Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5110

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-07-2010
Datum publicatie
26-08-2010
Zaaknummer
16-600690-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Dit voor onder andere mensenhandel en mishandeling, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600690-09 en 16/712205-08 (ter zitting gevoegd)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 juli 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1979] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd te Nieuwegein, PI Utrecht – HvB Nieuwegein

raadsvrouw mr. L.W. Plantenga, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 2 oktober 2009, 5 oktober 2009, 15 december 2009, 10 maart 2010, 7 juni 2010 en 30 juni 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Ten aanzien van feit 5 van dagvaarding met parketnummer 16/712205-08 merkt de rechtbank het volgende op.

Na wijziging van dit feit ontbreken in de tweede regel tussen de woorden “Nederland,” en “immers” de woorden ‘van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt’. De rechtbank beschouwt dit als een kennelijke misslag en leest deze tekst, gezien de oorspronkelijke tenlastelegging en met instemming van de officier van justitie en de verdediging, in feit 5 in.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Parketnummer 16/712205-08:

Feit 1 in de periode van 01 januari 2005 tot en met 5 april 2009 samen met anderen, althans alleen, zich ten aanzien van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel;

Feit 2 in de periode van 01 januari 2005 tot en met 01 december 2009 stelselmatig [slachtoffer 1] heeft mishandeld;

Feit 3 in de periode van september 2007 tot en met 5 april 2009 stelselmatig [slachtoffer 2] heeft mishandeld;

Feit 4 in de periode van 22 juni 2007 tot en met 23 juni 2007 heeft geprobeerd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 5 tussen 01 januari 2005 en 05 oktober 2009 een gewoonte heeft gemaakt van witwassen.

Parketnummer 16/600690-09:

Feit 1 op 18 juni 2009 een tas heeft gestolen die toebehoorde aan [benadeelde 1];

Feit 2 primair: op 18 juni 2009 heeft geprobeerd [benadeelde 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Subsidiair: op 18 juni 2009 [benadeelde 1] heeft mishandeld;

Feit 3 op 18 juni 2008 [benadeelde 1] heeft bedreigd;

Feit 4 in de periode van 19 juni 2007 tot en met 18 juni 2009 [benadeelde 1] stelselmatig heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat zij niet ontvankelijk verklaard dient te worden ten aanzien van feit 2 van dagvaarding met parketnummer 16/712205-08.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] volgt dat de stelselmatige mishandelingen van haar uitsluitend in Antwerpen zouden hebben plaats gevonden. Verdachte beschikt alleen over Marokkaanse nationaliteit en de Belgische autoriteiten hebben Nederland niet verzocht de strafvervolging van dit feit over te nemen. Dit heeft tot gevolg dat Nederland geen rechtsmacht heeft ten aanzien van dit feit.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, op nader in het schriftelijke requisitoir omschreven gronden, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 16/600690-09 feit 2 primair ten laste gelegde en van het onder nummer 16/712205-08 opgenomen feit 1, voor zover het medeplegen betreft. Wettig en overtuigend bewezen kunnen worden de feiten 1, 2 subsidiair, 3 en 4 van 16/600690-09 en feit 1, 3, 4 en 5 van 16/712205-08.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank voor geen van de feiten –zoals deze zijn tenlastegelegd onder de parketnummers 16/600690-09 en 16/712205-08- tot een bewezenverklaring kan komen, daar het wettig en overtuigend bewijs voor alle tenlastegelegde feiten ontbreekt.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 16/712205-08

Wanneer in de hiernavolgende bewijsoverweging wordt verwezen naar een paginanummer, betreft dit (tenzij anders vermeld) een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal PL0915/016307B, opgemaakt door verbalisanten werkzaam bij politie Utrecht, Divisie Recherche.

De uitbuiting en stelselmatige mishandeling (feit 1 en 3)

[slachtoffer 1] heeft –zakelijk weergegeven - als volgt verklaard.

Zij heeft verdachte leren kennen eind 2004. Ze werd verliefd op hem en ze kregen een relatie. Verdachte was in die tijd heel erg lief voor haar, gaf haar vaak rozen, ging met haar uit en ook winkelen. Begin 2005 ging ze weer werken in de prostitutie. Op advies van verdachte was dat in Antwerpen. Verdachte had uitgezocht hoe ze daar een kamer kon huren en gaf haar deze gegevens. Dat was in het [adres]. Hij eiste dat ze het verdiende geld aan hem gaf. Hij zou het geld bewaren en ervan sparen, voor hun toekomst. Toen ze geld terug vroeg om dingen voor zichzelf te kopen, begonnen de problemen. De aanleiding voor de mishandelingen waren altijd geld of niet willen werken. Ze werd geslagen of geschopt. Verdachte gebruikte riemen, dweilen, stofzuigerstangen en ijzeren bezemstelen om mee te slaan. Ze kon niets achterhouden van het geld. Verdachte controleerde haar en haar kamer helemaal. Hij bracht haar naar Antwerpen en haalde haar weer op. Hij zei dat hij in de buurt werkte, maar aan de kilometerstand van de auto zag ze dat hij in de tussentijd wel 1000 kilometer gereden had. Ook als ze ziek of ongesteld was, moest ze gewoon werken. Tijdens een vakantie in Spanje is de naam van verdachte groot onder op haar rug getatoeëerd.

Gedurende de periode dat verdachte in 2006 gedetineerd zat, is ze in Den Haag gaan wonen, maar blijven werken in Antwerpen. Verdachte dreigde haar ouders te vertellen dat zij werkzaam was als prostituee, als ze niet zou blijven werken en hem het geld zou geven. Hierdoor bleef ze werken en stortte ze geld op de rekening van verdachte in de penitentiaire inrichting. Nadat verdachte weer was vrijgekomen ging [slachtoffer 1] weer in Antwerpen wonen. Ze had weinig contact met andere mensen, want ze mocht van verdachte niet met anderen omgaan. Juni 2007 werd ze neergestoken en is zij, nadat ze het ziekenhuis in Antwerpen had verlaten, door verdachte naar zijn woning in Utrecht gebracht. Nadat de hechtingen waren verwijderd, is ze weer gaan werken in Antwerpen. Verdachte bracht haar aan het begin van de avond en haalde haar de volgende ochtend weer op. Dat heeft tot ongeveer oktober/november 2007 geduurd. In die tijd was een vriendin van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2]), bij haar studio in Antwerpen in komen wonen. [slachtoffer 2] had problemen met haar ex en verdachte nam haar bescherming over.

Eind november 2007 heeft [slachtoffer 1] de relatie met verdachte verbroken en is ze gestopt met werken in Antwerpen.

Ook [slachtoffer 2] heeft een voor verdachte belastende verklaring afgelegd. Op 5 april 2009, rond 03.00 uur, heeft zij – zakelijk weergegeven- als volgt tegenover de verbalisanten verklaard.

Ze was ontzettend verliefd op verdachte. Ze had hem anderhalf jaar daarvoor (de rechtbank begrijpt: najaar 2007) ontmoet in Antwerpen en ging samenwonen met hem en [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]). Ze werkte als prostituee. Later is ze met verdachte naar Utrecht gegaan en bij hem gaan wonen. Omdat het voor verdachte belangrijk was dat ze een tatoeage met zijn naam had, heeft ze die op haar onderarm laten zetten. Dat was een moeilijke beslissing en ze was er misschien ook niet voor honderd procent van overtuigd, maar omdat ze ontzettend verliefd op hem was, heeft ze het toch laten doen. Toen ze merkte dat verdachte een andere vriendin had, was ze klaar met hem. Hij zei toen dat het goed zou komen en nam haar mee in zijn auto. Daar sloeg hij haar, heel erg hard. Hij pakte haar hoofd en sloeg dat tegen het portier. Dat was de eerste keer dat hij haar sloeg. Verdachte dwong haar 7 dagen per week als prostituee te werken, 12 uur per dag, en ze moest al het verdiende geld aan hem geven. Ze verdiende tussen de € 700,-- en € 1200,-- per dag, soms € 1500,--. Zij kreeg slechts een klein bedrag voor eten en onkosten. Ze werd regelmatig geslagen. Zichtbaar letsel, zoals blauwe plekken, probeerde ze te verdoezelen met make-up. Nadat verdachte iemand anders in huis had genomen, heeft ze in [bedrijf] in Utrecht verbleven. Verdachte kwam haar dagelijks opzoeken. Op enig moment is ze een paar weken weg gegaan, maar toch weer terug gekomen naar het Zandpad. Verdachte wilde dat ze wegging, maar toen ze dat weigerde, stak hij op 5 april 2009 met een mes de banden van haar huurauto lek. Ze heeft toen tegen hem gezegd dat ze weg zou gaan. Vervolgens zei verdachte dat haar moeder nergens heen kon. Hij zei dat hij wist waar moeder woonde. Omdat verdachte echt gek werd en telkens naar haar deur kwam en daarop sloeg, heeft ze de politie gebeld en die nacht haar verhaal verteld.

In de avond van 5 april 2009 was ze in de politieauto op weg om aangifte te doen. Ze werd door verdachte gebeld en zag af van het doen van aangifte.

De verbalisanten die zich op dat moment, 5 april 2009 ca. 16.00 uur, bij [slachtoffer 2] in de auto bevonden, hebben verklaard dat [slachtoffer 2], nadat ze werd gebeld op haar mobiele telefoon, aangaf dat ze geen aangifte meer wilde doen. Ze maakte hierbij een erg bange indruk.

Uit de opgevraagde printgegevens blijkt dat op 5 april 2009 te 15.57 uur de mobiele telefoon van [slachtoffer 2] werd gebeld door de mobiele telefoon die bij verdachte in gebruik is.

De politie ontving op 16 augustus 2008 een melding van een persoon die anoniem wilde blijven, dat de prostituee met de werknaam [alias], op boot 110, plank 4, op het Zandpad te Utrecht, had gevraagd om woonruimte, omdat ze bij haar vriend weg wilde. De vrouw zat enkele weken na dit verzoek onder de blauwe plekken. Verder was het de melder opgevallen dat de vrouw opvallend lang werkte, namelijk 6 à 7 avonden per week.

Op 10 oktober 2008 is door verbalisanten vastgesteld dat [slachtoffer 2], werkt onder de naam [alias] op boot 110-4 op het Zandpad te Utrecht.

De verklaringen van [slachtoffer 2] dat ze door verdachte werd mishandeld, worden ondersteund door een afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek op 26 december 2008 te 03.02 uur, waarin [slachtoffer 2] tegen een onbekende man zegt dat ze zijn hulp nodig heeft, want ze zit op het werk en kan niet meer naar huis. Op de vraag van de onbekende man waarom niet, antwoordt [slachtoffer 2]:

‘hij brengt mij om’ en ‘ik wilde gaan en ik wilde mijn auto en spullen, maar hij wilde ze aan mij niet geven en mij niet laten gaan’ en ‘hij heeft me geslagen en hij brengt me om’ en ‘hij maakt me van kant’.

Kort daarna, 26 december 2008 03.44 uur, wordt [slachtoffer 2] gebeld door verdachte. [slachtoffer 2] geeft aan dat ze niet meer met hem wil praten. Verdachte zegt even later ‘wil je terug achter het fucking raam? Dan kom ik terug”.

Direct daarna belt verdachte opnieuw naar [slachtoffer 2] en vraagt hij haar of ze naar huis komt. [slachtoffer 2] zegt meermalen dat ze erg bang is dat hij haar wat gaat aandoen. Verdachte vraagt telkens waar ze is en dat ze direct naar huis moet komen.

Uit de administratie van [bedrijf] blijkt dat [slachtoffer 2] daar van 17 juli 2008 tot 29 juli 2008 heeft verbleven. Door medewerkers van dat hotel werd verklaard dat [slachtoffer 2] gedurende haar verblijf er slechter uit ging zien. Ze kreeg wallen onder haar ogen en het leek of ze magerder werd. Ook had ze eenmaal een blauwe wang, wat ze probeerde te camoufleren met make-up. Ze werd elke avond opgehaald en ’s ochtends weer teruggebracht.

Het witwassen (feit 5)

Verdachte ontving in 2005 een ziektewetuitkering (UWV) met een bruto jaarinkomen van

€ 6.159. In 2006 en 2007 ontving hij een bijstandsuitkering met een bruto jaar inkomen van totaal € 13.941.

In 2008 startte verdachte een zonnestudio, waaruit hij dat jaar € 40.851 aan legale inkomsten ontving.

In het eerste kwartaal van 2009 ontving verdachte aan legale inkomsten uit de zonnestudio

€ 9.873.

De totale legale inkomsten over de tenlastegelegde periode (1 januari 2005 tot en met 5 oktober 2009) periode waren derhalve € 70.824.

In de periode 01 januari 2005 tot en met 5 oktober 2009 heeft verdachte de volgende uitgaven gedaan/transacties verricht.

Hij heeft op 28 december 2007 een geldbedrag van 1.100.000 dirham (omgerekend ca.

€ 100.000) gestort op een op zijn naam gestelde Marokkaanse bankrekening.

Op de privé rekening (466759762) van verdachte is tussen september 2006 en februari 2008 een contant bedrag gestort van € 21.080.

Op de zakelijke rekening van de zonnestudio van verdachte (454771053) is in het jaar 2008 € 45.425 contant gestort.

Op 4 april 2008 heeft verdachte een aanbetaling gedaan van € 34.063,75 voor vijf zonnebanken. Van dit bedrag is € 16.053,75 contant betaald en € 18.010 per bank. De totale waarde van de zonnebanken bedroeg € 133.000. Maandelijks diende verdachte nog

€ 3.446 inclusief BTW aan de zonnebanken af te betalen.

Op 16 juni 2007 heeft verdachte een Jaquar S-type gekocht, met kenteken [kenteken]. Hij heeft hiervoor € 12.500 contant betaald.

Op 9 september 2008 verkocht verdachte voornoemde Jaquar en kocht een Mercedes, kenteken [kenteken]. Hij heeft hiervoor € 21.500 contant bij betaald.

Op 26 januari 2009 is er een bedrag van 200 000 dirham (omgerekend ca. € 18.000) overgemaakt op een Marokkaanse bankrekening op naam van verdachte.

Uit het bovenstaande volgt dat verdachte in de periode januari 2005 tot 5 oktober 2009

€ 252.568,75 exclusief de maandelijkse aflossingen aan de zonnebanken heeft uitgegeven/gestort, terwijl hij aan legale inkomsten een bedrag van € 70.824 had, een verschil van meer dan € 180.000.

De verklaring van verdachte

Verdachte verklaart dat hij een relatie heeft gehad met zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2], maar ontkent hen te hebben gedwongen het door hen verdiende geld aan hem af te geven. Beiden werkten al in de prostitutie en doen dat nog steeds. Hij had een relatie met hen en ze betaalden over en weer dingen voor elkaar. Beiden hadden de mogelijkheid bij hem weg te gaan. Verdachte ontkent niet dat er wel eens een klap is gevallen, maar wel dat hij hen heeft mishandeld en heeft bedreigd. Hun verklaringen worden ingegeven door jaloezie, terwijl hij altijd duidelijk is geweest over het feit dat hij van meerdere vrouwen houdt. Als [slachtoffer 2] over de telefoon heeft gezegd ‘hij heeft het weer gedaan’ dan bedoelde ze dat hij weer met een andere vrouw was geweest.

In Antwerpen werkte hij als portier en daarmee verdiende hij zijn eigen geld. Het geldbedrag van €100.000 dat op de Marokkaanse rekening heeft gestaan is gebruikt voor de aankoop van een huis. Het was grotendeels een investering van vrienden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het waarheidsgehalte van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet eenvoudig te toetsen is. De beide verklaringen komen echter in essentie voor wat betreft het handelen van verdachte overeen. Daarnaast wordt de verklaring van [slachtoffer 2] ondersteund door processen-verbaal van bevinding van verbalisanten en opgenomen telefoongesprekken. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verklaringen betrouwbaar zijn en kunnen worden gebezigd voor het bewijs. Mogelijk is er in de verklaringen die door [slachtoffer 1] zijn afgelegd sprake van enige mate van overdrijving, maar naar het oordeel van de rechtbank doet dat aan het waarheidsgehalte van de hiervoor aangehaalde delen niet af, nu deze, zoals gezegd, worden ondersteund door de overeenkomstige verklaringen van [slachtoffer 2].

Voor wat betreft het door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] genoemde geweld, worden hun verklaringen ook ondersteund door hetgeen [benadeelde 1] heeft verklaard, zoals hierna weergegeven.Vast staat dat verdachte een affectieve relatie onderhield met beide vrouwen – evenals overigens met genoemde [benadeelde 1] – die, al dan niet vrijwillig, een tatoege met de naam van verdachte hebben laten zetten. Uit hun verklaringen volgt dat er bij verdachte sprake is van manipulerend en controlerend gedrag. Onder invloed van deze relatie en op uitdrukkelijk verzoek hebben de vrouwen een tatoeage laten zetten. Daarnaast blijkt dat verdachte over grote geldbedragen heeft beschikt, waarvoor zijn legale inkomsten geen verklaring geven. Het bedrag van € 21.000 dat verdachte op 23 januari 2009 in Frankrijk, terwijl hij op doorreis was naar Marokko, bij zich had, rekent de rechtbank niet apart mee. Het is aannemelijk dat dit het geld betreft dat op 26 januari 2009 is gestort op de Marokkaanse rekening. Dat verdachte geld verdiende als portier en zijn Marokkaanse huis is gefinancierd door vrienden, is echter uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het onder 1, 3 en 5 heeft begaan, zoals hierna zal worden bewezenverklaard.

Ten aanzien van de poging doodslag (feit 4)

[slachtoffer 1] is op 23 juni 2007 in het ziekenhuis in Antwerpen opgenomen, omdat ze was gestoken. Ze heeft tegenover de Belgische politie verklaard dat zij, terwijl ze stond te wachten op haar vriend (verdachte) door een junkachtige persoon werd neergestoken. Verdachte heeft tegenover de Belgische politie een gelijkluidende verklaring afgelegd.

Op 11 juni 2008 heeft [slachtoffer 1] tegenover de Belgische politie verklaard dat het verdachte was die haar heeft gestoken. Deze verklaring heeft zij later tegenover de Nederlandse politie herhaald. [slachtoffer 1] en verdachte hadden ruzie gehad, omdat ze niet meer als prostituee voor verdachte wilde werken. Verdachte stak haar toen met een mes driemaal in haar lichaam. Hij droeg haar vervolgens naar beneden, terwijl hij smeekte geen aangifte te doen en zette haar in de auto, met de bedoeling haar naar het ziekenhuis te brengen. Onderweg naar het ziekenhuis kreeg ze echter sterke behoefte om plat te liggen, waarna verdachte haar uit de auto heeft gehaald en op straat gelegd. Ondertussen belde hij de hulpdiensten.

Verdachte is ter zitting gebleven bij zijn verklaring, zoals hij die bij de Belgische politie heeft afgelegd. Hij kwam haar in Antwerpen ophalen en trof haar toen gewond aan. Hij zette haar in de auto en ging op zoek naar een ziekenhuis. Omdat hij niet bekend was in de omgeving, kon hij niet snel een ziekenhuis vinden. Onderweg gaf [slachtoffer 1] aan dat ze plat wilde liggen. Hij heeft haar toen uit de auto gehaald en op de grond gelegd, waarna hulpdiensten zijn gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat er enerzijds sterke aanwijzingen zijn dat het verdachte was die [slachtoffer 1] neerstak, zoals [slachtoffer 1] later heeft verklaard. Anderzijds kan het scenario dat zij is neergestoken door een junk, zoals ze zelf aanvankelijk ook heeft verklaard, niet geheel worden uitgesloten. Dit maakt dat er mede door de tegenstrijdige verklaringen van aangeefster, waarvan één versie de verklaring van verdachte ondersteunt, en er, behalve de verklaringen van aangeefster zelf, geen bewijsmiddelen zijn die de andere versie bevestigen, enige twijfel is over de betrokkenheid van verdachte bij dit feit en dat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 16/600690-09

De diefstal (feit 1)

[benadeelde 1] (hierna: [benadeelde 1]) heeft verklaard dat verdachte haar op 18 juni 2009 te Amersfoort op straat sloeg en trapte, waardoor zij op de grond terecht kwam. Toen zij wegrende, bleef haar tas op straat achter. In de tas bevond zich onder meer haar paspoort,

€ 130,--, make-up, parfum, een telefoon en een sim-kaart. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de tas heeft opgepakt en later, op een brug, uit de auto heeft gegooid.

Bij een doorzoeking is in de schuur van de woning van verdachte een soortgelijke tas aangetroffen, met daarin het paspoort van [benadeelde 1]. De rechtbank is van oordeel dat de vraag of deze aangetroffen tas de tas was die [benadeelde 1] tijdens voornoemde confrontatie bij zich had niet relevant is, nu uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen is vast komen staan dat verdachte de tas heeft weggenomen (en naar eigen verklaring heeft weggegooid) en aldus als heer en meester over die tas heeft beschikt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de tas heeft gestolen.

De mishandeling en bedreiging (feiten 2 en 3)

[benadeelde 1] heeft verklaard zij op 18 juni 2009 op straat te Amersfoort liep. Verdachte zat in zijn auto en wilde dat zij instapte. [benadeelde 1] was bang voor verdachte en rende weg. Verdachte kwam achter haar aan en sloeg haar, onder andere, in haar gezicht, waarbij zij op de grond terecht kwam. Nadat ze was opgestaan, rende ze weg in richting van de woning van haar moeder. Toen ze voor de deur stond, kwam verdachte weer aanrijden, stapte hij uit zijn auto en gaf hij haar met zijn vuist een stoot tegen haar gezicht. Hierdoor viel zij en ging zij vervolgens met haar hoofd door de ruit van de deur. Ze had last van haar wang, kaak en oor. Vervolgens is verdachte met zijn auto weggereden. Even later werd [benadeelde 1] gebeld en zei verdachte tegen haar door de telefoon: “Ik zweer het op mijn vaders dood, ik ga jouw beide benen breken” en even later “Ik steek je moeder in de fik en alle auto’s van je vrienden”.

De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 18 juni 2009 op straat aan zijn auto aan het sleutelen was, toen hij een meisje hoorde schreeuwen. Hij keek op en zag een meisje voorbij rennen, gevolgd door een jongen. Even later lag het meisje op de grond. De jongen heeft het meisje geslagen en geschopt.

De moeder van [benadeelde 1], getuige D. el Idrissi, heeft verklaard dat zij hoorde dat [benadeelde 1] verdachte aan de telefoon had en dat verdachte zei: “Ik ga je dood maken”.

De rechtbank is van oordeel dat het slaan tegen het hoofd van [benadeelde 1], waardoor zij met haar hoofd tegen het glas van de deur is gevallen, niet te kwalificeren is als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor het onder 2 primair ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde verklaringen van aangeefster en getuige [getuige 1], het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, de mishandeling van [benadeelde 1] door haar meermalen tegen haar gezicht/hoofd te stompen en/of slaan, wettig en overtuigend is bewezen.

Tevens is, op grond van de verklaringen van aangeefster en getuige El Idrissi, de rechtbank van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde, de bedreiging, wettig en overtuigend is bewezen.

De stelselmatige mishandeling (feit 4)

[benadeelde 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat zij op 18 juni 2009 ongeveer drie jaar een relatie had met verdachte. Het eerste jaar verliep zonder problemen, maar toen [benadeelde 1] vermoedde dat verdachte een andere vriendin had, beëindigde zij de relatie. In september of oktober 2007 stond verdachte, nadat zij elkaar onverwachts tegen waren gekomen in Antwerpen, echter voor de deur van haar woning te Amersfoort. Haar zusje opende de deur. Ze had geprobeerd zich te verstoppen op het WC, maar verdachte vond haar en sloeg haar toen in haar buik. Nadat verdachte 3 dagen voor haar deur bleef staan en aangaf dat hij verder wilde met haar, gaf zij toe. Sinds die tijd sloeg hij haar regelmatig, soms eenmaal per week, soms eenmaal per maand. Hij sloeg met zijn vuist, overal op haar lichaam. Hij zei dat hij haar sloeg omdat hij het lekker vond of omdat ze het verdiende of omdat ze hem gek maakte. Ze had vaak een blauw oog. In de woning van verdachte op de [adres] te Utrecht sloeg verdachte haar, omdat ze –tegen de wil van verdachte- had gerookt. Verdachte stond voor de deur en zei dat ze maar weg moest gaan. Ze was echter zo bang voor hem dat ze niet langs hem durfde te lopen. Ze durfde ook niet in de woning te blijven, zodat ze uit het raam is gesprongen en daarbij haar been brak. Verdachte trapte later tegen haar ingegipste been, wat ook pijn deed. Verdachte drukte ook sigaretten op haar pols uit.

In 2008 had [benadeelde 1] op de dag voor haar verjaardag ruzie met verdachte in zijn zonnestudio en verstopte ze zich in een cabine. Verdachte heeft toen de cabine kapot gemaakt en haar geslagen in haar gezicht. Ook in de auto hadden ze soms ruzie, omdat verdachte jaloers was. Hij duwde haar meerdere keren met haar hoofd tegen het dashboardkastje en sloeg haar hoofd ook tegen dat kastje.

Al eerder, oktober 2008, is [benadeelde 1] naar een politiebureau gegaan en heeft ze verklaard dat ze erg bang was voor verdachte. Ze zei toen dat ze al anderhalf jaar door hem mishandeld werd, maar dat ze zo bang voor hem was, dat ze geen aangifte wenste te doen.

De moeder van [benadeelde 1], D. el Idrissi, heeft op 20 juni 2009 verklaard dat zij de voorgaande anderhalf jaar meerdere malen heeft gezien dat [benadeelde 1] blauwe plekken had in haar nek en op haar armen. Dit is ook waargenomen door [betrokkene 1], een zus van [benadeelde 1]. Zij heeft verklaard dat zij vaak blauwe plekken bij [benadeelde 1] heeft gezien en ook eenmaal, november 2008, zag dat verdachte [benadeelde 1] sloeg met een honkbalknuppel. Ook zus [betrokkene 2] heeft gezien dat [benadeelde 1] blauwe ogen en blauwe plekken had. Volgens [benadeelde 1] zou verdachte haar met haar hoofd tegen het dashboard hebben geramd.

De rechter-commissaris heeft tijdens zijn verhoor van [benadeelde 1], naar aanleiding van haar verklaring dat verdachte sigaretten op haar pols heeft uitgedrukt, geconstateerd dat op de binnen- en bovenzijde van haar linkerpols zich 2 paars gekleurde vlekjes bevinden.

De rechtbank acht op grond van voornoemde verklaringen het onder feit 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna zal worden uitgeschreven, en verwerpt de hieromtrent gevoerde bewijsverweren.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Parketnummer 16/712205-08

1.

hij op tijdstippen in de periode van ongeveer 01

januari 2005 tot en met 05 april 2009

in Nederland en in België,

telkens [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2],

(lid 1 sub 1)

door dwang en geweld en een andere feitelijkheid en door dreiging met

geweld en een andere feitelijkheid en door misleiding

(lid 1 sub 1)

heeft geworven en vervoerd en overgebracht en gehuisvest en

opgenomen, telkens met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en

die [slachtoffer 2], en

(lid 1 sub 6)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]

en die [slachtoffer 2], en

(lid 1 sub 9 jo sub 1)

die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] (met een/of meer van de onder de in lid 1 sub 1

omschreven middelen dan wel onder een/of meer van de in dat sub 1 omschreven

omstandigheden) heeft gedwongen dan wel bewogen hem

te bevoordelen uit de opbrengst van dier seksuele handelingen met en/of voor

een derde

***** waarbij (lid 1 sub 1)

die dwang en/of dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die dreiging

met geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die misleiding hieruit heeft/hebben bestaan dat verdachte telkens meermalen

- een (liefdes)relatie is aangegaan en heeft onderhouden met

die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2], en

- vervolgens aan die [slachtoffer 1] (gebruikmakend van haar gevoelens voor hem)

meerdere malen (in strijd met de waarheid) heeft verteld en/of

voorgehouden dat de verdiensten van haar prostitutiewerkzaamheden voor haar

gespaard en/of bewaard zou worden, en dat de verdiensten van haar

prostitutiewerkzaamheden (deels) gebruikt zouden worden voor de gezamenlijke

toekomst van haar en verdachte, en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] meermalen met kracht met zijn, verdachte's

vuist heeft geslagen en gestompt,

en(met kracht) op/tegen het/de (boven)licha(a)m(en) van die Ben

[slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of

- die [slachtoffer 2] direct

en indirect met geweld en de dood heeft bedreigd en/of die [slachtoffer 2] (dreigend) heeft voorgehouden dat hij, verdachte,

wist waar haarmoeder woonden, en

- die [slachtoffer 1] heeft gedreigd haar ouders te

vertellen dat hun dochter in de prostitutie werkte, en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] op zijn, verdachte's,

uitdrukkelijke verzoek een tatoeages hebben laten zetten in

lettervorm is de naam [verdachte] op hun arm of rug getatoeëerd)en

- de autobanden van die [slachtoffer 2] heeft lekgeprikt, en

- die [slachtoffer 1] in een door verdachte

gecontroleerde situatie heeft gehouden, zoals het sociaal isoleren van

die [slachtoffer 1] en het [vrijwel] permanent

controleren van die [slachtoffer 1] door verdachte ,

strekkende tot het houden van die [slachtoffer 1]

een dwang- en uitbuitingssituatie,

***** en waarbij

(lid 1 sub 1) dat werven en dat vervoeren en dat overbrengen en dat

huisvesten en dat opnemen (telkens met het oogmerk van uitbuiting)

(sub 9 jo sub 1) dat dwingen en het bewegen van die [slachtoffer 1] en die

[slachtoffer 2] om hem te bevoordelen uit de opbrengst van dier

seksuele handelingen met of voor een derde,

(telkens met een/of meer van de onder de in lid 1 sub 1 omschreven middelen

dan wel onder een/of meer van de in dat sub 1 omschreven omstandigheden),

en

(sub 6) die opzettelijke voordeeltrekking uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1]

en die [slachtoffer 2]),

hieruit heeft bestaan dat verdachte telkens

(meermalen)

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] op enig adres heeft ondergebracht (te

weten op een of meer adressen in Nederland en België zoals: [adres]

120 te Utrecht en/of (een kamer in) [bedrijf] op de Arienslaan te Utrecht

en/of in een woning te Antwerpen en

- kamersin Utrecht (te weten: het Zandpad) en in Antwerpen (te weten: het

[adres]) heeft

geregeld, alwaar die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] hun

prostitutiewerkzaamheden moesten verrichten, en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] naar hun prostitutiewerkplek heeft

gebracht, en die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] van hun prostitutiewerkplek

heeft opgehaald, en

- die [slachtoffer 1] heeft gecontroleerd op het moment dat zij als prostituee aan het werk was,

en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] ertoe heeft gebracht een groot

aantal dagen per week en een groot aantal uren per dag als prostituee te

werken en door te werken tijdens ziekte en menstruatie en

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] een ze groot deel van hun

(prostitutie)verdiensten, hebben

laten afgeven aan hem, verdachte,of op zijn,

verdachtes, rekening heeft laten storten,

3.

hij op tijdstippen in de periode van ongeveer 01

september 2007 tot en met 05 april 2009 te Utrecht meermalen opzettelijk

mishandelend een persoon genaamd: [slachtoffer 2] meermalen met kracht in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt,

en/of elders (met kracht) tegen het (boven)lichaam heeft

geslagen en/of geschopt en/hardhandig aan de haren van die [slachtoffer 2] heeft

getrokken en het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en vervolgens met

kracht het hoofd van die [slachtoffer 2] tegen het portier van een auto heeft

geslagen waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en

telkens pijn heeft ondervonden;

5.

hij op tijdstippen in de periode van 01 januari

2005 tot en met 05 oktober 2009 te Utrecht en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers

heeft verdachte voorwerpen, te weten

- grote geldbedragen zijnde de prostitutieverdiensten van

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en

- een personenauto, merk Jaguar S-type, met kenteken: [kenteken], en

- een personenauto, merk Mercedes E-klasse, met kenteken: [kenteken],

verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, telkens)wist, dat die

geldbedragen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig

misdrijf;

Parketnummer 16/600690-09

1.

hij op 18 juni 2009 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

een tas (onder meer inhoudende een paspoort en 130 Euro en make-up en

parfum en een telefoon en een sim-kaart),toebehorende aan [benadeelde 1],

2.

Subsidiair

hij op 18 juni 2009 te Amersfoort, meermalen

telkens opzettelijk mishandelend [benadeelde 1] meermalen tegen haar

gezicht/hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor voornoemde [benadeelde 1]

pijn heeft ondervonden;

3.

hij op 18 juni 2009 te Amersfoort, [benadeelde 1] meermalen

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware

mishandeling en met brandstichting, immers heeft verdachte telkens

opzettelijk voornoemde [benadeelde 1] (telefonisch) dreigend de woorden

toegevoegd :

"Ik zweer het op mijn vaders dood, ik ga jouw beide benen breken" en/of "Ik

steek je moeder in de fik en alle auto's van je vrienden" en/of "Ik ga je dood

maken",

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2007 tot 18 juni 2009

in het arrondissement Utrecht,

telkens opzettelijk mishandelend [benadeelde 1] meermalen heeft

geslagen en/of gestompt en/of getrapt en/of met het hoofd tegen een dashboardkast, heeft gestoten en/of geduwd

en/of brandende sigaretten tegen haar arm ter hoogte van de pols,

heeft gedrukt, waardoor voornoemde [benadeelde 1]

letsel heeft bekomen en / of pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Parketnummer 16/712205-08:

Feit 1: mensenhandel

Feit 3: mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 5: gewoontewitwassen

Parketnummer 16/600690-09:

Feit 1: diefstal

Feit 2 subs. en feit 4: mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit voor alle feiten en verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte direct op te heffen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan

Verdachte heeft gedurende een lange periode zich schuldig gemaakt aan uitbuiting.

Hij ging een liefdesrelatie aan met [slachtoffer 1], waarna hij haar dwong door haar in de prostitutie verdiend) geld aan hem af te geven, onder het voorwendsel dat hij geld zou bewaren voor een gezamenlijke toekomst. Hij heeft een lange tijd [slachtoffer 1] naar haar prostitutieplek in Antwerpen gebracht en weer opgehaald. Hij controleerde haar tijdens het werk.

Vervolgens is hij een liefdesrelatie aangegaan met [slachtoffer 2] en dwong ook haar prostitutie-opbrengsten aan hem af te geven. Op momenten dat de vrouwen aangaven dat ze niet wilden werken, mishandelde en bedreigde verdachte hen.

Wel dient opgemerkt te worden dat verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet in de prostitutie heeft gebracht. Beide vrouwen werkten, ook voordat ze met verdachte in aanraking kwamen, al in de prostitutie.

Van de prostitutie-inkomsten heeft verdachte gebruik gemaakt. Hij kocht in die periode auto’s en een huis in Marokko.

Daarnaast heeft verdachte een andere jonge vrouw, [benadeelde 1], waarmee hij eveneens een liefdesrelatie was aangegaan, gedurende een lange periode mishandeld. Ook bedreigde hij haar.

Verdachte had geen respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit en het zelfbeschikkingsrecht van deze vrouwen. Door verdachte zijn de vrouwen gemaakt tot willoze individuen, met wie veel geld kon worden verdiend.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij gedurende de behandeling van zijn strafzaak niet heeft laten merken te beseffen wat hij zijn slachtoffers heeft aangedaan.

De persoon van verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 oktober 2009. Daaruit blijkt dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij zelfs tijdens zijn detentie in die zaak, is door blijven gaan met de uitbuiting van [slachtoffer 1].

In een opgesteld voorlichtingsrapport wordt geadviseerd, indien verdachte schuldig wordt bevonden, hem psychisch te laten onderzoeken. Verdachte heeft vervolgens aan de deskundige die met dit onderzoek was belast, direct laten weten dat hij niet wenste mee te werken. Hij wenste eveneens, onder geen beding, mee te werken aan de totstandkoming van een voorlichtingsrapportage.

De ernst van de genoemde feiten en de gevolgen hiervan voor de slachtoffers rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van langere duur.

De rechtbank geeft de justitiële autoriteiten in overweging, in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling, een behandeling van verdachte alsnog aan de orde te stellen.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een vergoeding van € 25.000,-- immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente, voor de feiten van parketnummer 16/600690-09. De aanvankelijk ingediende vordering schadevergoeding terzake de gestolen tas is ter zitting ingetrokken.

De rechtbank overweegt dat de door de raadsman van benadeelde partij aangehaalde zaken uit de smartengeldbundel qua ernst niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade tot een bedrag van € 2.500,-- een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. Deze maatregel wordt opgelegd omdat verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 91.000,-- (bestaande uit € 7.000,-- immateriële schade en € 84.000,-- materiële schade) voor de feiten 1 en 4 van parketnummer 16/712205-08.

Nu verdachte is vrijgesproken ten aanzien van feit 4, zal de benadeelde partij in het deel van de immateriële schade dat ziet op de gevolgen van dit feit niet ontvankelijk worden verklaard

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade tot een bedrag van € 5.000,-- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 1en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige, de materiële schade, acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Met name is niet duidelijk of benadeelde in de gehele bewezen verklaarde periode gewerkt heeft en ook geld aan verdachte heeft afgedragen.

Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 56, 57, 63, 273a(oud), 273f, 285, 300, 310, 420ter van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor het onder 2 van parketnummer 16/712205-08 tenlastegelegde feit;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen onder parketnummer 16/712205-08 als feit 4 en onder parketnummer 600690-09 als feit 2 primair is ten laste gelegd;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 16/712205-08:

Feit 1 mensenhandel

Feit 3 mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 5 gewoontewitwassen

Parketnummer 16/600690-09:

Feit 1 diefstal

Feit 2 subsidiair en feit 4: mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 3 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling en met brandstichting

-verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 2.500,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 juni 2007 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], € 2.500,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 35 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van € 5.000,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 01 januari 2005 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 5.000,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 60 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. P. Wagenmakers en mr. Y.M.J.I. Baauw-De Bruijn, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 juli 2010.

Mr. Wagenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.