Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5572

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
270351 / HA ZA 09-1606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brand in vrachtwagen, op of bij de plaats waarop na een recall van Volvo werkzaamheden zijn verricht, en waarvoor een tweede recall was uitgevaardigd. Bewijsvermoeden dat brand door een gebrekkig geplaatste "spoiler" in het wiel is ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 270351 / HA ZA 09-1606

Vonnis van 25 augustus 2010

in de zaak van

de naamloze vennootschap

HDI-GERLING VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

advocaat mr. J. Streefkerk te Voorburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] WOERDEN B.V.,

gevestigd te Woerden,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Noort te Utrecht.

Partijen zullen hierna HDI en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 januari 2010;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In de tweede helft van 2004 heeft [gedaagde], een merkdealer van onder meer Volvo, een Volvo vrachtwagen verkocht en geleverd aan [W] B.V. (hierna te noemen: [W]). [W] heeft de vrachtwagen all risk verzekerd bij HDI.

2.2. Op 27 september 2005 heeft Volvo Truck Corporation een recall uitgevaardigd met betrekking tot de spoilereenheid in de sleepasnaaf van vrachtwagens van het type dat door [W] was gekocht bij [gedaagde]. In de recall staat onder meer:

“Uit te voeren

VTC eist dat alle betroffen voertuigen worden teruggeroepen, gecontroleerd en onmiddellijk behandeld.

Oorzaak

Water en vuil kunnen binnendringen in de sleepasnaaf, hetgeen kan leiden tot ernstige beschadigingen aan het naaflager.”

Uit de recall blijkt verder dat voor vrachtwagens met een zelfsturende achteras (zoals de vrachtwagen van [W]) de spoiler met het artikelnummer 20570332 gebruikt moet worden. Aan de vrachtwagen van [W] is de modificatie uitgevoerd op 28 november 2005.

2.3. Op 6 februari 2006 heeft Volvo Truck Corporation een nieuwe, verbeterde recall met betrekking tot de spoiler uitgevaardigd. In de recall staat onder meer:

“On a few number of vehicles with a steering trailing axle, deflector p/n 20570332 can in some cases interfere with the hub. If this happens, use deflector p/n 20772914 instead.”

Deze modificatie is bij de vrachtwagen van [W] niet uitgevoerd.

2.4. Op 9 februari 2006 is brandschade ontstaan aan de vrachtwagen van [W]. De brand is ontstaan bij het linkerachterwiel van de vrachtwagen. HDI heeft de schade die [W] als gevolg daarvan heeft geleden aan [W], respectievelijk aan derden vergoed en is als gevolg daarvan gesubrogeerd in de vorderingsrechten van [W].

2.5. Op 15 februari 2006 heeft HDI [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor alle schade ten gevolge van de brand.

2.6. Op 6 maart 2006 heeft [gedaagde] Volvo Truck & Bus Nederland B.V. onder meer geschreven:

“Bij demontage van de wielnaaf aan de rechterzijde (de zijde waar niet de brand is ontstaan) bleek dat de steenkeerplaat, die op voorschrift van Volvo Truck Corporation gemonteerd werd, heeft aangelopen op de wielnaaf. Bij een latere versie van campagne C0605, van uitgiftedatum 06 februari 2006 version 3, staat inderdaad vermeld dat er een andere type steenkeerplaat (20772914) moet worden gemonteerd bij het aanlopen van deze steenkeerplaat tegen de naaf. Op het moment dat deze informatie ons bereikte was de schade aan het voertuig van cliënt reeds een feit.

Omdat wij de truck verkocht hebben aan de firma [W] B.V. en de Recall C0605 hebben uitgevoerd werden wij via zijn verzekering aansprakelijk gesteld. Wij hebben deze aansprakelijkheid doorgestuurd naar onze verzekering en die heeft deskundige de heer [W] van de firma [X] Verzekeringen gevraagd om eveneens een expertise uit te voeren.

De heer [W] en de heer [Z] hebben vervolgens samen een expertise uitgevoerd en hebben afgesproken om een onafhankelijk A-Brandonderzoeker via de firma I-TEK b.v. te vragen om een expertise uit te voeren en zo alle partijdigheid te voorkomen.

Vandaag op 06 maart 2006 is deze expertise uitgevoerd en alles wijst erop dat de steenkeerplaat van de sleepas als gevolg van een constructieve fout het lager heeft doen beschadigen en vastlopen met als gevolg het in brand raken van de truck.

Hierop vooruit lopend zal de aansprakelijkheid en het regres van de volledige schade naar Volvo Truck en Bus -via onze verzekering [X]- volgen.

Op advies van de deskundigen delen wij u mede dat bovenstaande truck tot en met 10 maart 2006 bij ons bedrijf Autobedrijf [gedaagde] Woerden B.V. [adres] te Woerden aanwezig zal zijn. Na deze datum wordt de truck afgehaald door degene die het restant van deze truck heeft aangekocht, de schade is dermate dat er sprake is van totaal-verlies.

Het lijkt ons zinvol dat u deze zaak zo spoedig mogelijk binnen uw organisatie doorcommuniceert en aanmeld via uw verzekering voor eventuele contra-expertise.

Dat bovengenoemd evenement bij ons een hoge prioriteit heeft mag duidelijk zijn, immers het product Volvo wordt op basis van de uitgevoerde expertise en onderzoeken als oorzaak voor het defect raken van het wiellager en het in brand raken van de truck van onze cliënt aangemerkt.”

De brief is door [gedaagde] in kopie gestuurd aan [B] Expertise, de door HDI ingeschakelde expert.

2.7. Op 8 maart 2006 heeft [B] Expertise een technisch expertiserapport verstuurd met betrekking tot de oorzaak van de brand. In dit rapport is onder meer opgenomen:

“Oorzaak

De brand is veroorzaakt door de hitteontwikkeling in de wielnaaf, fusee en remschijf door het uitlopen van het linkersleepaswielnaaflager. De linkersleepasband is in eerste instantie geklapt hetgeen een eerste gevolg was van de hitteontwikkeling. Na het stopzetten van het voertuig is de rijwindkoeling weggevallen en zijn brandbare delen in de omgeving van de linkersleepaswielnaaf tot ontbranding gekomen. Het uitlopen van het linkersleepasnaaflager is ontstaan doordat vuil in het lager is binnengedrongen nadat de kunststof afdichting door hitte, van het aanlopen van de sleepaswielnaaf tegen de stofplaat, is gesmolten.

Conclusie

De brand is ontstaan bij de wielnaaf van het linker sleepaswiel als gevolg van een uitgelopen sleepasnaaflager. Doordat [gedaagde] een verkeerde stofplaat cq spoiler achter de wielnaaf heeft gemonteerd op 18-11-2005 is schade aan het sleepasnaaflager ontstaan met uiteindelijk het uitlopen van het sleepasnaaflager tot gevolg. Wij achten in deze [gedaagde] aansprakelijk voor de schade. Naar aanleiding van de aansprakelijkstelling heeft [gedaagde] zijn aansprakelijkheid assuradeuren, [C] cq [X], ingeschakeld. Namens [X] is expertise verricht door de heer [W]. Het laatste onderzoek op 06-03-2006 heeft gezamenlijk met de heren [C], [W] en onze heer [Z] plaats gevonden.”

2.8. Op 29 mei 2006 heeft de door Volvo Truck en Bus Nederland B.V. ingeschakelde expert, [Y], een rapport uitgebracht. Daarin staat onder meer:

“Het is aannemelijk dat de brand ter plaatse van de linker wielnaaf is ontstaan door het uitlopen van het wiellager.

De expert optredende namens assuradeuren van wederpartij, alsmede de expert optredende namens casco assuradeuren van de eigenaar, zijn beide van mening dat dit is veroorzaakt door het aanlopen van de, door wederpartij, geplaatste keerplaat tegen het wiellager. Deze zienswijze is voornamelijk gebaseerd op de zware aanloopverschijnselen aan de keerplaat op de linker sleepas en de lichte aanloop verschijnselen zoals gevonden op de keerplaat aan de rechter zijde van de sleepas. Ons lijkt, mede gezien het aantal verreden kilometers sinds de plaatsing van beide platen (135.480 – 112.699 = 22.781 km), dit niet aannemelijk.

Naar onze mening zijn de inloopsporen aan de linker zijde echter een gevolg van het uitlopen van het aslager. Het is aannemelijker dat ook aan de linker zijde een licht aanlopen heeft plaatsgevonden conform de sporen zoals gevonden aan de rechter zijde, welke geen betekenis hebben en niet tot de gevonden schade hebben kunnen geleid. (…)

Voorts verklaarde wederpartij dat zowel bij het installeren van de keerplaten als bij de algemene jaarlijkse inspectie geen bijzonderheden waren vastgesteld. Als de betrokken linker keerplaat na montage (zwaar) had aangelopen had de monteur dit bemerkt tijden het afstellen van de naafmoer, de naaf dient namelijk een aantal malen (met de hand) rondgedraaid te worden. Ook zijn bij beide inspecties (plaatsing platen en jaarlijkse beurt) geen meetbare lagerspelingen geconstateerd of andere bijzonderheden aangetroffen.

Tijdens onze expertise is een oud type keerplaat aan de rechter zijde gemonteerd waarna de naaf met de hand enkele malen is rondgedraaid. Na demontage van deze nieuwe keerplaat waren lichte aanloopvlakken zichtbaar, vergelijkbaar met de aanloopvlakken van de originele rechter plaat. Dit toont aan dat aan de rechterzijde geen noemenswaardige toename heeft plaatsgevonden. Waarom dit aan de linker zijde wel zou zijn gebeurd, zoals de tegenexperts veronderstellen, is ons niet duidelijk. Tenzij zich een evenement heeft voorgedaan waardoor het linker lager is uitgelopen.

Bovenstaande in aanmerking genomen is het meer waarschijnlijk dat in de periode na de uitgevoerde jaarlijkse inspectie, 2 januari 2006, op het moment dat nog een bijzonderheden waren aangetroffen, tot 9 februari 2006 het uitlopen van het linker lager is aangevangen.

Waarschijnlijk is door een externe beschadiging van de lagerafdichting vuil en/of water in het lager kunnen doordringen. Hierdoor is in een betrekkelijk korte tijd een dusdanige conditieverslechtering van het lager opgetreden waardoor, ten gevolge van vervuiling van het smeervet, vervolgens intermetallisch contact tussen de kogellagers en de behuizing van het lager is opgetreden. Hierdoor trad in een betrekkelijk korte tijd een enorme warmte ontwikkeling op waardoor het lager is uitgelopen en vervolgens de brandschade is opgetreden. Door de warmte ontwikkeling zijn ook alle metaaldelen in de onmiddellijke omgeving van het lager uitgezet waardoor de linker keerplaat op dat moment is gaan aanlopen.

Voorts hebben wij van verzekerde vernomen dat inmiddels circa 80 % van de campagne is uitgevoerd en dat, op onderhavig geval na, er geen meldingen zijn binnengekomen met betrekking tot vastgelopen lagers. Dit bevestigt onze mening dat in onderhavig geval een van buitenaf komend onheil de schade heeft geïnitieerd.”

2.9. Op 4 juli en 17 augustus 2006 heeft HDI brieven gestuurd aan [C], de verzekeringstussenpersoon van [gedaagde]. Op 28 augustus 2006 heeft [C] HDI bericht dat zij de beide brieven ter behandeling had doorgestuurd aan [X] en haar heeft gevraagd zo spoedig mogelijk op die brieven te reageren.

2.10. Op 29 augustus 2006 heeft I-TEK een rapport uitgebracht, waarin onder meer is opgenomen:

“Het cassettelager van de naafeenheid, dat aan de linkerzijde van de bestuurbare achteras aangebracht was geweest, is op enig moment tijdens het rijden vastgelopen, waardoor er een dusdanige wrijving in het betreffende lager is ontstaan, dat het geheel roodgloeiend is geworden met de brand als gevolg. Hierbij zijn onder andere het betreffende lager en de aangebrachte spoiler zeer ernstig beschadigd.

Het lager is kennelijk vastgelopen ten gevolge van het feit dat, ondanks het feit, dat de spoiler gemonteerd is geweest, er toch vuil en/of water is binnengedrongen in het cassettelager van de betreffende naafeenheid, waardoor het lager is vastgelopen.

Het is niet aannemelijk, dat het lager is vastgelopen, doordat de naafeenheid op enig moment tegen de spoiler is aangelopen, met warmteontwikkeling tot gevolg. Dit gezien het feit, dat:

• de Volvo na het monteren van de spoilers nog 22.781 km heeft gereden, zonder dat zich problemen voordeden;

• de spoiler, die was gemonteerd aan de linkerzijde van de bestuurbare achteras op een wijze was beschadigd, die duidt op het feit dat het lager is vastgelopen, waarbij het wiel met de naafeenheid enigszins scheef is komen te staan, waardoor de naafeenheid aan de bovenzijde van de spoiler is aangelopen;

• het nog intact zijnde lager van de naafeenheid aan de rechterzijde van de bestuurbare achteras was vervuild en er ter plaatse sprake was van de aanwezigheid van verbrand/verkleurd vet, dat ogenschijnlijk aan hoge temperaturen blootgesteld is geweest en afkomstig is geweest van het lager;

• de nog intact zijnde spoiler weliswaar oppervlakkige aanloopsporen vertoonde, maar dit niet gepaard gegaan is met een ernstige mate van warmteontwikkeling, waardoor het betreffende lager beschadigd is geraakt;

• het “lichte” (oppervlakkige) aanlopen van de naafeenheid tegen de spoiler mogelijk te verklaren is, doordat na de uitgevoerde modificatie, de vrachtauto is beladen. Hierbij komt het wiel enigszins in een andere stand te staan en is niet uit te sluiten, dat daardoor de naafeenheid oppervlakkig tegen de spoiler is aangelopen. Vorenstaande wordt bevestigd door het feit, dat het oppervlakkige aanlopen maar aan één zijde van de spoiler heeft plaatsgevonden.”

2.11. Op 10 oktober 2006 heeft [X] HDI onder meer geschreven:

“Verzekerde voerde de voorgeschreven modificaties op correcte wijze uit. Hij maakte geen fout bij de uitvoering daarvan. Verzekerde is dan ook niet aansprakelijk voor de ontstane schade. U kunt verzekerde niet verwijten dat ij niet, en in strijd met de modificatie-instructies, op eigen initiatief een door Volvo ontworpen en in het verkeer gebrachte constructie niet aanpaste.

Om deze reden is er ook geen dekking voor de geleden schade onder de bij ons gesloten polis.”

2.12. op 1 maart 2007 heeft [B] Expertise in een aanvullend rapport onder meer geschreven:

“Rapportage I-TEK (…)

- Op bladzijde 9 wordt in de 4e alinea gesproken over het ronddraaien van het wiel waarbij eventueel aanlopen hoorbaar is. Volgens de heer [S] zou dit na de montage van het wiel niet het geval zijn geweest. De rapportage van de heer [C] verzuimt echter verslag te doen van hetgeen tijdens het 2e onderzoek bij [gedaagde] Woerden met de heren [V] en [M] heeft plaatsgevonden. Het is namelijk zo dat tijdens dit onderzoek de rechterwielnaaf opnieuw is gemonteerd en is rondgedraaid waarbij het aanlopen duidelijk hoorbaar was terwijl er geen speling op de wielnaaf aanwezig was. Om zeker te zijn dat het aanlopen geen toeval was, is uit het magazijn een nieuwe spoiler gehaald en deze is zonder kit gemonteerd waarna het wiel is gemonteerd en opnieuw is rondgedraaid. Ook met de nieuwe spoiler was er meteen sprake van het aanlopen van de naaf tegen de spoiler. In ons dossier bevinden zich foto’s van de nieuwe spoiler waarop de aanloopsporen, aan de onder- en aan de bovenzijde, duidelijk zichtbaar zijn.

- Op bladzijde 12 wordt aangegeven dat het defect raken van het lager als oorzaak van de brand gezien kan worden. Er wordt geconcludeerd dat het lager is vastgelopen doordat er vuil/water in het lager is binnengedrongen. Deze conclusie is niet juist, ten eerste omdat de heer [C] eerder in zijn rapportage heeft omschreven dat de exacte oorzaak niet is vast te stellen en ten tweede wordt voorbijgegaan aan de mogelijkheid dat er vetuittreding heeft plaats gevonden als gevolg van een verhoogde temperatuur. Met verhoogde temperatuur bedoelen wij niet een temperatuur waarbij het ijzer geblauwd wordt en ook niet de temperatuur waarbij vet zal verbranden maar een temperatuur waarbij de viscositeit van het vet verandert, zodanig dat het vet weg kan stromen door de kleinste openingen. Wij halen dit punt aan omdat uit andere onderzoeken die wij gedaan hebben inzake het vroegtijdig sneuvelen van cassettelagers, het duidelijk is geworden dat een relatief lage temperatuurverhoging al kan leiden tot het uittreden van vet en het uittreden van vet zal op den duur de smerende werking van het vet verminderen waardoor er lagerschade zal ontstaan.

- Bladzijde 12 alinea 7. Dat er na de modificatie 22.781 kilometer is gereden, klopt geheel met ons standpunt dat het enige tijd kost voordat het vet in zodanige mate uit het lager is getreden dat er schade aan het lager kan ontstaan. Zoals bovenstaand omschreven is een ernstige mate van warmteontwikkeling niet noodzakelijk om schade aan een cassettelager te veroorzaken, wel moet er sprake zijn van een grotere warmteontwikkeling in het lager dan onder normale omstandigheden. Een grotere warmteontwikkeling kan al ontstaan door het licht aanlopen van de naaf tegen de spoiler getuige de vetuittreding bij het lager aan de rechterzijde. Verder dient in aanmerking genomen te worden dat het lager aan de rechterzijde nog geen speling vertoont en derhalve nog geen ernstige beschadigingen heeft opgelopen. Het lager aan de linkerzijde is wel defect geraakt hetgeen een duidelijk gevolg kan zijn van het iets zwaarder aanlopen van de naaf op de spoiler.

- Bladzijde 13. Gesteld wordt dat de monteur het aanlopen van de naaf niet heeft gehoord direct na het uitvoeren van de modificatie terwijl hij wel het wiel heeft rondgedraaid. Dit is zeer discutabel omdat tijdens het 2e onderzoek bij [gedaagde] Woerden in het bijzijn van de heren [W], [C], [M], [V] en [Z] duidelijk is waargenomen dat de naaf al meteen na montage aanloopt op zowel de oude spoiler als op een nieuwe spoiler. Het voertuig hoefde daarvoor niet belast te worden.”

2.13. Bij brief van 20 maart 2007 heeft HDI [X] onder meer geschreven:

“Inmiddels zijn wij in het bezit gesteld van een aanvullend expertise rapport. Bijgaand treft u een kopie van het door de expert gemaakte rapport aan.

Op basis van de bevindingen van de expert van [B] Expertise achten wij causaal verband tussen het ontstaan van de brand en de door uw verzekerde uitgevoerde modificatie aangetoond.

Wij verzoeken u alsnog aansprakelijkheid te erkennen en tot vergoeding van de door ons geclaimde schade over te gaan.”

2.14. Bij brief van 19 november 2008 heeft mr. Streefkerk [gedaagde] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 126.945,39.

3. Het geschil

3.1. HDI vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

­ € 46.124,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2006;

­ € 41.846,02, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2006;

­ € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 september 2006;

­ € 5.702,03, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december 2007;

­ € 719,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 december 2007;

­ € 3.350,79, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2006;

­ € 1.075,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 december 2007;

­ € 3.381,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2009;

een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. [gedaagde] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. HDI stelt ter onderbouwing van haar vorderingen dat de door [gedaagde] aan [W] geleverde vrachtwagen niet de eigenschappen bezat die [W] op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten. De vrachtwagen is namelijk binnen korte tijd spontaan in brand gevlogen, terwijl deze steeds op normale wijze is gebruikt en onderhouden. Volgens HDI is de brand ontstaan doordat de door [gedaagde] op 28 november 2005 aangebrachte spoiler te dicht is gemonteerd op de naafeenheid. Als gevolg daarvan is de naafeenheid tijdens het rijden aangelopen tegen de spoiler, wat geleid heeft tot warmteontwikkeling en uiteindelijk tot de brand. Uit het door HDI overgelegde aanvullende rapport van [B] Expertise volgt dat volgens deze expert de verhoogde temperatuur ertoe heeft geleid dat de viscositeit van het vet in het cassettelager is afgenomen en dit vet uit het cassettelager is getreden. De smerende werking van dit vet is zodoende verminderd, waardoor uiteindelijk de brand is ontstaan. De spoiler is weliswaar eerst na de levering van de vrachtwagen toegevoegd, doch het wiellager is van meet af aan ondeugdelijk geweest. Daarom heeft Volvo ook een recall uitgeschreven. Fouten bij het uitvoeren van die recall zijn daarom een gevolg van de oorspronkelijke non-conformiteit, aldus HDI. Subsidiair beroept HDI zich op wanprestatie aan de zijde van [gedaagde] bij de montage van de spoilers.

Verjaring

4.2. [gedaagde] stelt allereerst dat de vorderingen van HDI zijn verjaard. HDI heeft [gedaagde] namelijk op 15 februari 2006 aansprakelijk gesteld. De verjaring is vervolgens voor het eerst gestuit door de brief van de raadsman van HDI van 19 november 2008. Op dat moment was de verjaringstermijn van twee jaar, genoemd in artikel 7:23 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verlopen. Volgens [gedaagde] is de verjaring niet gestuit door de onder ?2.12 geciteerde brief van 20 maart 2007, allereerst omdat deze brief geen mededeling bevat waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt, en daarnaast omdat de brief niet aan [gedaagde] is gestuurd, maar aan haar verzekeraar [X].

4.3. Ingevolge artikel 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 24 november 2006 (NJ 2006/642) moet het daarbij gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren.

4.4. In de brief van 20 maart 2007 wordt verzocht aansprakelijkheid te erkennen en tot vergoeding van de geclaimde schade over te gaan. In de periode tussen de aansprakelijkstelling (15 februari 2006) en 20 maart 2007 is tussen partijen over de onderhavige schade gecorrespondeerd. Bovendien zijn in opdracht van beide partijen rapporten opgesteld door deskundigen. De rechtbank is van oordeel dat de brief van 20 maart 2007 in het licht hiervan en mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen andere uitleg toelaat dan dat HDI zich daarin ondubbelzinnig haar recht op nakoming heeft voorbehouden als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW en de verjaring daarmee dus in beginsel gestuit is.

4.5. Uit de overgelegde brieven en het onder ?2.7 geciteerde rapport van [B] Expertise leidt de rechtbank voorts af dat [gedaagde] – nadat zij op 15 februari 2006 door HDI aansprakelijk was gesteld – de verdere correspondentie over de afhandeling van de schade heeft laten voeren door haar verzekeringstussenpersoon [C] respectievelijk verzekeringsmaatschappij [X]. Zo schreef [gedaagde] aan Volvo Truck en Bus Nederland B.V. dat zij de aansprakelijkstelling en het regres (op Volvo Truck en Bus Nederland B.V.) door [X] zou laten plaatsvinden. Verder is de nadere correspondentie tussen HDI en [gedaagde] gevoerd via [gedaagde]’s assurantietussenpersoon [C], die op 28 augustus 2006 heeft aangegeven dat zij [X] had gevraagd zo spoedig mogelijk te reageren. De reactie van [X] van 10 oktober 2006 duidt er verder op dat [X] (mede) namens [gedaagde] aansprakelijkheid afwijst. [X] verwijst immers naar het rapport van I-TEK en schrijft dat [gedaagde] niet aansprakelijk is voor de ontstane schade nu zij de voorgeschreven modificaties correct heeft uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] – door op deze wijze de afwikkeling van de aansprakelijkstelling aan haar verzekeringstussenpersoon/verzekeraar over te laten – tegenover HDI de schijn heeft gewekt dat [X] bevoegd was [gedaagde] met betrekking tot de aansprakelijkstelling te vertegenwoordigen. Voor zover [X] niet bevoegd was [gedaagde] te vertegenwoordigen, kan [gedaagde] dit HDI daarom niet tegenwerpen. Dit leidt tot de conclusie dat de verjaring van de vordering van HDI is gestuit door de brief van 20 maart 2007 aan [X].

Erkenning

4.6. HDI stelt dat [gedaagde] in haar brief van 6 maart 2006 aan Volvo Truck en Bus Nederland B.V. heeft erkend aansprakelijk te zijn jegens HDI. HDI stelt zich – zo begrijpt de rechtbank – hierop te kunnen beroepen omdat [gedaagde] een afschrift van de brief heeft gestuurd aan [B] Expertise, de door HDI ingeschakelde expert.

4.7. De rechtbank volgt HDI niet in deze redenering. Uit de onder ?2.6 geciteerde inhoud van de brief van 6 maart 2006 volgt dat [gedaagde] Volvo Truck en Bus Nederland B.V. op de hoogte heeft gesteld van het voorval en van de uitkomsten van de onderzoeken die op dat moment hadden plaatsgevonden. Verder heeft [gedaagde] Volvo Truck en Bus Nederland B.V. er op gewezen dat het restant van de truck nog maar korte tijd op het bedrijfsterrein van [gedaagde] aanwezig zou zijn. In haar brief noemt [gedaagde] de mogelijkheid voor Volvo Truck en Bus Nederland B.V. om contra-expertise te laten uitvoeren. Verder is in de brief geen aansprakelijkheid erkend, terwijl de brief bovendien niet direct aan HDI is gestuurd. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de brief niet kan worden gezien als een erkenning van aansprakelijkheid van [gedaagde] jegens HDI.

Non-conformiteit

4.8. [gedaagde] betwist dat sprake is van non-conformiteit. Volgens haar bevatten de verschillende rapportages geen indicatie dat de brand is ontstaan als gevolg van het feit dat de vrachtwagen niet de eigenschappen bezat die mochten worden verwacht. Veeleer volgt uit de rapporten dat de schade is ontstaan als gevolg van een van buiten komende oorzaak. Bij de inspectie op 28 november 2005 is immers geen beschadiging van het lager aangetroffen. Vanaf die datum was het lager afgeschermd door de aangebrachte spoiler. Bij een inspectie op 2 januari 2006 is voorts geen beschadiging, noch het binnendringen van vuil en/of water aangetroffen. Volgens [gedaagde] moet daarom sprake zijn van een externe beschadiging, bijvoorbeeld doordat hooi of stro op de lagerafdichting is gevallen, op de lagerafdichting is blijven hangen en door wrijving daar vlam gevat heeft. Ook kan de vrachtwagen (die werd gebruikt voor veevervoer) buiten de openbare weg over een op de weg liggend voorwerp zijn gereden dat op ongelukkige wijze de lagerafdichting heeft geraakt. Zo zijn er nog vele andere mogelijkheden te bedenken, aldus [gedaagde].

4.9. De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat op 28 november 2005 een aanpassing heeft plaatsgevonden bij de wielnaaf/wielas van de vrachtwagen, doordat op die datum een spoiler met het artikelnummer 20570332 is aangebracht. Zoals blijkt uit de onder ?2.3 geciteerde recall van 6 februari 2006 is het Volvo Truck Corporation nadien bekend geworden dat spoilers met artikelnummer 20570332 in sommige gevallen aanlopen tegen de wielnaaf. In gevallen waarin zich dat voordoet, moet een spoiler met artikelnummer 20772914 worden geplaatst. Uit het rapport van [B] – die beide spoilers met elkaar heeft vergeleken – blijkt dat deze laatste spoiler een grotere uitsparing in het midden heeft, zodat deze over de wielnaaf kan vallen en geen contact mogelijk is. Verder staat vast – alle deskundigen gaan daar in hun rapportages van uit – dat de brand in de onmiddellijke omgeving van de spoiler is ontstaan. Voorts gaan zij er allen van uit dat de gemonteerde spoilers hebben aangelopen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het feit dat de vrachtauto ongeveer een jaar na aflevering zonder aanwijsbare oorzaak is uitgebrand, terwijl de brand juist is ontstaan op of bij een onderdeel waarvoor tweemaal een recall was uitgeschreven die betrekking had op het aanlopen tegen de wielnaaf, daarom het bewijsvermoeden dat de brand is ontstaan als gevolg van aanlopen van de spoiler.

4.10. De rechtbank overweegt in dit verband nog dat zij [gedaagde] niet volgt in haar stelling dat uit het rapport van [Y] blijkt dat de spoiler niet tegen de wielnaaf kan hebben aangelopen. Volgens [gedaagde] zou uit het rapport blijken dat van enig aanlopen niet is gebleken toen de vrachtwagen op 28 november 2005 en 2 januari 2006 werd gecontroleerd. Verder bleek, toen [Y] opnieuw een spoiler plaatste om te onderzoeken of die tegen de wielnaaf zou aanlopen, niet dat dat het geval was. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van [Y] onvoldoende onderbouwing biedt voor deze stellingen van [gedaagde]. Uit het rapport van [Y] blijkt immers niet dat tijdens de controles de spoiler niet aanliep; in het rapport staat dat de monteur het aanlopen zou hebben bemerkt als de “betrokken linker keerplaat (zwaar) had aangelopen”. Verder staat er dat er – nadat een oud type keerplaat (spoiler) was gemonteerd en de naaf enkele malen was rondgedraaid – lichte aanloopvlakken zichtbaar waren. De rechtbank begrijpt uit het rapport van [Y] dat deze kennelijk een onderscheid maakt tussen “licht aanlopen” en “zwaar aanlopen” en dat [Y] uit het feit dat aan de rechterzijde het “licht aanlopen” niet heeft geleid tot brand, afleidt dat licht aanlopen niet tot brand kan leiden. Dat er in het geheel geen sprake zou zijn van enig aanlopen, zoals [gedaagde] stelt, volgt echter niet uit het rapport. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat aan de rechterzijde geen brand is ontstaan gezien de onder ?4.9 genoemde omstandigheden onvoldoende is om het bewijsvermoeden te weerleggen.

4.11. Het vorenstaande zou anders kunnen zijn als er uit de onderzoeken een concrete andere oorzaak voor de brand naar voren zou zijn gekomen. [gedaagde] heeft weliswaar enige mogelijke andere oorzaken voor het ontstaan van de brand genoemd, maar zij heeft niet gesteld dat een van deze voorvallen zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, en ook uit de onderzoeken blijkt niet van een andere mogelijke oorzaak. De door [gedaagde] genoemde mogelijke andere oorzaken leveren daarom geen tegenbewijs tegen het hiervoor genoemde bewijsvermoeden.

4.12. Als komt vast te staan dat brand is ontstaan als gevolg van het aanlopen van de spoiler kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven of dit gebrek reeds bestond bij aflevering van de truck ofwel dat dit is ontstaan tijdens de door [gedaagde] uitgevoerde werkzaamheden in het kader van de recall. In beide gevallen wordt, als het bewijsvermoeden niet wordt ontkracht, aangenomen dat de brand is ontstaan als gevolg van het aanlopen van de spoiler en leidt dat in beginsel tot aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de daardoor ontstane schade, hetzij als leverancier, hetzij als de garage die de werkzaamheden heeft uitgevoerd.

4.13. [gedaagde] stelt in dit kader nog dat zij heeft gehandeld overeenkomstig de instructies van Volvo Truck Corporation. De rechtbank begrijpt daaruit dat [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. De rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet. In een geval als het onderhavige moet immers naar analogie van de uitspraak van de Hoge Raad van 27 april 2001 (NJ 2002/213, [D]/[E]) worden geoordeeld dat de verkeersopvattingen meebrengen dat een tekortkoming als de onderhavige in de relatie tussen [gedaagde] en [W] voor risico van [gedaagde] komt.

4.14. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank er op voorhand van uitgaat dat de schade aan de vrachtwagen is veroorzaakt door het aanlopen van de spoiler. [gedaagde] zal in de gelegenheid worden gesteld hiertegen tegenbewijs te leveren.

4.15. Op de overige geschilpunten, te weten het beroep op eigen schuld, de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden en de verschuldigdheid van de gevorderde wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten zal desnodig na bewijslevering worden ingegaan.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. laat [gedaagde] toe tot het leveren van de voorshands bewezen geachte stelling dat de schade aan de vrachtwagen is veroorzaakt door het aanlopen van de spoiler;

5.2. bepaalt dat, indien [gedaagde] het bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.W. Wagenaar in het gerechtsgebouw te Utrecht aan Vrouwe Justitiaplein 1 op woensdag 1 december 2010 van 13:30 tot 17:30 uur,

5.3. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.4. bepaalt dat [gedaagde], indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - en aan de wederpartij moet opgeven; in dat geval zal het getuigenverhoor geen doorgang vinden en zal de zaak naar een nader te bepalen rolzitting worden verwezen voor het nemen van een akte met dit doel door [gedaagde],

5.5. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.?