Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN4364

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-08-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
648164 AC EXPL 09-6180 SdL
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijke opzegging; schade; Habe-nichtsexceptie; schadebeperking; tekortschieten werkgever in zijn verplichting te handelen als goed werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0674
RAR 2010/158

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector kanton

Locatie Amersfoort

zaaknummer: 648164 AC EXPL 09-6180 SdL

vonnis d.d. 4 augustus 2010

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. S.E. van den Berg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. B.G. Liefferink.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

[gedaagde] heeft geantwoord op de vordering.

[eiser] heeft voor repliek en [gedaagde] heeft voor dupliek geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De beoordeling

1.1

[eiser], geboren [1958], is op 3 april 2006 in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van projectleider tegen een bruto salaris van laatstelijk € 4.849,86 per maand exclusief vakantiebijslag en exclusief andere emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO UTA van toepassing. [gedaagde] is een bouwbedrijf en houdt zich bezig met nieuwbouw, verbouw en onderhoud.

1.2.

Op 17 april 2009 heeft [gedaagde] toestemming gevraagd aan UWV Werkbedrijf te Amersfoort om de arbeidsovereenkomst op te zeggen vanwege bedrijfseconomische redenen. [eiser] heeft verweer gevoerd, maar het UWV Werkbedrijf heeft op 5 juni 2009 aan [gedaagde] toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen. Bij brief van 10 juni 2009 is het dienstverband van [eiser], onder verwijzing naar de verleende toestemming, opgezegd tegen 12 juli 2009. Op grond van de CAO vindt opzegging plaats tegen de dag na het verstrijken van de betreffende loonperiode.

2.

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat het door [gedaagde] op 10 juni 2009 aangezegde ontslag tegen 12 juli 2009 kennelijk onredelijk is en om [gedaagde] te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een schadevergoeding ad € 23.570,30 bruto, althans een zodanig bedrag als de kantonrechter redelijk acht. Ten slotte wordt gevorderd dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt in de kosten van dit geding.

Aan de vordering wordt ten grondslag gelegd dat, vanwege het feit dat [eiser] geen redelijke vergoeding is aangeboden en door de werkelijke gevolgen die de beëindiging met zich meebrengen, het aan [eiser] gegeven ontslag uit de arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt op grond van het gevolgencriterium als bedoeld in artikel 7:681 lid 2 sub b BW. De economische omstandigheden zijn volgens [eiser] niet dusdanig ernstig dat er geen ruimte is voor een billijke financiële voorziening. Het is [eiser] gebleken dat het juist goed gaat met [gedaagde]. Zij blijkt ook nog actief te sponsoren, zoals bijvoorbeeld bij Amersfoort Jazz 2009. Daarbij komt dat aan [eiser] geen enkele ondersteuning is gegeven nadat de reorganisatie aan hem is medegedeeld en hij is aan zijn lot overgelaten. Het is [eiser] opgevallen dat [gedaagde] tot de dag van vandaag vacatures heeft uitstaan, waaronder die van assistent projectleider. [eiser] zou deze functie ook prima kunnen uitoefenen, zodat de eerdere stelling van [gedaagde] dat er geen passende functie in het bedrijf voorhanden zou zijn volstrekt ongeloofwaardig moet worden geacht. Gelet op het feit dat het in het geheel niet slecht gaat met het bedrijf, zou er wat [eiser] betreft zelfs gesproken kunnen worden van een valse en/of voorgewende reden als bedoeld in artikel 7:681 lid 2 onder a BW, hetgeen het ontslag ook kennelijk onredelijk maakt. [eiser] heeft in de ruim 3 jaar dat hij bij [gedaagde] in dienst is geweest altijd goed gefunctioneerd. [gedaagde] heeft in een beëindigingvoorstel d.d. 20 april 2009 nog benadrukt dat [eiser] heeft blijk gegeven van zijn vakbekwaamheid, enthousiasme en betrouwbaarheid als projectleider In het geval van [eiser] dient mee te wegen dat sprake is van een hoge leeftijd en beperkte mogelijkheden om elders een vergelijkbare functie te vinden. Het spreekt voor zich dat iemand met een leeftijd van 51 jaar op korte termijn moeilijk aan werk kan komen, voor zover [eiser] daarin überhaupt nog zou slagen gelet op de bedrijfstak waarin [eiser] in werkzaam is (geweest). [eiser] vordert derhalve een schadevergoeding naar redelijkheid van

€ 23.570,30, wat de uitkomst is van de analoge toepassing van de kantonrechtersformule met toepassing van correctiefactor 1. De Hoge Raad heeft op 27 november 2009 bepaald dat het toepassen van een generieke korting zich niet verdraagt met de wijze waarop de rechter in geval van kennelijk onredelijk ontslag een vergoeding dient te bepalen (HR 21 november 2009, LJN BJ6596). Bij de berekening van de schadevergoeding heeft [eiser] geen algemene korting toegepast, maar heeft hij – voor de begroting van de schadevergoeding – aansluiting gezocht bij de kantonrechtersformule en daarbij een correctiefactor van C=1 gehanteerd. De door [gedaagde] voorgestane XYZ-formule waarbij een korting van 50% wordt toegepast kan dan ook geen toepassing vinden. Het beroep van [gedaagde] op de ‘habe-nichts-exceptie’ kan niet gevolgd worden. Ten eerste ontbreken de stukken voor een onderbouwing van de habenichts- of habe-wenig-exceptie. Ten tweede wordt de juistheid van de cijfers die door [gedaagde] zijn overgelegd betwist. Daarnaast zit in de holding afdoende eigen vermogen en wordt door [gedaagde] miskend dat de winsten[gedaagde] door dividendbetaling naar de holding zijn gesluisd. Er dient naar het groepsverband gekeken te worden. Ook met de prognoses wordt flink gegoocheld. Ten eerste zijn het geconsolideerde winst- en verliescijfers, terwijl de ingebrachte balans enkelvoudig is. Ten tweede wordt er geen onderbouwing van de geprognosticeerde omzet of inkoopwaarde gegeven. Het is volstrekt onduidelijk hoe deze prognoses tot stand zijn gekomen. Voorts blijkt dat zowel de boekjaren 2007 als 2008 met goed resultaat zijn afgesloten en ook de prognose voor 2010 is gunstig, omdat weer winst wordt voorspeld.

3.

[gedaagde] voert verweer.

Inderdaad heeft [gedaagde] een in mei 2009 gehouden festival gesponsord voor

€ 3500,- , maar de toezegging was reeds gedaan in het najaar van 2008. De directeur/eigenaar van [gedaagde] heeft tevergeefs bij andere aannemers geïnformeerd naar vacatures. [eiser] voert wel aan dat hem geen enkele ondersteuning is gegeven, maar in het midden blijft waar die ondersteuning dan uit zou moeten bestaan en waarom hij die niet heeft gevraagd. Wel heeft de directeur/eigenaar van [gedaagde] desgevraagd positieve referenties gegeven in het kader van een externe sollicitatie door [eiser]. Sinds 20 april 2009 heeft [gedaagde] geen personeel in dienst genomen en heeft zij geen vacatures uitstaan. [eiser] heeft vanaf 20 april tot 9 september 2009 slechts tienmaal gesolliciteerd, en bij de gestelde inkomensachteruitgang veronachtzaamt [eiser] de genoten vrije tijd, verstrekt hij slechts salarisspecificaties tot en met 20 september 2009 en telt hij ten onrechte de fiscale bijtelling voor de bedrijfsauto mee.

Het ontgaat [gedaagde] dat zij voor haar habenichts-verweer jaarstukken over de laatste drie boekjaren dient te verstrekken. [gedaagde] heeft bij haar aanvraag om een ontslagvergunning d.d. 16 april 2009 een prognose 2009 zonder en met maatregelen overgelegd. De prognose 2009 met maatregelen d.d. 16 april 2009 komt uit op een verlies van € 85.000,-- en de prognose per 1 september 2009 op een verlies van € 55.000,-. Met inachtneming van Schoonderwoert/ Schoonderwoerd (HR 17 oktober 1997, JAR 1997/245) en het ontslag met ingang van 12 juli 2009 heeft [gedaagde] daarmede genoegzaam aangetoond dat de reorganisatie (en het ontslag van [eiser]) in het belang van het bedrijf was en dat zij geen geld heeft voor een vergoeding voor [eiser] (welke zijn ontslagen collega’s ook niet hebben gekregen). Ter verdere opschoning van haar balans en verdere financiering heeft [gedaagde] een bedrijfspand en het restant bouwgrond in 2009 verkocht aan [holding gedaagde], die de hypotheekschuld heeft overgenomen en een deel van de koopsom is schuldig gebleven. Op laatstgenoemde verkoop heeft [gedaagde] een fiscale en interne, dus eigenlijk papieren, winst behaald van € 67.000,- Zonder die verkoop zou [gedaagde] in 2009 een verlies hebben geleden van € 33.000,- (plus € 67.000,- is € 100.000,-) [gedaagde] had per 31 december 2009 een bankschuld van € 423.000,. Het eigen vermogen van [holding gedaagde] beliep weliswaar € 522.000,- per 31 december 2009, maar zit volledig vast in onroerend goed. Ook het geconsolideerde eigen vermogen is niet rooskleurig, te weten € 346.000,-. In 2008 en 2009 zijn geen winsten doorgesluisd naar de holding, ook niet via dividend.

4.

De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.

Ten aanzien van de kennelijke onredelijkheid.

4.1.

[eiser] heeft allereerst aangevoerd dat, vanwege het feit dat het in het geheel niet slecht gaat met het bedrijf, er gesproken kan worden van een valse en/of voorgewende reden als bedoeld in 7:681 lid 2 onder a BW, hetgeen het ontslag (ook) kennelijk onredelijk maakt. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt. De wetgever is ervan uitgegaan, dat ”partijen over en weer er aanpraak op hebben om te weten waarom in werkelijkheid de andere partij de arbeidsrelatie beëindigt” (M.G. Levenbach, Het nieuwe burgerlijkrechtelijke ontslagrecht, Samsom n.v., Alphen aan den Rijn 1954, blz. 51). In de Memorie van Toelichting op dit artikel werd erop gewezen, dat de gegeven formule ”niet bedoelt te eisen, dat steeds bij het ontslag de reden expressis verbis of in geschrifte wordt opgegeven. Voldoende is dat de wederpartij uit hetgeen voor of bij het ontslag is geschied de reden kent.” Verder verduidelijkt de Memorie van Toelichting: „Een valse reden is een reden, die niet bestaat; een voorgewende reden is een reden, die weliswaar bestaat, doch die slechts wordt aangevoerd om een andere reden, die in werkelijkheid heeft voorgezeten, te camoufleren.” Het doel van de bepaling is dus enerzijds de eerlijkheid tussen partijen omtrent de ontslaggrond als redelijke eis te stellen door een niet voldoen daaraan in het algemeen als kennelijk onredelijk te kwalificeren. En anderzijds (tweede grond) wordt een controle op de kennelijk onredelijke opzegging veel moeilijker als een partij genoegen moet nemen met vage of onduidelijke mededelingen van de wederpartij. De werknemer (of werkgever) moet kunnen beoordelen of hij voldoende motief heeft een vordering wegens kennelijk onredelijke opzegging in te stellen.

De kantonrechter is derhalve van oordeel dat een uiteindelijke conclusie van de rechter dat de door de werkgever verstrekte onderbouwing van de aangevoerde bedrijfseconomische reden niet of niet geheel juist is, nog niet maakt dat de reden vals of voorgewend is. Het beroep op de in art. 7:681 lid 2 onder a BW genoemde grond wordt derhalve afgewezen.

4.2.

Vervolgens heeft de werkgever aangevoerd dat de rechter pas een schadevergoeding kan toekennen, als het ontslag kennelijk onredelijk is, hetgeen betekent dat een ontslag duidelijk onredelijk, schromelijk onredelijk, manifest onredelijk moet zijn en dat, anders gezegd, een ontslag pas kennelijk onredelijk is, indien geen redelijk handelend werkgever tot een ontslag had kunnen besluiten.

Dit verweer kan niet als een zelfstandig verweer slagen omdat het manifest onredelijke of het duidelijk onredelijke tot uiting moet komen door de toepassing van een of meer van de bijzondere, niet-limitatieve, verschijningsvormen zoals neergelegd in art. 7:681 lid 2 BW.

4.3.

[eiser] heeft in dat verband in de dagvaarding onder punt 7 het standpunt ingenomen dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is in verband met het ontbreken van een financiële voorziening. Die redengeving voldoet niet. Ook in het geval van art. 7:681 lid 2, aanhef en onder b BW volgt reeds uit de wettelijke omschrijving dat het enkele feit dat geen voorziening voor de werknemer is getroffen, niet voldoende is om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Ook dan hangt het af van de door de rechter vast te stellen omstandigheden, waaronder het ontbreken van een vergoeding ter zake van het ontslag, of voldaan is aan de in de wet neergelegde maatstaf die in de kern inhoudt dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap (HR, 27 november 2009, JAR 2009/305, r.o. 4.2.). Dit uitgangspunt is iets verfijnd in het arrest van 12 februari 2010, JAR 2010/72. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering als bedoeld in art. 7:681 lid 1 BW. In een dergelijk geval moet voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen

4.4.

[eiser] heeft, naast de stelling dat de opzegging een valse of voorgewende reden kent en dat de opzegging alleen al kennelijk onredelijk is omdat een financiële voorziening ontbreekt, ook het bepaalde in art. 7:681 lid 2 onder b BW, dat kort gezegd de onevenredigheid van de opzegging regelt, aangehaald.

Artikel 7:681 lid 2 onder b BW bepaalt dat beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk geacht kan worden, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor die werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de beëindiging voor die werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging.

4.4.1

[eiser] heeft in dit verband aangevoerd dat een functie binnen het bedrijf voor hem passend is. [gedaagde] heeft evenwel naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aangetoond dat de functie niet beschikbaar is. De concrete functie van assistent-projectleider voor 20 uur per week is door (en ter gelegenheid van) de reorganisatie van begin 2009 niet meer opengesteld en zelfs vervallen.

4.4.2..

[eiser] heeft voorts in dit verband geklaagd over het gebrek aan begeleiding door de werkgever in de situatie die is ontstaan door het plotseling voorgenomen en uitgevoerde ontslag. [gedaagde] heeft weliswaar aangevoerd dat [eiser] in het midden laat waar die ondersteuning dan uit zou moeten bestaan, maar [gedaagde] had als ondernemer in de bouw (die, naar van algemene bekendheid is en naar blijkt uit [gedaagde]s eigen onderbouwing van de bedrijfseconomische noodzaak van de opzegging, zware tijden kent) uit eigen beweging moeten aanbieden om de 51-jarige [eiser] van begeleiding te voorzien, door [eiser] aan te bieden outplacementbegeleiding te volgen dan wel het MKB-mobiliteitscentrum in te schakelen. Onvoldoende is dat [gedaagde] positieve referenties gegeven heeft in het kader van een externe sollicitatie door [eiser]. Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat zij tevergeefs bij andere aannemers geïnformeerd heeft naar vacatures is op geen enkele wijze door [gedaagde] onderbouwd.

Tegenover dit belang van [eiser] staat het belang van [gedaagde] bij de opzegging omdat het met het bedrijf slecht gaat. Uit het debat tussen partijen over de bedrijfseconomische gegevens is de kantonrechter onvoldoende gebleken dat er geen enkele mogelijkheid is om de werknemer een voorziening aan te bieden die erin bestaat de gevolgen van het ontslag te verlichten. Leniging van die gevolgen had ook met een gering bedrag ter zake van outplacement of inschakelen van een mobiliteitscentrum plaats kunnen vinden.

De kantonrechter acht derhalve de opzegging kennelijk onredelijk.

Ten aanzien van de schadevergoeding.

5.

De volgende vraag luidt welke schadevergoeding daaraan moet worden verbonden. De hoogte van deze vergoeding dient nauw verband te hebben met omstandigheden die de rechter hebben geleid tot zijn oordeel over kennelijke onredelijkheid van het ontslag en is onder meer afhankelijk van omstandigheden als de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en de kans op het vinden van ander passend werk (HR 12 februari 2010, JAR 2010/72, r.o. 3.5.3.). De vergoeding dient een zekere mate van genoegdoening te verstrekken die in overeenstemming is met de aard en ernst van de tekortkoming van de werkgever.

In dit geval bestaat de tekortkoming eruit dat de werkgever heeft nagelaten de werknemer te begeleiden, in de vorm van het aanleren van de vaardigheid zelf te solliciteren dan wel hulp daarbij te bieden door middel van mobiliteitsbijstand.

5.1.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de werknemer zelf schuld geeft aan het bestaan van de schade, omdat hij slechts tien sollicitatiebrieven zou hebben geschreven. De kwantiteit van sollicaties is evenwel onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] onvoldoende pogingen in het werk stelt weer passende arbeid te vinden en daardoor eigen schuld heeft aan het blijven bestaan van (werkloosheid en wellicht dientengevolge ontstaande) grotere behoefte aan een schadevergoeding ingevolge artikel 7: 681 BW. Niet uit het oog dient hierbij te worden verloren dat de schadevergoeding immers al aangeboden moet worden op het moment dat de opzegging plaatsvindt dan wel de opzegtermijn afloopt, waarbij hooguit latere omstandigheden een aanwijzing kunnen zijn voor wat toen, ten tijde van opzegging en opzegtermijn, kon worden verwacht. Deze verwachting is hier niet aan de orde.

5.2.

Voorts heeft [gedaagde] erop gewezen dat [eiser] een langdurig recht op WW heeft. Uit deze erkenning kan worden opgemaakt dat (geen eigen schuld van [eiser] dan wel) niet een niet voldoen aan de verplichting om de schade [gedaagde]agde] te beperken kan worden aangenomen, nu [eiser] gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een vervangende inkomensvoorziening te krijgen die bestaat uit een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

5.3.

Met betrekking tot het Habe-nichts-verweer overweegt de kantonrechter als volgt.

In het kader van de vergoeding van schade dient het argument van de werkgever dat hij niet in staat is om een schadevergoeding te betalen aan de hand van een strengere maatstaf te worden beoordeeld (dan de toets die plaatsvindt bij de beoordeling van de onevenredigheid, in het raam van de beantwoording van de vraag of de opzegging kennelijk onredelijk is). De door de werknemer geleden schade dient immers in beginsel integraal te worden vergoed en de rechter mag de schadevergoedingsverplichting slechts matigen, indien toekenning van een volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden (art. 6:109 BW jo. art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 BW). Hierbij moet worden gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht. De kantonrechter is door [gedaagde] er niet van overtuigd dat de toekenning van schadevergoeding het voortbestaan van het bedrijf in gevaar zou brengen. En zelfs indien zou worden aangenomen dat de tekortkoming van de werkgever behoort tot de lichtere vormen van schuld, dan nog is er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van een matigingsgrond, gelet op de financiële ruimte die er nog is om het hier onder toe te kennen schadevergoedingsbedrag aan de werknemer te betalen. Bij UWV Werkbedrijf heeft [gedaagde] zelf aangevoerd dat het ontslag van vijf betrokken werknemers een besparing oplevert van € 150.000,-, uitgaande van een einde dienstverband van 1 juli 2009. Het jaar 2008 is, naar de accountant meldt, overigens met winst afgesloten. Het jaar 2010 moet wederom zwarte cijfers opleveren, waarbij de accountant verwijst naar een op 16 april 2009 overgelegde productie 7. De redelijke verwachting is dus dat er weer winst gemaakt wordt. Bij dupliek (d.d. 3 maart 2010) is daaraan door [gedaagde] geen aandacht besteed anders dan de opmerking dat zij meent niet tot verdere ”bewijslevering” gehouden te zijn dan overlegging van cijfers per 1 september 2009. Latere omstandigheden kunnen evenwel een aanwijzing zijn voor wat op het moment van opzeggen kan worden verwacht.

5.4.

Uitgangspunt bij de bepaling van de hoogte van de schade is enerzijds dat de schade begroot, of geschat dan wel naar billijkheid wordt vastgesteld en dat de rechter daarin voldoende inzicht biedt. Anderzijds is uitgangspunt dat de werkgever de schadevergoeding al ten tijde van opzegging althans het aflopen van de opzegtermijn had moeten vaststellen teneinde toen al compensatie te bieden (HR 17 oktober 1997, JAR 1997/245, Schoonderwoert/ Schoonderwoerd). Voorts is uitgangspunt dat de schade het verschil is tussen de situatie met de fout en de situatie zonder fout, waarbij de fout is de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust (W. Dijkshoorn en S.D. Lindenbergh, Schadebegroting, bewijs en waardering, AA 2010, p. 538 e.v.) hetgeen in een ontslagzaak als de onderhavige de opzegging is. Vervolgens is ook uitgangspunt dat de vastgestelde onevenredigheid een minder flagrante strijd met goed werkgeverschap oplevert dan bijvoorbeeld een opzegging zonder reden, een opzegging met een valse of vermeende reden en een opzegging met passering van een opzegverbod.

De bedoeling van de aanname van de situatie zonder een fout en met een fout is dat de aansprakelijke (werkgever) de benadeelde (werknemer) van aanvang af niet door de foutieve gedragingen had mogen benadelen en hem daarom met schadevergoeding zoveel mogelijk -tenminste financieel- in de situatie moet brengen waarin de werknemer zonder de schadetoebrengende gebeurtenis zou hebben verkeerd.

De begroting van de schade kan als volgt plaatsvinden. De werknemer had door de werkgever moeten worden begeleid bij het snel en adequaat vinden van een andere baan en de werkgever had daarvoor kosten moeten maken, maar heeft dat niet gedaan. De kantonrechter neemt als feit van algemene bekendheid aan dat de kosten van een cursus outplacement gelijk staan aan de kosten van het inschakelen van een mobiliteitscentrum. Een cursus outplacement of een begeleiding door een mobiliteitscentrum kost, zo schat de kantonrechter, € 9.500,-

Door de toekenning van een zo concrete schadepost behoeft, voor zover al aan de orde, geen rekening te worden gehouden met de al verkregen uitkering ingevolge de Werkloosheidswet.

Andere vermogenschade of gebleken nadeel is onvoldoende aangetoond.

4.9.

Nu beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter termen om de proceskosten geheel te compenseren, in die zin dat elke partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat de door [gedaagde] op 10 juni 2009 verrichte opzegging van de arbeidsovereenkomst tussen haar en [eiser] per 12 juli 2009 kennelijk onredelijk is;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 9.500,-;

compenseert de proceskosten geheel;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.J.M. de Laat en is in aanwezigheid van de griffier uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 augustus 2010.