang met de overige stellingen van partijen, zoals besproken onder 4.7. en 4.8., heeft tot gevolg dat het beoordelingsmoment waarover de rechtbank zich moet buigen gelegen is in juni 2009.

4.13. [gedaagden] heeft bij brief van 12 juni 2009 voorgesteld om op 22 juni 2009 met de werkzaamheden te starten. [eiser] heeft hier eerst op 22 juni 2009 op gereageerd. Als gevolg van het uitblijven van een reactie heeft [gedaagden] de stukadoor en de schilder die voor 22 juni 2009 waren ingepland, moeten afzeggen. Dit dient voor rekening en risico van [eiser] te worden gebracht. De vakantie van [eiser] vormde immers geen rechtvaardiging van het uitblijven van iedere reactie nu (de advocaat van) [gedaagden] de advocaat van [eiser] had aangeschreven.

4.14. Mr. Bolte heeft vervolgens bij brief van 24 juni 2009 via mr. Duijsens aan [eiser] laten weten dat de stukadoor en schilder respectievelijk op 1 en 6 juli 2009 konden starten met de werkzaamheden. Eerst bij brief van 29 juni 2009 heeft [eiser] laten weten dat hij de aangekondigde werkzaamheden te vaag en ongewis vond en er niet langer prijs op stelde. Hoewel [eiser] daartoe al eerder in de gelegenheid was, heeft hij niet eerder te kennen gegeven dat de aangeboden werkzaamheden niet specifiek genoeg waren. Daar komt bij dat [gedaagden] reeds op 18 december 2008 aan [eiser] had verzocht om een nieuwe oplevering te plannen, teneinde duidelijkheid te krijgen over de nog te verrichten werkzaamheden. Bij brief van 12 mei 2009 heeft [gedaagden] [eiser] andermaal verzocht om opgave van ondermeer het aantal roestende hoekprofielen en de scheuren in het stucwerk. Waar [eiser] dit verzoek tot specificatie heeft afgedaan als chicaneus, stond het hem niet vrij om een maand later zijn medewerking aan de uitvoering van de werkzaamheden te weigeren omdat ze te vaag en ongewis zouden zijn. De brief van mr. Bolte van 30 juni 2009, dat de door [eiser] bij brief van 7 mei 2009 omschreven werkzaamheden zouden worden uitgevoerd heeft [eiser] niet tot medewerking kunnen bewegen. De rechtbank is van oordeel dat gezien voornoemde omstandigheden de weigering van [eiser] om [gedaagden] de werkzaamheden te laten uitvoeren voor rekening van [eiser] dient te blijven.

4.15. Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat de weigering van [eiser] om mee te werken aan de uitvoering van de werkzaamheden, dient te worden aangemerkt als een buiten de schuld van [gedaagden] ontstane en derhalve niet voor haar risico komende verhindering van nakoming. Zolang de weigering van [eiser] om de door [gedaagden] aangeboden nakoming te aanvaarden voortduurt, kan [gedaagden] met een beroep op schuldeisersverzuim de vordering van [eiser] afweren. Nu ter comparitie het standpunt van [eiser] ongewijzigd bleek, zal de rechtbank overeenkomstig de vordering in reconventie bepalen dat [gedaagden] van haar verbintenis tot het verrichten van de nakomende werkzaamheden als bedoeld in rechtsoverweging 4.11. zal zijn bevrijd.

4.16. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:

- salaris advocaat EUR 452,00 (2,0 punt x factor 0,5 x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 452,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 1.708,00,

5.3. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.4. bepaalt dat [gedaagden] is bevrijd van de werkzaamheden als bedoeld in rechtsoverweging 4.11.,

5.5. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op EUR 452,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Karman en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2010.