Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN4035

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
16-600443-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling; handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie. Verdachte sloeg agent met ploertendoder. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzonder voorwaarde (onder meer) dat verdachte zal meewerken aan een agressieregulatietraining. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verdachte tot een werkstraf van 240 uur. De rechtbank legt een fors lagere (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op dan in vergelijkbare zaken, omdat de rechtbank in hoge mate rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600443-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 augustus 2010

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

verblijvende: P.I. Utrecht, locatie Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein,

raadsman mr. V.H. Hammerstein, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 juli 2010, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1: opzettelijk geprobeerd heeft een politieagent van het leven te beroven, dan wel zwaar te mishandelen door hem met een ploertendoder op zijn hoofd te slaan;

- feit 2: een ploertendoder voorhanden heeft gehad.

3 De beoordeling van het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dat niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van verdachte, de aangifte van [slachtoffer] en de diverse processen-verbaal van bevindingen.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank op basis van de in het dossier aanwezige stukken en recente jurisprudentie niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag.

De verdediging refereert zich aan het oordeel voor wat betreft de bewezenverklaring van de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde feit.

3.3 Het oordeel van de rechtbank

vrijspraak

De rechtbank heeft op grond van wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging verkregen dat verdachte de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot doodslag heeft begaan. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier daar onvoldoende aanknopingspunten voor biedt.

De verdachte moet dus van dat gedeelte worden vrijgesproken.

De rechtbank acht de onder 1 impliciet ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, en baseert zich daarbij op:

De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 30 juli 2010, dat hij op 30 april 2010 te Rhenen boos op het latere slachtoffer is afgerend met een lange zwarte stok in zijn handen en vervolgens daarmee in de richting van het slachtoffer heeft geslagen.

De aangifte van [slachtoffer] , hoofdagent van politie, dat hij op 30 april 2010 een keiharde klap op zijn hoofd voelde. Ten gevolge van de klap voelde hij een intense pijnscheut in zijn hoofd. Links van hem zag hij een jongen staan (de rechtbank begrijpt dat hier verdachte wordt bedoeld) met een uitschuifbare ploertendoder in zijn handen. Uit de medische verklaring volgt dat het slachtoffer ten gevolge van de klap met de ploertendoder een 5 centimeter lange hoofdwond heeft opgelopen.

De diverse processen-verbaal van bevindingen van:

- J.J. van Wingerden waaruit volgt dat verdachte een ploertendoder in zijn opgeheven hand hield en daarmee woest slaande bewegingen maakte;

- J.J. Janssen waaruit volgt dat verdachte richting aangever [slachtoffer] rende en een ploertendoder boven zijn hoofd hield, een slaande beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer] maakte en hem vol raakte op het hoofd, met grote kracht;

- A. Buco waaruit volgt dat verdachte met kracht met de ploertendoder uithaalde in de richting van het hoofd van aangever [slachtoffer] en daarbij [slachtoffer] op het hoofd raakte.

Proces-verbaal van inbeslagneming, waaruit blijkt dat onder verdachte een ploertendoder in beslag is genomen. Een ploertendoder is blijkens het bepaalde in artikel 2, lid 1 onder 3º van de Wet Wapens en Munitie een wapen van Categorie I.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op 30 april 2010 te Rhenen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (hoofdagent van politie) zwaar te mishandelen, met dat opzet die [slachtoffer] met een ploertendoder met kracht tegen het hoofd heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 30 april 2010 in de gemeente Rhenen een wapen van categorie I, onder 3 te weten een ploertendoder voorhanden heeft gehad;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4 De strafbaarheid

4.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: poging tot zware mishandeling;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

4.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

5 De strafoplegging

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringcontact.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de voorlopige hechtenis met daarbij een voorwaardelijk deel met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Op 30 april 2010 is er naar aanleiding van een conflict een opstootje ontstaan in het centrum van Rhenen. Een groep mensen is meermalen door de politie gewaarschuwd dat zij weg moesten gaan. Desondanks blijft een deel van de groep zich aan de politie opdringen, waardoor een dermate dreigende situatie is ontstaan dat de politie zich genoodzaakt ziet gebruik te maken van de wapenstok. Nadat hij vernam dat zijn schoonvader werd “opgeladen”, is verdachte naar het centrum van Rhenen teruggegaan. Verdachte had op dat moment een behoorlijke hoeveelheid alcohol genuttigd. Verdachte is en was zich er ook toen van bewust dat hij een agressieprobleem heeft. Verdachte heeft zich onder die omstandigheden met zijn toen 13 weken zwangere vriendin in de menigte en het tumult begeven. Zij hebben geen gehoor gegeven aan de diverse waarschuwingen van de politie. Wanneer verdachte ziet dat er een confrontatie is tussen een agent en zijn vriendin wordt hij boos, kiest voor de aanval en rent met een ploertendoder, dat naar het oordeel van de rechtbank een stevig slagwapen is, in zijn opgeheven hand naar de agent tegen wie zijn woede is gericht. Verdachte slaat met kracht in zijn richting. De agent wordt daarbij met de ploertendoder vol op zijn hoofd geraakt. Het slachtoffer heeft in een verklaring aangegeven dat hij ten gevolge van de klap lichamelijke klachten heeft opgelopen, zoals hoofdpijnen, vermoeidheid en concentratieproblemen, als gevolg waarvan hij een aantal weken niet heeft kunnen werken en daarna een aantal weken aangepast werk heeft verricht. Daarnaast heeft zijn sociale leven een aantal weken stilgelegen. Het slachtoffer ondervindt thans tijdens de uitoefening van zijn werk nog steeds de psychische gevolgen en spanningen van het incident als hij zich in groepen mensen begeeft.

Een slag met een dergelijk slagwapen op een kwetsbare plaats als het hoofd, met kracht en uit woede gegeven, kan zonder meer tot zeer ernstig en mogelijk blijvend letsel leiden. Dat het (zichtbare) lichamelijke letsel van het slachtoffer beperkt is gebleven tot een aanzienlijke hoofdwond is niet aan verdachte te danken.

Het zoeken van de confrontatie met de politie die probeert te orde te handhaven en daarbij gebruik maken van een slagwapen ten overstaan van veel publiek is een daad die volstrekt ongepast en onnodig is. Dergelijk gedrag veroorzaakt ook maatschappelijke onrust en kan grote lichamelijke en psychische gevolgen hebben voor het slachtoffer. Dat is in dit geval ook gebleken.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte er rekening mee dat verdachte via zijn raadsvrouw geprobeerd heeft in contact te komen met het slachtoffer om zijn excuses aan te bieden en dat hij een excuusbrief aan het slachtoffer heeft geschreven. Verdachte komt hierbij oprecht op de rechtbank over.

De rechtbank houdt voorts rekening met het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij in het verleden meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten.

Op 13 juli 2010 heeft de reclassering Nederland een advies uitgebracht, waaruit volgt dat verdachte bij een te lange detentie zijn baan en opleiding kwijt zal raken. Verdachte heeft een jong gezin en wordt binnenkort opnieuw vader. Het recidivegevaar wordt thans ingeschat als laag. Verdachte heeft moeite zijn agressie onder controle te houden. Een agressieregulatietraining is een mogelijkheid om de kans op recidive te verkleinen. Het verlies van zijn baan en opleiding levert een gevaarsrisico op.

Er wordt geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringstoezicht met een meldingsgebod en een behandelverplichting in de vorm van een agressieregulatietraining.

De rechtbank is van oordeel dat dergelijke feiten een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Mede bepalend daarbij is het feit dat deze feiten zijn gepleegd tegen een politieagent tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden nadat verdachte en zijn vriendin waren verzocht zich te verwijderen.

De rechtbank zal echter – gelet op het reclasseringsadvies - in hoge mate rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de onvoorwaardelijke gevangenisstraf matigen. Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest van verdachte. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet aanleiding een deel daarvan, te weten 5 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en wordt een verplichte begeleiding door de reclassering mogelijk.

Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf op leggen. De rechtbank is van oordeel dat, nu een fors lagere (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf wordt opgelegd dan in vergelijkbare zaken, er geen ruimte is voor een lagere werkstraf dan de maximaal op te leggen werkstraf van 240 uur.

6 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.353,73, te vermeerderen met wettelijke, voor het onder 1 ten laste gelegde feit, te weten een bedrag van € 153,73 wegens materiële schade en een bedrag van € 1.200,00 wegens immateriële schade

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij vatbaar is voor integrale toewijzing. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop de feiten werden gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van het voorwerp.

Verder is het voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 impliciet tenlastegelegde poging doodslag;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 3.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: poging tot zware mishandeling;

Feit 2: handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet Wapens en Munitie.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat verdachte:

- een agressieregulatietraining bij Kairos of een soortgelijke voorziening zal volgen en afronden;

- zich binnen 4 werkdagen na invrijheidsstelling en vervolgens gedurende de gehele proeftijd bij Reclassering Nederland zal melden, zo vaak als deze reclasseringsinstelling dit nodig acht.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- beveelt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

- veroordeelt verdachte voorts tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 1.353,73. waarvan € 153,73 ter zake van materiële schade en € 1.200,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 30 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.353,73 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een ploertendoder;

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Killian, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 augustus 2010.

Mr. R.P.G.L.M. Verbunt is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.