Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN5103

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
26-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
286519 HARK 10-176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010/384

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 286519 HARK 10-176

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van

26 augustus 2010

in de zaak van

de Vennootschap onder Firma Restaurant [Naam], gevestigd te Zeist

en haar twee vennoten [verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. F.A.M.R. Hondelink, advocaat te Zeist,

hierna te noemen: mr. Hondelink

tegen

mr. [X], rechter in de sector kanton van deze rechtbank,

hierna te noemen: mr. [X].

1. De procedure

1.1 Onder registratienummers [nummer] en [nummer 2] zijn bij deze rechtbank, sector kanton, civiele procedures aanhangig tussen verzoekers en [A] en [B]. Deze uitspraak heeft betrekking op de procedure met nummer [nummer].

1.2 Bij faxbericht van 21 april 2010 aan mr. [X] heeft mr. Hondelink bezwaar gemaakt tegen het - in zijn ogen - te laat indienen van produkties door de tegenpartij.

1.3 Op 23 april 2010 heeft een comparitie na antwoord plaatsgevonden met mr. [X] als behandelend kantonrechter.

1.4 Bij faxbericht van 24 april 2010, gericht aan de president van deze rechtbank, heeft mr. Hondelink een melding gedaan strekkende tot ontheffing van mr. [X] van zijn taak in de twee lopende rechtszaken. Daarbij heeft mr. Hondelink opgemerkt dat hij tijdens de comparitie op 23 april 2010 mr. [X] heeft gewraakt, dat mr. [X] het wrakingsverzoek mondeling heeft afgewezen en heeft geweigerd daarvan aantekening te (doen) maken in het proces-verbaal van de zitting.

1.5 Naar aanleiding van de brief van de president van de rechtbank van 28 april 2010 aan mr. Hondelink heeft deze bij faxbericht van 29 april 2010 bevestigd dat zijn melding moest worden opgevat als een verzoek tot wraking van mr. [X], indien mr. [X] zich niet op eigen verzoek zou verschonen.

1.6 Bij faxbericht van 3 mei 2010 heeft mr. Hondelink gereageerd op een brief van de president van 29 april 2010, waarin is vermeld dat mr. [X] niet had begrepen dat hij op de zitting was gewraakt, maar dat mr. [X] de behandeling van de zaak alsnog zal schorsen nu de strekking van het verzoek duidelijk is geworden.

1.7 Bij faxbericht van 4 mei 2010 heeft mr. Hondelink gereageerd op de inhoud van het proces-verbaal van de op 23 april 2010 gehouden comparitie en bezwaar gemaakt tegen het niet vermelden van de procesincidenten en het afwijzen van zijn bezwaren en verzoeken.

1.8 Mr. [X] heeft niet in de wraking berust. Hij heeft op 6 mei 2010 zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek aan de griffier van de wrakingskamer van deze rechtbank doen toekomen.

1.9 Partijen zijn door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 11 mei 2010. Daaraan voorafgaand heeft mr. Hondelink de wrakingskamer faxberichten gezonden op 7 mei 2010 en 10 mei 2010 (met bijlagen).

1.10 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft op 11 mei 2010 plaats gevonden. Mr. Hondelink en [verzoeker A] zijn ter zitting verschenen. Eveneens zijn verschenen [A] en [B]. Mr. [X] heeft de wrakingskamer bericht verhinderd te zijn om de zitting bij te wonen.

1.11 Na de zitting heeft de wrakingskamer het onderzoek voortgezet. Mr. Hondelink is daarvan op de hoogte gesteld bij brief van 11 mei 2010. Mr. Hondelink heeft zijn visie nader uiteengezet in zijn faxbericht van 17 mei 2010.

1.12 De rechtbank heeft mr. [X] bij brief van 9 juni 2010 in de gelegenheid gesteld te reageren op de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2010. De wrakingskamer heeft daarbij mr. [X] in het bijzonder verzocht te reageren op hetgeen mr. Hondelink heeft verklaard over het door hem ter zitting van 23 april 2010 gedane wrakingsverzoek.

1.13 Mr. [X] heeft bij e-mailbericht van 14 juli 2010 zijn reactie gegeven. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft mr. Hondelink bij faxbericht van 16 augustus 2010 gereageerd, welk bericht aan mr. [X] ter kennisname is doorgezonden. De rechtbank heeft daarna het onderzoek in het kader van het wrakingsverzoek gesloten.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt tot wraking van mr. [X] vanwege - kort samengevat - het missen van de vereiste onbevangenheid en afstandelijkheid bij de behandeling van de aanhangige procedure. De klachten van mr. Hondelink betreffen de wijze van behandeling van de kwestie door mr. [X] op de zitting en het afwijzen en vervolgens niet vermelden van procesincidenten door mr. [X] in het proces-verbaal. Het optreden van mr. [X] wordt door mr. Hondelink, onder meer, betiteld als: “soeverein omnipotent, powerplay, geharnast machtsvertoon, openlijk intimiderend en bedreigend en stuitend theatraal”. De overige klachten zien op het afwijzen van de bezwaren van mr. Hondelink tegen het kort voorafgaand aan de comparitiezitting vermeerderen van eis door de tegenpartij en het inbrengen van tal van produkties. De afwijzing leidt volgens mr. Hondelink tot strijd met de goede procesorde. In het kader van het wrakingsverzoek heeft hij echter benadrukt dat hij mr. [X] verwijt dat van de afwijzing en de daarover ter zitting gevoerde discussie geen aantekening is gemaakt in het proces-verbaal. Dat geldt ook het door hem gedane wrakingsverzoek. Nadat mr. [X] zou hebben gedreigd een klacht tegen mr. Hondelink in te dienen en te zorgen voor een beroepsverbod, heeft mr. Hondelink mr. [X] meegedeeld ook tegen hem een klacht in te dienen, alsmede hem te wraken. Op dit punt ziet de klacht er met name op dat van het wrakingsverzoek en de mondelinge afwijzing van dit verzoek door mr. [X] ter zitting, geen aantekening is gemaakt in het proces-verbaal. Mr. [X] had het verzoek bovendien niet mogen afwijzen, maar had de zitting na het wrakingsverzoek onmiddellijk moeten schorsen, aldus mr. Hondelink. Nu dit is nagelaten hebben cliënt en gemachtigde geen vertrouwen meer in een onpartijdige behandeling van de civiele kwestie door deze kantonrechter.

3. Het standpunt van de kantonrechter

Mr. [X] heeft zich tegen het wrakingsverzoek verweerd. In zijn reactie van 6 mei 2010 heeft hij aangegeven het bezwaar van mr. Hondelink tegen een vermeerdering van eis niet te zien als een wrakingsgrond. Hij heeft de comparitie, ondanks de zichtbare tegenzin van mr. Hondelink laten doorgaan en de comparitie gestaakt toen mr. Hondelink een obstruerende houding aannam. Al die tijd is de rechterlijke onpartijdigheid niet in gevaar gekomen, aldus mr. [X].

In zijn emailbericht van 14 juli 2010 aan de wrakingskamer meldt mr. [X] het volgende.

‘De eerste vraag luidt om een reactie te geven op de uiteenlopende verklaringen over het moment waarop het wrakingsverzoek zou zijn gedaan. Zou ik de vele narrige en vervelende opmerkingen van mr. Hondelink hebben opgevat als een wraking dan zou ik ingevolge het bepaalde in art. 37 lid 5 Rv aanstonds geschorst hebben. Dat is evenwel niet gebeurd, want ik heb de comparitie zelf vroegtijdig stopgezet omdat ik voortzetting geen zin meer vond hebben vanwege het obstruerende gedrag van mr. Hondelink.

Uw tweede vraag heeft betrekking op de inhoud van het proces-verbaal. De procedurele verweren waren al bekend. Ik verwijs u naar de brief van mr. Hondelink die deze voorafgaand aan de zitting aan mij schreef (en die thans in het procesdossier ontbreekt, zodat ik geen datum kan vermelden). Verder bericht ik U dat het vonnis (dat ook ontbreekt in het procesdossier) waarschijnlijk vermeldt dat de comparitie na antwoord zal worden gehouden om een schikking te beproeven en/of inlichtingen te geven. Een schikking is niet tot stand gekomen en inlichtingen, die opname in het p-v rechtvaardigden, zijn kennelijk niet gegeven.’

4. Het standpunt van partij [A en B]

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 11 mei 2010 is de heer [A] de mening toegedaan dat mr. Hondelink degene was die op de zitting voortdurend obstrueerde en heeft mr. [X] getracht nog tot een oplossing van het geschil te komen. Door al het gekrakeel was het een onwaardige vertoning. ‘Na sluiting van de zitting zei mr. Hondelink tegen

mr. [X] “ik wraak u”, nadat mr. [X] tegen mr. Hondelink had gezegd dat hij een klacht tegen hem zou indienen.’, aldus [A], die verder heeft verklaard dat aan het begin van de comparitiezitting ongeveer vijftien minuten is gesteggeld over de stukken, waarna ongeveer 20 minuten inhoudelijk over de zaak is gesproken. Toen mr. Hondelink de stemming negatief bleef beïnvloeden, heeft mr. [X] mr. Hondelink het woord ontnomen, aldus steeds [A]. De heer [B] heeft nog toegevoegd, dat hij beduusd was over het verloop van de zitting en dat ook hun gemachtigde een dergelijke vertoning nog nimmer had meegemaakt.

5. De beoordeling

5.1 De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het onderhavige wrakingsverzoek de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.2 Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn/haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

5.3 Uit de stukken en hetgeen op de zitting van de wrakingskamer naar voren is

gebracht, volgt dat tijdens de comparitie een dispuut is ontstaan tussen de mr. Hondelink en mr. [X]. Daarbij zijn over en weer stevige kwalificaties gebezigd. De zitting heeft daardoor een grimmig karakter gekregen. Door de voortdurende interventies van mr. Hondelink, die mede terugslaan op de afwijzingen van zijn procedurele verweren, is het niet tot een vruchtbare inhoudelijke behandeling van de zaak kunnen komen. De comparitie is geëindigd in dreigementen over en weer om klachten tegen elkaar in te dienen. Mr. [X] zou hebben geroepen dat hij zou zorgdragen voor een beroepsverbod van mr. Hondelink.

Mr. Hondelink heeft daarop mr. [X] gewraakt, zo is ook bevestigd door de partij [A en B].

5.4 Het enkele feit dat zich tussen een rechter en een advocaat op de zitting een (stevige)

woordenwisseling voordoet, met irritatie over en weer tot gevolg, is op zichzelf genomen geen reden voor toewijzing van een wrakingsverzoek. In bijkomende feiten en omstandigheden kan echter reden zijn gelegen om te oordelen dat de rechter zijn onpartijdigheid dreigt te verliezen, althans dat de bij de procespartij bestaande vrees daartoe objectief gerechtvaardigd moet worden geoordeeld. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval voor.

5.5 De klacht van mr. Hondelink dat mr. [X] ten onrechte in het proces-verbaal van

de comparitie op 23 april 2010 geen melding heeft gemaakt van zijn bezwaren en de afwijzing daarvan door mr. [X] is terecht. Het is niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de vraag of de procedurele klachten van mr. Hondelink, wiens acties rechtstreeks worden toegerekend aan zijn cliënt(en), al dan niet terecht zijn afgewezen. Dat is aan de hoger beroepsrechter. Voor deze procedure is van belang dat van een rechter mag worden verwacht dat hij procedurele incidenten, zoals die zich hebben voorgedaan op de zitting van 23 april 2010, in het bijzonder gelet op het verloop van deze zitting, aantekent c.q. laat aantekenen in het proces-verbaal. Procesbeslissingen moeten immers in hoger beroep aan de orde gesteld kunnen worden. Dat wordt bemoeilijkt, indien van hetgeen zich te dien aanzien heeft voorgedaan op de zitting en van de door de rechter genomen procesbeslissingen, geen melding wordt gemaakt in het proces-verbaal.

Het proces-verbaal van de comparitie van 23 april 2010 maakt summier melding van de bezwaren van mr. Hondelink tegen de te laat ingediende stukken. Vastgesteld moet worden dat het proces-verbaal geen melding maakt van de bezwaren van mr. Hondelink tegen de vermeerdering van eis. Dit terwijl mr. [X] in zijn reactie van 6 mei 2010 melding maakt van het bezwaar van mr. Hondelink tegen die vermeerdering van eis. Vastgesteld moet ook worden dat het proces-verbaal geen melding maakt van de ter zitting door mr. [X] genomen procesbeslissingen.

5.6 Dit geldt ook voor het ter zitting gedane verzoek tot wraking van mr. [X].

Nu mr. Hondelink herhaaldelijk en consequent stelt dit verzoek op de zitting te hebben gedaan, en het doen van dit verzoek wordt bevestigd door de heren [A en B], moet de rechtbank er van uitgaan dat mr. [X] ter zitting is gewraakt. Dat partijen het oneens zijn over het moment van het wrakingsverzoek, kort voor of na de sluiting van de comparitie, is daarbij niet relevant. De vraag komt op of mr. [X] heeft gehoord dat hij ter zitting werd gewraakt. Uit het betoog van mr. Hondelink volgt dat mr. [X] het verzoek moet hebben gehoord, omdat hij het zelf terstond heeft afgewezen. Dit betoog wordt door de heren Greven echter niet bevestigd. In zijn reactie van 6 mei 2010 schrijft mr. [X] dat hij de bezwaren van mr. Hondelink tegen de vermeerdering van eis niet ziet als een wrakingsgrond. Maar daar gaat het niet om; het gaat om het aan het eind van de comparitie gedane wrakingsverzoek. De rechtbank houdt het erop dat mr. [X] kennelijk niet heeft waargenomen dat hij werd gewraakt. Hij had dit echter wel moeten waarnemen. Mr. [X] heeft dus een belangrijk incident op de zitting gemist. Mr. [X] had de behandeling van de zaak direct na het ter zitting gedane wrakingsverzoek moeten schorsen en had hiervan aantekening moeten (laten) maken in het proces-verbaal. Dat is ten onrechte niet gebeurd.

5.7 De rechtbank kan slechts raden naar de reden waarom mr. [X] het wrakingsverzoek heeft gemist. De rechtbank houdt het, gelet op hetgeen is vermeld over het verloop van de zitting, niet voor onmogelijk dat de irritatie en frustratie bij mr. [X] over het gedrag van mr. Hondelink aan het eind van de comparitie zodanig was toegenomen, dat het hem heeft verhinderd kennis te nemen van het gedane wrakingsverzoek. Wat er echter ook zij van het gedrag van deze gemachtigde, dat is niet ter beoordeling van de wrakingskamer, van een rechter mag worden gevergd dat hij ook in dergelijke omstandigheden op professionele wijze blijft denken en handelen. Of dat hier is gebeurd, moet worden betwijfeld, mede gelet op de inhoud van de reactie van 14 juli 2010.

5.8 De rechtbank ziet aanleiding ook de (nadere) reactie van mr. [X] op het

wrakingsverzoek te betrekken bij de oordeelsvorming. De rechtbank moet constateren dat mr. [X], ook ruim twee maanden na het wrakingsverzoek, spreekt over de “narrige en vervelende opmerkingen van mr. Hondelink” en diens “obstruerende gedrag”. De juistheid van de kwalificaties in het midden latend, roept deze reactie de vraag op of mr. [X] voldoende professionele distantie in acht weet te nemen jegens verzoekers en hun gemachtigde mr. Hondelink. De rechtbank is van oordeel dat deze reactie in elk geval onvruchtbaar is met het oog op de voortzetting van de behandeling van de onderhavige civiele procedure, alsmede de hiermee samenhangende procedure.

5.9 De rechtbank stelt vast dat mr. [X] in de ontstane situatie geen reden heeft

gezien zich te verschonen en dat hij evenmin in het wrakingsverzoek heeft berust, reden waarom thans op dit verzoek moet worden geoordeeld. De rechtbank komt na ampel beraad tot de slotsom dat door het samenstel van het hiervoor beschreven handelen en nalaten van mr. [X] (het niet vermelden van genoemde proces-incidenten en procesbeslissingen in het proces-verbaal, het waarnemen noch vermelden van het wrakingsverzoek in het proces-verbaal, het niet terstond schorsen van de behandeling, en de aard van de nadien door mr. [X] gegeven reactie) zodanige vraagtekens blijven bestaan bij het optreden van mr. [X], dat wordt geoordeeld dat de vrees van verzoekers dat - nu zij er bewust voor kiezen om ook in het vervolg van de procedure te worden bijgestaan door deze gemachtigde - mr. [X] zijn onpartijdigheid dreigt te verliezen en dat dit ten nadele van hun zaak zou kunnen uitpakken, objectief gerechtvaardigd moet worden geacht. Het wrakingsverzoek wordt daarom toegewezen.

De beslissing

De rechtbank:

6.1 wijst het verzoek tot wraking van mr. [X] toe;

6.2 draagt de griffier op een afschrift van deze beslissing toe te zenden aan

mr. Hondelink, partij [A en B] en mr. [X], alsmede aan de sectorvoorzitter van de sector kanton van deze rechtbank en de president van deze rechtbank;

6.3 bepaalt dat de lopende procedure ([nummer]) verder wordt behandeld door een andere rechter en beveelt dat de behandeling ter zitting wordt aangevangen op een nader te bepalen tijdstip.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, mr. G. Perrick en

mr. drs. R. in ’t Veld, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op

26 augustus 2010, in het bijzijn van de griffier, mr. M.S.D. de Weerd.