Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN4399

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
16-711769-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 51.500,-. Zij legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 51.500,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16-711769-09 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 13 augustus 2010

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Raadsman: mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden.

1. De procedure.

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16-711769-09;

- het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van deze rechtbank van 2 juli 2010 in de zaak met parketnummer 16-711769-09, waaruit blijkt dat veroordeelde is veroordeeld terzake van:

1. deelname aan een criminele organisatie;

2. medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd;

3. medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

4. medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,

tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzittingen van 9 juni 2010, 15 juni 2010 en 18 juni 2010;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek op voormelde terechtzittingen is de veroordeelde gehoord en hebben de officier van justitie en de raadsman hun standpunten kenbaar gemaakt.

2. De beoordeling.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door haar wordt geschat op € 117.705,74.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van of uit baten van soortgelijke feiten als de hiervoor onder kopje 1 (de procedure) onder 2 en 3 genoemde strafbare feiten voordeel gekregen.

De rechtbank ontleent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat .

Zaaksdossier 3 ([adres] te Veenendaal)

Zaaksdossier 4 ([adres] te Rhenen)

Op 22 oktober 2008 is de hypotheekakte voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan de [adres] te Veenendaal ten name van [betrokkene 1][betrokkene 5] en [betrokkene 2] gepasseerd ten overstaan van notaris mr. T.J. van der Veer te Veenendaal. In het hypotheekbedrag groot € 450.000,- was een bedrag van € 120.000,- gereserveerd voor de verbouwing .

Op 29 oktober 2008 is de hypotheekakte voor de hypothecaire geldlening ten aanzien van de woning aan de [adres] te Rhenen gepasseerd bij notariskantoor [naam]. Door [bedrijf 1] is een hypothecaire lening verstrekt ten bedrage van

€ 410.000,- met daarin opgenomen een bouwdepot van € 80.000,- .

In het dossier bevinden zich de volgende documenten:

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 22.610,- met betalingskenmerk 45-122-45-08 ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 42.840,- met betalingskenmerk 45-122-42-08 ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 56.822,50 met betalingskenmerk 40-122-39-08 ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 13.685,- met betalingskenmerk 43-121-46-08 ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 43.435,- met betalingskenmerk 42-121-44-08 ;

- een nota van [bedrijf 2], rekeningnummer [rekeningnummer], voor een bedrag van € 26.775,- met betalingskenmerk 41-121-42-08 .

Op grond van de eerste drie voormelde nota’s heeft de [bedrijf 3] via [betrokkene 3] op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2] onderhoudsbedrijf uitbetaald:

- op 13 november 2008 een bedrag van € 22.610,- ;

- op 17 november 2008 een bedrag van € 97.861,76 .

Op grond van de laatste drie voormelde nota’s heeft [bedrijf 1] op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 2] onderhoudsbedrijf uitbetaald:

- op 11 november 2008 een bedrag van € 70.210,- ;

- op 14 november 2008 een bedrag van € 9.790,- .

Het bedrijf van [verbalisant 1] heet [bedrijf 2]-onderhoudsbedrijf . Verbalisanten hebben [verbalisant 1] voorgehouden dat op 11, 13 14 en 17 november 2008 bedragen op de bedrijfsrekening van [bedrijf 2] zijn gestort van respectievelijk € 70.210,-, € 22.610,-, € 9.700,- en € 97.861,76 in verband met het vrijkomen van de bouwdepots ten aanzien van de panden aan de [adres] te [woonplaats] en de [adres] te Rhenen. Volgens [verbalisant 1] werd op initiatief van [betrokkene 4] de hele constructie van rekeningen en facturen besproken. [verbalisant 1] had de nota al gemaakt voordat de hypotheek rond was. Dit was niet iets dat hij normaliter deed. Hij heeft daarvoor nooit aan een klant een nota gegeven voordat hij het werk had verricht. Hij erkent hierin fout te zijn geweest .

Nadat verbalisanten [verbalisant 1] hebben voorgehouden dat hij in de periode van 13 oktober 2008 tot en met 10 november 2008 drie facturen naar [betrokkene 5] en [betrokkene 6] heeft verzonden naar het adres [adres] te [woonplaats], heeft [verbalisant 1] verklaard dat hij deze nota’s heeft opgemaakt en dat hij zijn handtekening erop herkent.

Volgens [verbalisant 1] was het hetzelfde verhaal als bij de [adres] te Veenendaal. Op de [adres] heeft [verbalisant 1] geen verbouwingswerkzaamheden verricht. Het geheel werd besproken met [betrokkene 4] .

Op 24 november 2008 vindt van de bankrekening van [bedrijf 2] een spoedbetaling aan [betrokkene 1][betrokkene 5] plaats van € 51.700,-. Vervolgens heeft [betrokkene 1][betrokkene 5] op 25 november 2008 een bedrag van € 44.500,- overgemaakt aan [verdachte] onder vermelding van “spoedopdracht” .

Daarnaast heeft [betrokkene 1][betrokkene 5] op 25 november 2007 een bedrag van € 7.000,- aan [betrokkene 7] overgemaakt, eveneens onder vermelding van “spoedopdracht” . Uit telefonische informatie met [betrokkene 7] bleek verbalisant [verbalisant 2] dat dit een betaling door [betrokkene 5] betrof voor achterstallige betaling van een leasecontract van [verdachte] .

Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 51.500,- (€ 44.500,- + € 7.000,-)

Zaaksdossier 8 ([adres] te Veenendaal)

Zaaksdossier 10 ([woonadres] te Veenendaal)

De rechtbank stelt vast dat [verdachte] geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten met betrekking tot zijn eigen panden aan de [adres] te [woonplaats] en de [woonadres] te Veenendaal. [verdachte] heeft ten aanzien van het pand aan de [adres] een hypothecaire lening ten bedrage van € 370.000,- met een bouwdepot van € 85.000,- verkregen. Met betrekking tot het pand aan de [woonadres] is aan hem een hypotheek ten bedrage van € 486.000,- verstrekt met een bouwdepot van € 42.000,-. Het vermogen van [verdachte] is hierdoor echter niet vermeerderd. Hij is immers tegelijkertijd met de verstrekking van deze hypotheken hypothecaire schulden aangegaan voor dezelfde bedragen.

Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel: € 51.500,-

De raadsman heeft de rechtbank ter terechtzitting verzocht bij de bepaling van het terug te betalen bedrag rekening te houden met de beperkte draagkracht van veroordeelde en de verwachting dat deze draagkracht in de nabije toekomst niet zal toenemen.

Gelet op de ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden acht de rechtbank geen gronden aanwezig om het door de veroordeelde te betalen bedrag lager vast te stellen dan het voormelde bedrag. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat redelijkerwijs te verwachten is dat veroordeelde in de toekomst in staat zal zijn om aan een verplichting tot betaling aan de staat te voldoen.

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag derhalve vaststellen op € 51.500,- en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

3. De beslissing.

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 51.500,-.

Zij legt veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 51.500,-, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Zij wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. S. Wijna en mr. R.P. den Otter, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.M.T. Bouwman-Everhardus en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 augustus 2010.

Mr. S. Wijna is buitens staat deze beslissing mede te ondertekenen.