Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN4020

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-06-2010
Datum publicatie
13-08-2010
Zaaknummer
SBR 08/390
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "A” (vergunninghouder) vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) verleend voor het lozen van afvalwater en vergunning verleend als bedoeld in de Wet op de waterhuishouding (Wwh) voor het onttrekken en lozen van water.

Niet in geschil is dat eiseressen geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. De rechtbank overweegt dat hen dit echter redelijkerwijs niet kan worden verweten, nu verweerder, zoals evenmin in geschil is, heeft nagelaten, overeenkomstig artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit in de Staatscourant te plaatsen.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:12, tweede lid, van de Awb. De rechtbank ziet in de ernst van het verzuim geen aanleiding om zoals verweerder heeft aangevoerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb vernietiging van het bestreden besluit achterwege te laten.

Eiseressen hebben vervolgens verklaard geen gelegenheid meer te willen om alsnog hun zienswijzen kenbaar te maken. Zij hebben de rechtbank verzocht het besluit te vernietigen, omdat verweerder onvoldoende voorschriften over de visintrek heeft opgenomen in het besluit. Deze voorschriften zijn op grond van de BAT Reference document Industriële koelsystemen (BREF) verplicht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verweerder op basis van de voorhanden gegevens onvoldoende kan beoordelen of er problemen voor visintrek zullen zijn. Verweerder weet niet de exacte locatie van de inlaat voor koelwater, verweerder heeft op één punt de effecten door laten rekenen zonder de exacte locatie te kennen en verweerder weet niet wat de stroomsnelheid van het water bij het inlaten van koelwater zal zijn. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat het niet nodig is om in de vergunning nadere voorschriften voor visintrek te stellen onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dat op de locatie geen sprake is van paaigebied voor vissen kan hier niet aan af doen. De rechtbank ziet daarbij niet in waarom de gevolgen van visintrek, zijnde ecologische belangen, niet vallen onder de hier aan de orde zijnde vergunning op grond van de Wwh. Beroep gegrond..

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 08/390

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Stichting Natuur en Milieu, te Utrecht, eiseres 1,

Stichting Zuidhollandse Milieufederatie, te Rotterdam, eiseres 2,

Coöperatie Mobilisation for the environment, te Nijmegen, eiseres 3,

eiseressen,

gemachtigde: drs. ing. J.G. Vollenbroek,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde: mr. F.S. de Waal,

derde belanghebbende: BIOX Group B.V. , vergunninghouder,

gemachtigde: prof mr. T van Barkhuysen.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 18 oktober 2006 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "BIOX Group B.V."(vergunninghouder) vergunning als bedoeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren(Wvo) verleend voor het lozen van afvalwater en vergunning verleend als bedoeld in de Wet op de waterhuishouding(Wwh) voor het onttrekken en lozen van water. Dit besluit is op 26 oktober 2006 ter inzage gelegd. Eiseressen hebben hiertegen beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) ingesteld. Bij uitspraak van 7 november 2007 heeft de Afdeling het beroep voor wat betreft de verleende vergunning ingevolge de Wvo gegrond verklaard. Bij brief van 22 januari 2008 heeft de Afdeling het beroep voor wat betreft de verleende vergunning ingevolge de Wwh naar deze rechtbank doorgezonden.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 28 april 2010, waar eiseressen bij gemachtigde zijn verschenen. Eiseressen en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. De vergunninghouder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

2.1 In geschil is de aan de vergunninghouder verleende vergunning op grond van de Wwh met betrekking tot het onttrekken van oppervlaktewater aan en het lozen van afvalwater op het Yangtzehaven.

2.2 De rechtbank stelt vast dat namens de vergunninghouder een gecombineerde aanvraag is ingediend voor een vergunning op grond van de Wm, de Wvo en de Wwh. Daarbij is verzocht om de procedure te coördineren.

2.3 Niet in geschil is dat eiseressen geen zienswijzen naar voren hebben gebracht. De rechtbank overweegt dat hen dit echter redelijkerwijs niet kan worden verweten, nu verweerder, zoals evenmin in geschil is, heeft nagelaten, overeenkomstig artikel 3:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit in de Staatscourant te plaatsen.

De enkele omstandigheid dat, zoals verweerder stelt, een van de eiseressen wel zienswijzen naar voren heeft gebracht over het ontwerp van het besluit tot milieuvergunning en van dit ontwerp gelijktijdig met het ontwerp van het bestreden besluit kennis is gegeven, op de voor het ontwerp van het besluit tot milieuvergunning vereiste wijze, geeft de rechtbank nog geen aanleiding voor een andersluidend oordeel hieromtrent. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit immers nog niet per definitie dat eiseressen ook op de hoogte waren van het ontwerp van het bestreden besluit. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden uitgesloten dat potentiële belanghebbenden hierdoor zijn benadeeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 3:12, tweede lid, van de Awb. De rechtbank ziet in de ernst van het verzuim geen aanleiding om zoals verweerder heeft aangevoerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb vernietiging van het bestreden besluit achterwege te laten.

2.4 Eiseressen hebben vervolgens ter zitting verklaard geen gelegenheid meer te willen om alsnog hun zienswijzen kenbaar te maken. Zij hebben de rechtbank verzocht het besluit te vernietigen, omdat verweerder onvoldoende voorschriften over de visintrek heeft opgenomen in het besluit. Deze voorschriften zijn op grond van de BAT Reference document Industriële koelsystemen (BREF)verplicht.

2.5 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat er geen noodzaak is voor aanvullende voorschriften, die zien op het tegengaan van visintrek, op te nemen in de Wwh- vergunning. Voorts ziet een vergunning op grond van de Wwh vooral op effecten van waterstromen en waterpeil en ook economische belangen naast op menselijk gebruik gerichte belangen kunnen worden betrokken bij het stellen van voorschriften bij een waterkwantiteitsvergunning. Verweerder verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 31 oktober 1994 en 18 juli 1995.

2.6 Ten aanzien van het ontbreken van voorschriften over de visintrek hebben eiseressen naar voren gebracht dat de exacte locatie van de onttrekking van koelwater niet bekend is. Verweerder heeft dit bevestigd. Daarnaast heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat alleen op één punt de effecten zijn doorgerekend. De rechtbank concludeert dan ook dat de exacte locatie voor onttrekking van koelwater onduidelijk en ook de effecten van het innemen van koelwater. Evenmin is de omvang van de roosters duidelijk. Dit terwijl de stroomsnelheid van het water mede wordt bepaald door de omvang van een rooster en verweerder evenmin voorschriften over de stroomsnelheid heeft opgenomen. Verweerder heeft voor wat betreft de locatie nog verwezen naar pagina 12 van de vergunning, onder 4.4.1.1 en de lay-out van de inrichting en daarbij verklaard dat niet gezegd is dat niet alsnog nadere voorschriften kunnen worden gesteld. De rechtbank constateert echter dat de vergunning niet voorziet in de mogelijkheid van het stellen van nadere voorschriften op het punt van de visintrek. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar bijlage 7 van de vergunningsaanvraag, waarin de best beschikbare technieken zijn omschreven, maar verweerder heeft dit, zo stelt de rechtbank vast, niet in de vergunning voorgeschreven. De verwijzing door verweerder naar pagina 30 van de aanvraag biedt is hiervoor onvoldoende aangezien in de vergunning geen verwijzing is opgenomen naar de aanvraag. De aanvraag maakt zodoende geen deel uit van de vergunning.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het voorgaande dat verweerder op basis van de voorhanden gegevens onvoldoende kan beoordelen of er problemen voor visintrek zullen zijn. Verweerder weet niet de exacte locatie van de inlaat voor koelwater, verweerder heeft op één punt de effecten door laten rekenen zonder de exacte locatie te kennen en verweerder weet niet wat de stroomsnelheid van het water bij het inlaten van koelwater zal zijn. Gelet hierop is het standpunt van verweerder dat het niet nodig is om in de vergunning nadere voorschriften voor visintrek te stellen onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Dat op de locatie geen sprake is van paaigebied voor vissen kan hier niet aan af doen. De rechtbank ziet daarbij niet in waarom de gevolgen van visintrek, zijnde ecologische belangen, niet vallen onder de hier aan de orde zijnde vergunning op grond van de Wwh. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 1995 (AB 1995,508) .

2.8 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:12, tweede lid, en 3:2 van de Awb.

2.9 Ten aanzien van de gevraagde vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overweegt de rechtbank dat het beroep bij Afdeling, dat is doorgestuurd naar de rechtbank, mede is ingesteld door eiseres 3. Blijkens het door appellanten verstrekte uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is de gemachtigde van eiseressen, voorzitter van eiseres 3. Onder die omstandigheid kan door hem verleende rechtsbijstand niet worden aangemerkt als rechtsbijstand die door een derde is verleend, zodat er in zoverre geen kosten zijn die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 18 oktober 2006 voorzover dit de vergunningverlening op grond van de Wet op de waterhuishouding betreft;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van vergunninghouder, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Ebbens, als rechter en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2010.

De griffier: De rechter

mr. D.E.S. Tomeij mr. J. Ebbens