Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5608

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
270432 / HA ZA 09-1620
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst van opdracht ( bemiddeling). Artikel 7:411 BW: recht op loon bij voortijdige beëindiging. In dit geval geen vol loon, maar wel een redelijk loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 270432 / HA ZA 09-1620

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

h.o.d.n. B&P CONSULTANCY,

wonende te Lunteren,

eiser,

advocaat: mr. S.G. Volbeda,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK SOEST BAARN EEMNES U.A.,

gevestigd en kantoorhoudende te Soest,

gedaagde,

advocaat: mr. M. Cohen.

Partijen zullen hierna [eiser] en Rabobank genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 14 oktober 2009;

het proces-verbaal van comparitie van 11 maart 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser], handelend onder de naam B&P Consultancy, houdt zich onder meer bezig met werving en selectie van personeel.

2.2. In oktober 2008 hebben de heer [A], werkzaam als directeur Private Banking bij Rabobank, en [eiser] mondeling een bemiddelingsovereenkomst gesloten, inhoudende dat [eiser] in opdracht van de Rabobank kandidaten zou gaan werven voor de functies van (Senior) Beleggingsspecialist en (Senior) Accountmanager Private Banking.

2.3. Eind oktober 2008 heeft [eiser] aan Rabobank twee kandidaten voorgedragen voor de functie van (Senior) Beleggingsspecialist, onder wie de heer [B] (hierna: [B]), alsmede twee kandidaten voor de functie van (Senior) Accountmanager Private Banking, onder wie de heer [X] (hierna: [X]). In een e-mail van [eiser] van 22 oktober 2008, waarin hij aan Rabobank een kandidaat voor de functie van (Senior) Beleggingsspecialist voordraagt, staat onder meer:

“Bij aanname van kandidaat is honorarium, dat ik wederom heb aangepast gezien de vriendschappelijke relatie, verschuldigd van 20% over het bruto all-in jaarsalaris.”

2.4. Op 1 december 2008 heeft Rabobank een oriënterend gesprek gevoerd met [X]. Rabobank heeft [X] daarna afgewezen.

2.5. In november en december 2008 heeft Rabobank gesprekken gevoerd met [B]. Bij e-mail van 11 december 2008 heeft [eiser] Rabobank geïnformeerd over de salariswensen van [B]. In deze e-mail staat onder meer:

“(…) Hierbij herhaal ik deze wensen:

Een bruto maandsalaris ad € 6000,00 bruto, 13e maand en vakantiegeld. (…)

Voor zover ik weet geniet hij momenteel een Bruto all-in jaarsalaris van ruim € 80.000,00. Ik vind zijn wensen niet overdreven.”

2.6. De Rabobank heeft [B] op 18 december 2008 een salarisvoorstel van

EUR 5.250,00 bruto gedaan. [B] heeft dit voorstel afgewezen bij e-mail van

19 december 2008. Daarin heeft [B] onder meer geschreven:

“Ik ben best bereid om water bij de wijn te doen, echter het (salaris)voorstel heeft mij doen besluiten om niet in te gaan in een overstap naar de Rabobank.”

Rabobank heeft in reactie daarop op 19 december 2008 een nieuw salarisvoorstel aan [B] gedaan van EUR 5.456,00 bruto. Ook dit voorstel heeft [B] afgewezen. [B] heeft zich vervolgens teruggetrokken uit de sollicitatieprocedure.

2.7. Bij e-mail van 28 december 2008 heeft [eiser] een e-mail van [B] doorgestuurd aan Rabobank. In de e-mail van [B] is onder meer het volgende geschreven:

“Lees mij mails over € 6000 (…) ik was overgekomen bij een bod van 5750,--.”

2.8. Per e-mail van 19 december 2008 heeft [eiser] aan Rabobank bericht dat hij begin januari 2009 een bedrag van EUR 23.820,23 (inclusief BTW) zal facturen voor de door hem verrichte bemiddelingswerkzaamheden betreffende [X] en [B]. [eiser] heeft deze factuur op 1 januari 2009 aan Rabobank verstuurd. Op de factuur is vermeld dat betaald moet worden binnen 10 dagen na factuurdatum. De factuur is onbetaald gebleven.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Rabobank tot betaling van EUR 28.733,44 (inclusief BTW), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke kosten van € 4.310,02 en proceskosten. [eiser] baseert zijn vordering op artikel 7:411 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Volgens [eiser] is het einde van de bemiddelingsovereenkomst aan Rabobank toe te rekenen. Rabobank dient daarom aan hem op grond van artikel 7:411 lid 2 BW het volle loon te betalen.

3.2. Rabobank voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vordering, althans tot afwijzing daarvan. Rabobank voert primair aan dat artikel 7:411 lid 2 BW hier niet van toepassing is omdat partijen een “no cure no pay”-afspraak hebben gemaakt. Subsidiair voert Rabobank aan dat het einde van de overeenkomst niet aan haar is toe te rekenen en dat [eiser] daarom geen recht heeft op het volle loon, maar hoogstens op een redelijk loon in de zin van artikel 7:411 lid 1 BW.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Inleiding

4.1. Kort gezegd twisten partijen over de vraag of Rabobank aan [eiser] loon is verschuldigd voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden en zo ja, welk loon.

4.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Rabobank ingevolge artikel 7:411 lid 2 BW het volle loon dient te betalen. Volgens [eiser] is Rabobank hem ten eerste

EUR 20.645,75 exclusief BTW verschuldigd. Dat is het honorarium voor zijn werkzaamheden met betrekking tot de functie (Senior) Beleggingsspecialist, zijnde 25% van het aan [B] aangeboden bruto all-in jaarsalaris. Daarnaast is Rabobank hem

EUR 3.500,00 exclusief BTW verschuldigd voor zijn werkzaamheden betreffende de functie (Senior) Accountantmanager Private Banking, aldus [eiser]. De omvang van dit bedrag heeft [eiser] in zijn dagvaarding niet onderbouwd. Ter comparitie heeft [eiser] desgevraagd toegelicht dat dit een bedrag coulance is. Gelet daarop en gelet op zijn (subsidiaire) vordering tot betaling van een door de rechtbank te bepalen bedrag (zie rov. 3.1) begrijpt de rechtbank de stellingen van [eiser] aldus dat hij subsidiair zijn vordering grondt op artikel 7:411 lid 1 BW, in die zin dat hij subsidiair een redelijk loon vordert. Rabobank is op deze grond ingegaan in haar conclusie van antwoord (onder 3.12).

4.3. Ten aanzien van het beoordelingskader overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij in oktober 2008 een bemiddelingsovereenkomst zijn aangegaan, inhoudende dat [eiser] in opdracht van Rabobank kandidaten zou gaan werven voor de functies van (Senior) Beleggingsspecialist en (Senior) Accountmanager Private Banking met het uiteindelijke doel om arbeidsovereenkomsten tussen Rabobank en derden tot stand te brengen. Dit is een bemiddelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:625 BW en tevens een gekwalificeerde vorm van de overeenkomst van opdracht. Dat brengt mee dat naast de bepalingen uit afdeling 2 van titel 7 van boek 7 BW, waaronder artikel 7:626 BW, de bepalingen uit afdeling 1 van die titel, waaronder artikel 7:411 BW, van toepassing zijn.

4.4. In artikel 7:626 BW, dat van regelend recht is, is bepaald dat een tussenpersoon recht heeft op loon zodra door zijn bemiddeling de overeenkomst tussen de opdrachtgever en de derde tot stand is gekomen. Dit artikel komt er in andere woorden dus op neer dat - kort gezegd - een “no cure no pay'-afspraak geldt indien partijen geen andersluidende afspraak maken. De rechtbank stelt vast dat partijen in het onderhavige geval geen andersluidende afspraak hebben gemaakt. Dit volgt niet alleen uit de stellingen van Rabobank, maar ook uit die van [eiser]. Zo heeft [eiser] ter comparitie desgevraagd toegelicht dat partijen geen specifieke afspraak hebben gemaakt, inhoudende dat loon verschuldigd is onafhankelijk van de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst. Dit volgt eveneens uit de door [eiser] gestelde grondslag van zijn vordering, artikel 7:411 BW, welk artikel juist (mede) ziet op de situatie waarin het loon afhankelijk is van de volbrenging van de opdracht. Uit het voorgaande volgt reeds dat het loon van [eiser] afhankelijk is van de totstandkoming van de arbeidsovereenkomsten. De discussie tussen partijen over de vraag of partijen expliciet mondeling een “no cure no pay”-afspraak hebben gemaakt, behoeft daarom geen behandeling.

4.5. Artikel 7:411 BW geeft een genuanceerde regeling voor het recht op loon bij voortijdige beëindiging van de opdracht. Daarvan is hier sprake. Vaststaat namelijk dat de bemiddelingsovereenkomst is geëindigd voordat de beoogde arbeidsovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Artikel 7:411 BW is ook van toepassing indien het loon afhankelijk is gesteld van het volbrengen van de opdracht, wat de kern is van een “no cure no pay”-afspraak (zie Hoge Raad 23 mei 2003, LJN: AF4626, rov. 3.5). Het primaire verweer van Rabobank gaat daarom niet op.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank aan de hand van artikel 7:411 BW zal beoordelen of [eiser] recht heeft op loon en zo ja, welk loon. De rechtbank zal daarbij eerst ingaan op de vraag of [eiser] recht heeft op het volle loon.

Volle loon

4.7. In artikel 7:411 lid 2 BW is bepaald dat de opdrachtnemer slechts recht heeft op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Van toerekening in voormelde zin is onder meer sprake indien de overeenkomst door de opdrachtnemer wordt beëindigd vanwege wanprestatie door de opdrachtgever. De rechtbank begrijpt de stellingen van [eiser] aldus dat het einde van de bemiddelingsovereenkomst volgens [eiser] aan Rabobank is toe te rekenen vanwege wanprestatie door Rabobank. Rabobank betwist dit gemotiveerd.

4.8. Vaststaat dat [eiser] de bemiddelingsovereenkomst op 19, althans 20 december 2008 heeft beëindigd. Volgens [eiser] is het einde van de bemiddelingsovereenkomst aan Rabobank toe te rekenen omdat Rabobank nooit de intentie heeft gehad om een arbeidsovereenkomst met [B] aan te gaan en aldus laakbaar en onzorgvuldig heeft gehandeld. Weliswaar stelt [eiser] in zijn dagvaarding ook dat het einde van de bemiddelingsovereenkomst aan Rabobank is toe te rekenen omdat Rabobank “gedurende de gehele duur van de bemiddelingsovereenkomst laakbaar en onzorgvuldig heeft gehandeld”, maar zijn overige stellingen wijzen erop dat de beëindiging (uiteindelijk) te maken had met het terugtrekken van [B] en de handelwijze van Rabobank volgens [eiser] in de sollicitatieprocedure daaraan voorafgaand. De rechtbank verwijst onder meer naar de dagvaarding van [eiser] onder 11 en zijn toelichting ter comparitie. Ook het moment van beëindigen, direct nadat [B] zich had teruggetrokken uit de sollicitatieprocedure op 19 december 2008, wijst daarop.

4.9. Dat Rabobank nooit de intentie heeft gehad om een arbeidsovereenkomst met [B] aan te gaan leidt [eiser] af uit de handelwijze van Rabobank tijdens de sollicitatieprocedure met [B]. Volgens [eiser] was de ononderhandelbare salariseis van [B] aan Rabobank bekend en heeft Rabobank [B] desondanks twee keer een veel lager salaris aangeboden. Over die handelwijze van Rabobank stelt de rechtbank het volgende vast. [B] en Rabobank hebben over het salaris onderhandeld. Rabobank heeft daarbij aan [B] twee maal een salarisvoorstel gedaan, eerst van EUR 5.250,00 en daarna van EUR 5.456,00. Daarmee is [B] niet akkoord gegaan, waarna hij zich uit de sollicitatieprocedure heeft teruggetrokken. Partijen twisten over de vraag welke salariseis [B] bij Rabobank heeft neergelegd. [eiser] stelt dat [B] heeft aangegeven bij een maandsalaris van EUR 6.000,00 over te stappen naar Rabobank, terwijl Rabobank stelt dat [B] heeft aangegeven over te komen bij gelijkblijvende condities, zijnde een maandsalaris van EUR 5.250,00.

4.10. Bij de beoordeling van de vraag of Rabobank nooit de intentie heeft gehad om met [B] een arbeidsovereenkomst te sluiten, kan in het midden blijven welke salariseis [B] bij Rabobank heeft neergelegd. Zelfs indien namelijk vast zou komen te staan dat dit EUR 6.000,00 betrof, zoals [eiser] stelt, kan uit het uiteindelijke salarisvoorstel van Rabobank van EUR 5.456,00 nog niet de conclusie worden getrokken dat Rabobank nooit een dergelijke intentie heeft gehad. Een salarisvoorstel van

EUR 5.456,00 is in de onderhavige omstandigheden niet zo ongebruikelijk (laag) dat deze conclusie reeds daaruit, zonder bijkomende omstandigheden, kan worden getrokken. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar de e-mail van [B] (zie rov. 2.7), waarin hij aangeeft dat hij bij een salarisvoorstel van EUR 5.750,00 was overgekomen. Het verschil met het uiteindelijke salarisvoorstel van Rabobank betrof dus slechts een bedrag van EUR 294,00. Voornoemde bijkomende omstandigheden zijn niet door [eiser] naar voren gebracht en zijn evenmin overigens gebleken. Daarentegen kan uit de omstandigheid dat Rabobank tijd heeft besteed aan de gesprekken met en het doen van salarisvoorstellen aan [B] veeleer worden afgeleid dat Rabobank wel de intentie had om met [B] een arbeidsovereenkomst aan te gaan.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat Rabobank nooit de intentie heeft gehad om met [B] een arbeidsovereenkomst aan te gaan, zoals [eiser] stelt. De stelling van [eiser] dat het einde van de bemiddelingsovereenkomst om die reden aan de Rabobank is toe te rekenen, gaat dus niet op.

4.12. Voor zover [eiser] tevens bedoelt te stellen dat het einde van de bemiddelingsovereenkomst aan Rabobank is toe te rekenen is omdat [B] zich vanwege de te lage salarisvoorstellen van Rabobank, en dus door toedoen van Rabobank, heeft teruggetrokken uit de sollicitatieprocedure, gaat ook die stelling niet op. Van wanprestatie door Rabobank op dat punt is namelijk geen sprake. Niet gesteld of gebleken is immers dat het Rabobank op grond van de bemiddelingsovereenkomst niet vrijstond een volgens haar passend salarisvoorstel te doen. Dat [eiser] (meermalen) anders heeft geadviseerd over de inhoud van het uit te brengen salarisvoorstel (zie rov. 2.5) maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is namelijk dat Rabobank op grond van de bemiddelingsovereenkomst jegens [eiser] gehouden was een dergelijk advies op te volgen. Daarbij komt dat het (uiteindelijke) salarisvoorstel van Rabobank niet ongebruikelijk (laag) is te achten (zie rov. 4.10).

4.13. Uit het voorgaande volgt dat het einde van de bemiddelingsovereenkomst niet aan Rabobank is toe te rekenen. [eiser] heeft reeds daarom geen recht op het volle loon.

Redelijk loon

4.14. [eiser] heeft op grond van artikel 7:411 lid 1 BW wel recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Op grond van dat artikel zal de rechtbank bij de bepaling van dat redelijk loon rekening houden met de reeds door [eiser] verrichte werkzaamheden, het voordeel dat Rabobank daarvan heeft en de grond waarop de bemiddelingsovereenkomst is geëindigd. Overige omstandigheden die voor de bepaling daarvan van belang kunnen zijn, zijn niet gesteld.

4.15. Over de reeds door [eiser] verrichte werkzaamheden overweegt de rechtbank het volgende. [eiser] heeft ter comparitie desgevraagd toegelicht dat zijn werkzaamheden betroffen: het zoeken naar geschikte kandidaten (door [eiser] aangeduid als 'search', welke benaming ook de rechtbank hierna zal hanteren), het houden van voorgesprekken met de kandidaat, het maken van een voordracht en het begeleiden van de kandidaat. Dit heeft de Rabobank als zodanig niet betwist, zodat de rechtbank daarvan uitgaat. Wel heeft Rabobank naar voren gebracht dat de omvang van de werkzaamheden van [eiser] met betrekking tot kandidaat [X] beperkter was in die zin dat in dat kader slechts voorgesprekken, een voordracht en het regelen van afspraken hebben plaatsgevonden. De rechtbank zal echter ook bij [X] (althans in bredere zin, bij de functie van (Senior) Accountmanager Private Banking) uitgaan van search. [eiser] heeft ter comparitie toegelicht dat dit de kern van zijn werk vormt, wat Rabobank niet heeft betwist. Rabobank heeft geen argumenten aangedragen voor de conclusie dat [eiser] ten aanzien van [X] dergelijke werkzaamheden niet heeft verricht. Wel zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheid dat niet is gebleken dat [eiser] met betrekking tot de vacature (Senior) Accountmanager Private Banking na 1 december 2009, het moment dat Rabobank [X] heeft afgewezen, nog werkzaamheden heeft verricht.

4.16. Voorts is van belang vast te stellen of Rabobank voordeel heeft genoten. Zoals reeds uit de tekst van artikel 7:411 lid 1 BW volgt, gaat het daarbij om voordeel dat Rabobank heeft van de door [eiser] verrichte werkzaamheden. Anders dan [eiser] kennelijk meent, is dus niet relevant dat Rabobank niet de door [eiser] verrichte werkzaamheden zelf heeft hoeven te verrichten en dat Rabobank in dat opzicht tijd heeft bespaard. Dat de werkzaamheden door [eiser] enig voordeel in voormelde zin voor Rabobank hebben opgeleverd, is niet gesteld.

4.17. De rechtbank zal, rekening houdende met voorgaande omstandigheden, alsmede met hetgeen de rechtbank over het einde van de bemiddelingsovereenkomst heeft overwogen, in redelijkheid een door Rabobank aan [eiser] te betalen loon vaststellen. De rechtbank zal dit bepalen aan de hand van (telkens) een percentage van het volle loon, dat Rabobank aan [eiser] verschuldigd zou zijn als er arbeidsovereenkomsten met derden tot stand zouden zijn gekomen. Op basis van de stellingen van partijen en de door hen overgelegde stukken gaat de rechtbank uit van een vol loon van EUR 16.517,00 exclusief BTW. Dat is 20% van het aan [B] aangeboden bruto all-in jaarsalaris. De rechtbank gaat uit van 20% omdat, zoals Rabobank terecht heeft aangevoerd, mede uit de correspondentie tussen partijen is af te leiden dat zij dit honorarium hebben afgesproken en niet 25%, zoals [eiser] in deze procedure stelt. De rechtbank verwijst naar de e-mail van [eiser] van 22 oktober 2008, waarin staat dat een honorarium is verschuldigd van 20% over het bruto all-in jaarsalaris. Omdat het aan [X] aangeboden bruto all-in jaarsalaris de rechtbank niet bekend is, zal de rechtbank ook ten aanzien van de vacature (Senior) Accountmanager Private Banking uitgaan van het aan [B] aangeboden bruto all-in jaarsalaris. Op grond van het voorgaande bepaalt de rechtbank in redelijkheid het door Rabobank aan [eiser] te betalen loon voor diens werkzaamheden op respectievelijk 25% (ten aanzien van de vacature (Senior) Beleggingsspecialist) en 10% (ten aanzien van de vacature (Senior) Accountmanager Private Banking) van EUR 16.517,00, zijnde respectievelijk EUR 4.129,25 en EUR 1.651,70 exclusief BTW. In totaal is dat

EUR 5.780,95 exclusief BTW en dus EUR 6.879,33 inclusief BTW.

Slotsom en kosten

4.18. Uit het voorgaande volgt dat Rabobank aan [eiser] een bedrag van

EUR 6.879,33 dient te betalen. De rechtbank zal Rabobank daartoe veroordelen.

4.19. [eiser] heeft wettelijke rente gevorderd vanaf 4 januari 2009 tot de dag van algehele voldoening. [eiser] heeft deze datum niet toegelicht en de rechtbank kan deze datum ook niet afleiden uit de stukken. In de factuur van [eiser] aan Rabobank van

1 januari 2009 staat een betalingstermijn van 10 dagen na factuurdatum vermeld. Daaruit leidt de rechtbank af dat Rabobank vanaf 11 januari 2009 in verzuim is. De rechtbank zal de wettelijke rente vanaf die datum toewijzen.

4.20. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten van EUR 4.310,02 - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - afwijzen. [eiser] heeft namelijk niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.21. Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal daarom de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Rabobank om aan [eiser] te betalen een bedrag van EUR 6.879,33 (zes duizend achthondernegenenzeventig euro en drieëndertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 januari 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H.M. van der Heiden en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2010.