Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2010:BN3987

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
19-08-2010
Zaaknummer
275128 / HA ZA 09-2322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie: Opzegging overeenkomst van opdracht. Artikel 7:400 BW, artikel 7:408 BW, artikel 7:411 BW.

Vaststaat dat partijen zijn overeengekomen dat de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden wordt voldaan per tijdseenheid, in dit geval per uur, en dat dienovereenkomstig zou worden gefactureerd. De vordering kan zodoende, voor zover gegrond op artikel 7:411 BW (zo blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis bij dit artikel), niet worden toegewezen.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:408 BW heeft de opdrachtgever de bevoegdheid de opdracht te allen tijde te beëindigen. Derhalve levert het enkele feit dat de opdrachtgever de overeenkomst heeft opgezegd noch een wanprestatie noch een onrechtmatige daad op.

Bij opzegging dient in aanmerking te worden genomen dat op grond van artikel 7:400 lid 2 BW, de eisen van redelijkheid en billijkheid echter met zich kunnen brengen dat opzegging onaanvaardbaar is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onaanvaardbaarheid dienen de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval in acht te worden genomen. Tot de voorwaarden waaronder de overeenkomst kan worden opgezegd kan tevens de verplichting behoren dat de opzeggende partij de schade die de wederpartij door de opzegging lijdt geheel of ten dele moet vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 275128 / HA ZA 09-2322

Vonnis van 18 augustus 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat: mr. D.J.L.P. Oomens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. G.J. Bilderbeek.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 2 december 2009;

- het proces-verbaal van comparitie van 3 maart 2010 en de in voorbereiding daarop door [gedaagde] toegezonden brieven van 19 en 22 februari 2010 met bijlagen, alsmede de door [eiseres] toegezonden brief van 26 februari 2010 met bijlagen;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende vermeerdering van eis in conventie, welke conclusie geacht wordt tijdens de comparitie te zijn ingediend.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft per 1 januari 2009 in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht ten behoeve van KPN. [gedaagde] is als zelfstandig consultant op ict-gebied werkzaam. [gedaagde] is via de tussenpersoon Corso B.V. ingeschakeld om werkzaamheden te verrichten voor KPN. [X], directeur van [eiseres], heeft de werkzaamheden namens [eiseres] verricht voor [gedaagde].

2.2. Op 12 juni 2009 is aan [eiseres] medegedeeld dat haar werkzaamheden voor [gedaagde] met onmiddellijke ingang werden beëindigd.

2.3. [eiseres] heeft voor haar werkzaamheden in april 2009 een factuur, gedateerd 1 mei 2009, ten bedrage van € 12.376,00, inclusief btw, aan [gedaagde] gestuurd. Voor haar werkzaamheden in mei 2009 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een factuur, gedateerd 1 juni 2009, ten bedrage van € 10.210,20, inclusief btw, gestuurd.

2.4. Verder heeft [eiseres] een factuur gestuurd aan [gedaagde] voor haar werkzaamheden in de periode vanaf 1 juni tot en met 12 juni 2009. De factuur, gedateerd 1 juli 2009, bedraagt € 6.188,00, inclusief btw.

2.5. [eiseres] heeft [gedaagde] bij brief van 10 augustus 2009 gesommeerd de facturen over de maanden april, mei en juni 2009 voor 17 augustus 2009 te voldoen. [eiseres] heeft aanspraak gemaakt op wettelijke rente vanaf dertig dagen na de factuurdata.

2.6. Op 20 augustus 2009 zijn de facturen die zien op de maanden april en mei door [gedaagde] aan [eiseres] voldaan.

2.7. Bij brief van 27 augustus 2009 heeft de raadsman van [eiseres] aan [gedaagde] geschreven dat [eiseres] aanspraak maakt op loon over de hele maand juni ter hoogte van € 13.613,60, vermeerderd met wettelijke rente.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, veroordeling van [gedaagde] tot:

­ betaling van € 81.213,60, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2009 tot de dag der algehele betaling over een bedrag van € 13.613,60;

­ betaling van de wettelijke rente over € 67.600,00, vanaf 3 maart 2010 tot de dag der algehele betaling;

­ betaling van de wettelijke rente over het loon van april 2009, vanaf 1 juni 2009 tot en met 20 augustus 2009, zijnde een bedrag van € 130,20;

­ betaling van de wettelijke rente over het loon van mei 2009, vanaf 1 juli 2009 tot en met 20 augustus 2009, zijnde een bedrag van € 57,07;

­ buitengerechtelijke incassokosten ad € 904,00;

­ betaling van de beslagkosten;

­ betaling van de proceskosten.

3.2. Het bedrag van € 81.213,60 is als volgt opgebouwd:

A. € 6.188,00, zijnde het loon dat [eiseres] heeft gefactureerd over de periode 1 juni tot en met 12 juni 2009;

B. € 7.425,60, dit is het loon dat [eiseres] vordert over de periode vanaf 13 juni tot en met 30 juni 2009. Het bedrag is opgebouwd uit het loon dat [gedaagde] volgens [eiseres] voor de hele maand juni verschuldigd is, te weten € 13.613,60, minus het op 1 juli 2009 gefactureerde bedrag van € 6.188,00;

C. € 67.600,00, het loon dat volgens [eiseres] verschuldigd is over de maanden tot en met 31 december 2009.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiseres] in haar eis, althans tot afwijzing daarvan. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde] vordert veroordeling van [eiseres] tot:

­ betaling van € 38.312,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2009, zijnde de dag van indiening van de eis in reconventie;

­ voldoening van de door [gedaagde] geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 18 november 2009;

­ betaling van de proceskosten.

3.5. [eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [gedaagde] in haar eis in reconventie, dan wel tot afwijzing van haar vordering, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [gedaagde] in de proceskosten. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

Loon 1 juni tot en met 12 juni 2009 ad € 6.188,00;

4.1. [eiseres] vordert, op grond van de overeenkomst, allereerst betaling van loon over de periode van 1 tot en met 12 juni 2009. [eiseres] legt aan haar vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting tot betaling van dit loon.

[gedaagde] betwist dit loon verschuldigd te zijn en voert hiertoe aan dat door [eiseres] in deze periode geen werkzaamheden zijn verricht die door [gedaagde] aan haar opdrachtgever in rekening konden worden gebracht.

4.2. Met betrekking tot de vordering tot betaling van € 6.188,00 oordeelt de rechtbank als volgt. [gedaagde] is op grond van de overeenkomst tussen partijen in beginsel gehouden de factuur van [eiseres] te betalen. Een tekortkoming van de schuldeiser ontslaat de schuldenaar niet van zijn betalingsverplichtingen. Dit is anders als de schuldenaar de overeenkomst heeft ontbonden (waarvan hier geen sprake is), omdat partijen in dat geval van hun verbintenissen zijn bevrijd. De door [gedaagde] gestelde wanprestatie met betrekking tot de uitgevoerde werkzaamheden door [eiseres] vormt – indien al juist – dus op zichzelf genomen geen grond om [gedaagde] van haar betalingsverplichting te bevrijden. Het door [gedaagde] gevoerde verweer dat zij het bedrag niet verschuldigd is nu door [eiseres] wanprestatie zou zijn gepleegd kan reeds daarom niet slagen.

4.3. Daar komt nog bij dat [gedaagde] ter comparitie heeft verklaard dat zij (uiteindelijk) wel door KPN betaald is voor de werkzaamheden die [eiseres] in de periode van 1 tot en met 12 juni 2009 heeft verricht. Dit strookt niet met de door [gedaagde] gestelde wanprestatie van [eiseres], zodat het verweer ook om deze reden niet kan slagen.

4.4. Gelet op het voorgaande is [gedaagde] gehouden € 6.188,00 te betalen aan [eiseres]. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen. De door [eiseres] gevorderde wettelijke rente over het loon voor de periode van 1 tot en met 12 juni 2009 zal als niet weersproken overeenkomstig het gevorderde worden toegewezen vanaf 1 augustus 2009.

Loon 13 juni tot en met 30 juni 2009 ad € 7.425,60;

4.5. Met betrekking tot het deel van de vordering dat ziet op het loon vanaf 13 juni tot en met 30 juni 2009, overweegt de rechtbank het volgende.

4.6. [eiseres] grondt haar vordering primair op artikel 7:411 BW. [eiseres] stelt dat [gedaagde] de opdracht ten onrechte voortijdig heeft beëindigd en de beëindiging aan [gedaagde] is toe te rekenen. [eiseres] heeft verder gesteld dat het project bij KPN (in ieder geval) zou lopen tot en met 30 juni 2009 en dat de overeenkomst tussen haar en [gedaagde] ook tot die datum zou lopen. [gedaagde] heeft betwist dat afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de duur van de overeenkomst tussen haar en [eiseres]. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard dat opdrachten bij KPN twee maanden duren en iedere maand kunnen worden opgezegd met een opzegtermijn van twee weken.

4.7. Voorop gesteld wordt dat uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 7:411 BW blijkt dat dit artikel niet van toepassing is op opdrachten die duurovereenkomsten vormen, in die zin dat de honorering plaatsvindt op basis van tijdseenheden of verrichtingen conform een overeengekomen tarief, behoudens voor zover het gaat om beëindiging binnen een tijdseenheid waarvan de verschuldigdheid van loon afhankelijk is.

Artikel 7:411 BW is in ieder geval niet van toepassing nu vaststaat dat de overeenkomst niet van dien aard is dat zij door volbrenging zou eindigen.

Partijen twisten over de vraag of sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd. [eiseres] heeft bij dagvaarding gesteld dat de overeenkomst zou lopen tot en met 30 juni 2009. [eiseres] heeft daarbij echter geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen blijken dat partijen expliciet zijn overeengekomen dat de opdracht tot die datum zou lopen. Ter comparitie heeft [eiseres] verklaard dat KPN de opdracht aan [gedaagde] verlengd had tot en met 30 juni 2009 en dat het in de lijn der verwachtingen lag dat [eiseres] haar werkzaamheden zou blijven voortzetten, doch dit enkele feit is onvoldoende om aan te nemen dat ook de overeenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] daarmee zou lopen tot die datum en dat sprake is van een overeenkomst voor bepaalde tijd tussen [eiseres] en [gedaagde]. Het moet er derhalve voor gehouden worden dat sprake is van een overeenkomst van opdracht voor onbepaalde tijd. Vaststaat dat [eiseres] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden wordt voldaan per tijdseenheid, in dit geval per uur en dat dienovereenkomstig zou worden gefactureerd. De vordering kan zodoende, voor zover gegrond op artikel 7:411 BW, niet worden toegewezen.

4.8. [eiseres] voert als subsidiaire grondslag voor haar vordering aan dat sprake is van een overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd en dat voortijdige beëindiging door de opdrachtgever hem niet ontslaat van de verplichting tot loonbetaling. Deze stelling is door [gedaagde] betwist. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld is tussen partijen geen overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd gesloten. De vordering kan, voor zover gebaseerd op deze stelling, daarom niet slagen.

4.9. Meer subsidiair stelt [eiseres] dat de opzegging door [gedaagde] wanprestatie, dan wel een onrechtmatige daad oplevert. Kennelijk heeft zij hiermee het oog op het bepaalde in artikel 7:408 BW. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:408 BW heeft de opdrachtgever de bevoegdheid de opdracht te allen tijde te beëindigen. Derhalve levert het enkele feit dat [gedaagde] de overeenkomst heeft opgezegd noch een wanprestatie noch een onrechtmatige daad op. De rechtbank begrijpt echter dat [eiseres] ook heeft bedoeld te stellen dat de opzegging [gedaagde] schadeplichtig maakt nu geen opzegtermijn in acht is genomen.

4.10. Nu tussen [eiseres] en [gedaagde] een contractuele regeling omtrent een opzegtermijn ontbreekt dient bij de beoordeling van de vraag of [gedaagde] gehouden was een opzegtermijn in acht te nemen voorop te staan dat [gedaagde], op grond van artikel 7:408 lid 1 BW, bevoegd was de overeenkomst te allen tijde op te zeggen. Bij opzegging dient in aanmerking te worden genomen dat op grond van artikel 7:400 lid 2 BW, de eisen van redelijkheid en billijkheid echter met zich kunnen brengen dat opzegging onaanvaardbaar is. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onaanvaardbaarheid dienen de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval in acht te worden genomen. Tot de voorwaarden waaronder de overeenkomst kan worden opgezegd kan tevens de verplichting behoren dat de opzeggende partij de schade die de wederpartij door de opzegging lijdt geheel of ten dele moet vergoeden.

4.11. Bij beantwoording van de vraag of directe opzegging van de overeenkomst gerechtvaardigd was, acht de rechtbank van belang dat [X] zich als zelfstandige laat inhuren en volledig afhankelijk is van het inkomen dat hij hiermee genereert. Dit inkomen is door de opzegging (plotseling) weggevallen. Verder weegt mee dat de echtgenote van [X] kort voor de opzegging is overleden.

[gedaagde] stelt dat [X] hem “zwart” zou hebben gemaakt bij KPN. Ook als zou worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling en aangenomen zou worden dat [X] zich op enig moment onwelvoeglijk zou hebben gedragen, dan is de directe opzegging door [gedaagde] niet gerechtvaardigd, met name tegen de achtergrond van het (zeer) recente overlijden van de echtgenote van [X]. Naar het oordeel van de rechtbank bestond voor [gedaagde] niet een zodanig zwaarwegende grond dat zij de overeenkomst mocht opzeggen zonder inachtneming van een opzegtermijn. [gedaagde] is dan ook gehouden de schade die [eiseres] dientengevolge lijdt te vergoeden.

4.12. Bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding weegt de rechtbank de volgende omstandigheden mee. De contractuele relatie tussen partijen had een relatief beperkte duur (vanaf november 2008), verder is gesteld noch gebleken dat partijen bewust hebben afgezien van het overeenkomen van een opzegtermijn. Verder is van belang dat [gedaagde] ter comparitie onweersproken heeft gesteld dat de termijn voor projecten bij KPN twee maanden bedraagt en dat iedere maand opgezegd kan worden met inachtneming van een opzegtermijn van twee weken en dat [eiseres] zelf stelt dat haar overeenkomst met [gedaagde] een afspiegeling is van de overeenkomst tussen [gedaagde] en KPN c.q. Corso. Gelet hierop was [gedaagde] gehouden een opzegtermijn van twee weken te hanteren in relatie tot [eiseres]. Aan de hand van de tussen partijen gehanteerde tarieven en werktijden, zoals deze blijken uit de overgelegde facturen van [eiseres], stelt de rechtbank de schadevergoeding voor de twee werkweken, volgend op 12 juni 2009, vast op tien werkdagen à acht uren per dag maal € 65,00 per uur, zijnde een totaalbedrag van € 5.200,00. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

4.13. [eiseres] vordert wettelijke rente vanaf 1 augustus 2009. [eiseres] heeft echter pas bij brief van 27 augustus 2009 van haar advocaat aanspraak gemaakt op het loon vanaf 13 juni 2009. In de brief wordt [gedaagde] een termijn gegeven tot en met 4 september 2009 om tot betaling over te gaan. [gedaagde] is, op grond van artikel 6:82 lid 1 BW, eerst op 5 september 2009 in verzuim gekomen doordat betaling voor die datum achterwege is gebleven. De wettelijke rente over het bedrag van € 5.200,00 zal derhalve worden toegewezen vanaf 5 september 2009.

Loon 1 juli tot en met 31 december 2009

4.14. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft [eiseres] haar eis vermeerderd met een bedrag van € 67.600,00, exclusief btw, aan loon over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2009. [eiseres] baseert dit deel van haar vordering op de stelling van [gedaagde] in de conclusie van antwoord in conventie, dat haar overeenkomst met KPN tot en met 31 december 2009 zou voortduren.

4.15. Zoals hiervoor is geoordeeld diende [gedaagde] bij opzegging van de overeenkomst een opzegtermijn te hanteren. Gelet op hetgeen hiervoor in r.ov. 4.12 is bepaald, moet de overeenkomst tussen partijen geacht worden te zijn geëindigd met inachtneming van een opzegtermijn van twee werkweken. Zodoende is er geen plaats voor de vordering tot loonbetaling over de periode van 1 juli tot en met 31 december 2009. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

Wettelijke rente over het loon voor de maanden april en mei 2009;

4.16. [eiseres] vordert wettelijke rente over de factuurbedragen met betrekking tot haar werkzaamheden in de maanden april en mei 2009 tot de datum van betaling door [gedaagde] op 20 augustus 2009. Zij stelt dat de facturen na de vervaldata zijn betaald en dat [gedaagde] hierdoor wettelijke rente is verschuldigd. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat is afgesproken dat [eiseres] een VAR-verklaring zou overleggen om te voorkomen dat [gedaagde] zou worden aangesproken tot betaling van loonheffing. Verder heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat [eiseres] deze verklaring pas na sommatie door [gedaagde] heeft overgelegd en dat zij na ontvangst van de verlangde VAR-verklaring direct het loon over de maanden april en mei 2009 aan [eiseres] heeft voldaan. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde], naar het oordeel van de rechtbank, met recht de betaling opgeschort en is hierdoor niet in verzuim gekomen, zodat dit deel van de gevorderde wettelijke rente zal worden afgewezen.

4.17. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. [eiseres] heeft immers niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.18. [eiseres] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 102,00 voor verschotten en € 452,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 452,00).

4.19. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 72,25

- vast recht 1.708,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.684,25

in reconventie

4.20. In reconventie vordert [gedaagde] schadevergoeding van [eiseres] op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad. Zij voert hiertoe aan dat de overeenkomst tussen haar en [eiseres] is beëindigd vanwege disfunctioneren van [eiseres] en vanwege het feit dat [X] hem probeerde zwart te maken bij KPN, waardoor zij [eiseres] niet tot en met 31 december 2009 heeft kunnen inzetten. [gedaagde] stelt dat zij als gevolg hiervan voor een bedrag van € 17.360,00 schade heeft geleden, te weten 31 weken maal 40 uren per week à € 14,00 (het verschil tussen het bedrag dat zij van haar opdrachtgever ontvangt voor de geleverde werkzaamheden en het bedrag dat zij aan [eiseres] verschuldigd is op basis van de overeenkomst).

Daarnaast stelt [gedaagde] dat door het gedrag van [X] ook haar eigen contract met Corso/KPN voortijdig is beëidigd, te weten op 25 augustus 2009, terwijl zij zelf in ieder geval tot en met 30 september 2009 werkzaamheden zou hebben verricht. Zij stelt hierdoor schade te lijden voor een bedrag van in € 20.952,00 (216 uren maal haar uurtarief € 97,00) aan gederfde omzet.

4.21. Gelet op het feit dat de beëindiging van het contract tussen [gedaagde] en KPN pas ruim drie maanden na beëindiging van de samenwerking tussen [gedaagde] en [eiseres] plaatsvond, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat de beëindiging van het contract tussen [gedaagde] en KPN te wijten is aan gedragingen van [X]. De rechtbank passeert deze stelling daarom als zijnde onvoldoende onderbouwd, hetgeen tot gevolg heeft dat het hierop betrekking hebbende onderdeel van de vordering in reconventie niet voor toewijzing in aanmerking komt.

4.22. Ook de gestelde schade wegens het niet langer kunnen inzetten van [eiseres] komt niet voor toewijzing in aanmerking. Nog afgezien van het feit dat het gestelde disfunctioneren van [X] zich niet verhoudt met de onweersproken stelling van [eiseres] dat [X] na het beëindigen van het contract met [gedaagde] opnieuw door KPN via Corso is ingehuurd en daar ook nu nog werkzaam is, valt zonder nadere toelichting, die ook op dit punt ontbreekt, niet in te zien dat en waarom [gedaagde] na de beëindiging van de relatie met [eiseres], geen ander heeft kunnen inschakelen om de werkzaamheden uit te voeren.

4.23. [gedaagde] stelt dat zij schade heeft geleden doordat door [eiseres] beslag is gelegd. Met deze stelling miskent [gedaagde] dat een conservatoir beslag er naar zijn aard toe strekt om te waarborgen dat, indien een in de hoofdzaak ingestelde eis wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn. Nu de vordering van [eiseres] op [gedaagde] deels wordt toegewezen zijn de beslagen niet als onrechtmatig of onnodig gelegd te beschouwen. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure zal dan ook worden afgewezen.

4.24. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X] worden begroot op:

- salaris advocaat € 384,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 384,00)

Totaal € 384,00

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.188,00 (zesduizend honderdachtentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 1 augustus 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.200,00 (vijfduizend tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6: 119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 5 september 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 554,00,

5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.684,25,

5.5. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7. wijst de vorderingen af,

5.8. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 384,00,

5.9. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.?